Robben.

De voorbije dagen volgde ik met belangstelling een debatje dat u, de lezer, natuurlijk geen snars interesseert maar wel aangaat: Philip Huff beschuldigde Arie Storm van partijdig recenseren en daarop volgden reacties etcetera. Vandaag zeer verstandige woorden in deze kwestie, van de hand van Arjen Fortuin in het NRC. Lees zijn column HIER. Of gebruik de Blendle-link, het is uw 0,29 eurocent waard.
Punt is uiteraard dat het bij zaken als deze helemaal niet om (het gebrek aan) integriteit of kennis van zaken gaat. Ik ken geen van de betrokkenen die Fortuin noemt erg goed en heb geen enkele reden om aan hun integriteit te twijfelen. Waar het om gaat is de schijn van ongeloofwaardigheid die wordt gewekt in genoemde gevallen. Sowieso heb ik nooit iets begrepen van schrijvers die collega's uit het eigen taalgebied recenseren of jureren. Toen ik dat na mijn debuut in de gaten kreeg, kon ik mijn ogen niet geloven. Ik kwam uit de muziekwereld. Daar wordt wel gescholden en gevloekt en af en toe slaan ze elkaar op hun gezicht wanneer ze vinden dat de ander kutmuziek maakt. Maar zie je Bono de nieuwe cd van Coldplay recenseren in The Guardian?
Een schrijver in een literaire jury is als Arjen Robben die zegt: ‘Weet je, ik ga voorlopig niet voetballen, zal ik scheidsrechter zijn deze keer?’ En inderdaad, daar valt veel voor te zeggen: Robben kent de spelregels, de geschiedenis, en voelt wellicht beter het spel aan dan een scheids nooit op topniveau speelde maar toch: als hij een penalty fluit voor Bayern München, ook al trapte de verdediger in kwestie zijn tegenstander letterlijk dwars doormidden, dan zal dat volstrekt ongeloofwaardig blijven, hoezeer hij zijn integere best ook doet. En net zoals het topvoetbal, kan de literatuur best een scheut geloofwaardigheid gebruiken.

Werk.

Ik zit in een decompressie-fase. Er is niet