Foto.

Ik nam het pontje, zoals elke ochtend, of toch in principe elke ochtend want de laatste tijd ga ik wat minder vaak naar kantoor; lanterfanten kan je net zo goed thuis. Ik rolde mijn fiets achterwaarts tot op het achterdek, zoals dat gaat, de boot ramvol, en ik herkende een andere passagier, die tegen de balustrade leunde: Hans Aarsman. Hij zag er vrolijk uit, had een te korte pantalon aan en witte tennissokken in beige loafers.
De veerboot vaarde naar de overkant in een enorm lange, brede boog wellicht omdat de schipper al van verre had gezien dat hij tussen twee vrachtschepen door moest manoeuvreren en dat deed hij ook met bloedstollende precisie en ik meende mij een interview met Aarsman te herinneren waarin hij vertelde hoe hij vrij bruusk met fotograferen was gestopt en sindsdien had hij die geweldige rubriek in de Volkskrant waarin hij naar foto’s kijkt. Ik dacht terug aan het interview dat ik gisteren had gegeven, het eerste over de nieuwe roman. Dat is altijd even zoeken. Ik had geprobeerd uit te leggen hoe mijn personages zijn vastgeroest in hun eigen positie en hoe moeilijk het voor hen is om daarvan los te komen en naar de wereld te kijken – laat staan naar zichzelf – door de ogen van iemand anders en dat dit het grootste probleem is van de huidige tijd: iedereen vindt dat zijn eigen positie volstaat en het enige valide perspectief is. Dat komt natuurlijk omdat men zijn identiteit aan die positie ontleent; wanneer je je openstelt voor de ander, zou je wel eens gedwongen kunnen worden die positie te verlaten en wie ben je dan nog? Misschien wel een mens, god verhoede, en kwetsbaar. Terwijl het veel mensen goed zou doen om eens te stoppen met fotograferen en wat vaker goed te kijken – of omgekeerd.
Anyways, de boot naderde de aanlegsteiger en ik keek om en ik zag een rood-roze gloed oplichten achter de flatgebouwen op de kade aan de overkant, en het kabbelende water strekte zich voor me uit, donker glanzend als een mysterie, en ik dacht mijn god hoe vaak nog, hoe vaak kan een schrijver dit water beschrijven, dat houdt vroeg of laat natuurlijk ook gewoon een keer op en net op dat moment voelde ik Hans Aarsman naast me, die zich vooroverboog, de nek strekte om beter zicht te krijgen op die gloed in de verte en hij grijnsde breed, greep in de binnenzak van zijn jasje, haalde zijn telefoon tevoorschijn en nam een foto.

Billie & Seb Proof Party

Binnen een dikke maand ligt Billie & Seb in de winkel. As we speak worden de promotionele leesexemplaren gedrukt. En dat gaan we vieren, volgende week woensdag 14 december, op een geheime locatie in Amsterdam, met een Proof Party. Een wat? Een middagje voor fijne mensen die van mijn uitgever zo'n leesexemplaar krijgen - zodat ze dat boek lekker kunnen lezen in de kerstvakantie.
Sarah Meuleman interviewt mij, acteur Sieger Sloot draagt voor uit Billie & Seb, en mijn lieve collega's P.F. Thomése en Ellen Deckwitz - die het boek nu lezen - delen hun bevindingen met de aanwezigen. Wordt leuk. Ik mag voor deze middag nog een tweetal plekjes vergeven. Dus wil je erbij zijn, mail me even op ivo[at]ivovictoria.com en ik zal er met mijn meest onschuldige hand twee uitkiezen.

O ja, nadat we in juni een omslag hadden bedacht voor de aanbieding, schreef ik vervolgens alsnog een heel ander boek haha. Dus nu is er een nieuw omslag - het behang van deze website wordt weldra aangepast - en dat is deze. Hopla!



Beeld.

Ik scrolde door de foto’s van de Waumans & Victoria show in Utrecht en ik zag iemand op het podium staan, een man in pak in een bepaalde houding, zijn rug gekromd, zijn hand uitstoken in de lucht, zijn haren dun, tanden geel, lachend om zichzelf en ik kon zijn schorre stem horen overslaan en ik dacht: ik heb deze man nooit eerder gezien. Aan het begin van de show kondigt Rob mij altijd aan als ‘zijn grote kleine vriend’ maar ik heb mezelf nooit als klein ervaren; in België was een meter vijfenzeventig gewoon normaal. Iemand van twee meter, dat was raar, dat was ne lange zwabber. Maar nu, op de foto’s, zag ik het plots: ik was gekrompen. Er is geen andere verklaring voor. Ik leek in niets op de atletische jonge kerel die zelfbewust een feestje binnen wandelt en de blikken op zich vestigt terwijl ik die kerel tot een dag voordien nog gewoon was geweest. Hoe was dit gebeurd?
In Billie & Seb is iets soortgelijks aan de hand. Vrijwel alle personages in dat boek ontdekken dat het beeld dat ze hebben van zichzelf niet langer strookt met wat ze in de spiegel zien. Eentje kijkt helemaal nooit meer in de spiegel maar vertrouwt op de blik van de anderen omdat die bepalen wie je bent. Daar heb ik me altijd tegen verzet maar nu had de blik van de ander zich onverhoeds van de mijne meester gemaakt en ik dacht terug aan wat ik eerder die week tegen de editor-in-chief had geschreeuwd: ‘Ik ben veel te hip voor de boeken die ik schrijf!’ 
Ja, de editor-in-chief en ik, wij lachen wat af aan de telefoon. Dat neemt niet weg dat er nu een compleet nieuw omslag is gemaakt voor Billie & Seb (dat ik nog even niet ga laten zien). Een mooi, smaakvol beeld met elegante belettering, in de stijl van klassieke Amerikaanse literatuur. Kortom. Een omslag voor een auteur van middelbare leeftijd.

Overleg.

Liefje was in London dus een half uur nadat ik de meisjes naar bed had gebracht, stond Lou Victoria weer boven en ze zei: ‘Wij hebben nog niet overlegd.’
Dat was waar. Op de fiets had ze gevraagd of ze bij mij in bed mocht slapen. 
‘Dat is wel een beetje zielig voor Lola,’ had ik gezegd.
‘Maar dan heeft Lola haar kamer voor zich alleen en kan ze knuffels uit mijn bed pakken die ze leuk vindt,’ zei Lou. Fair point. Maar ik had geen zin in haar gedraai en gekeer. Dus ik had het gesprek met de eeuwige dooddoener beëindigd: we zullen straks overleggen. Er daarbij van uitgaande dat ‘straks’ zou opgevuld worden met avondeten, en een film, en een toetje, waarna alles zou zijn vergeten en Lou gewoon haar eigen bed in zou stappen zonder nog een moment aan het mijne te denken. En zo was het ook gegaan. Maar nu stond ze daar. Slim gewacht tot haar grote zus in slaap was gevallen, en ze keek me schuin aan, op haar bekende, onweerstaanbare manier waardoor van feitelijk overleg eigenlijk geen sprake was.
Ik sliep in blokjes van anderhalf tot twee uur. Lou draaide en keerde en telkens wanneer ik de ogen opende, lag ze in een andere houding. De mond half open, een lok haar over haar ogen, haar armen wijd. Of opgekruld tot een bolletje, of plat op haar buik. En iedere keer bestudeerde ik haar gedurende enkele seconden, in het zachte licht dat de wekkerradio over haar gezicht strooide. Hoe het kuiltje in haar wang verscheen wanneer ze glimlachte in haar dromen. Hoe haar wenkbrauwen bogen net zoals die van haar moeder dat doen. Ik wist dat deze gebroken nacht zou resulteren in een helse dag. De toon maakte zich klaar om van de gelegenheid te profiteren en mijn hoofd te fileren, zoals altijd wanneer ik slecht slaap. Maar deze keer kon het me niet zo veel schelen. Wat die toon nu eindelijk eens moet gaan leren, is dat dit mijn leven is, en niet het zijne, en dat er schoonheid bestaat waar hij simpelweg niet tegen opgewassen is.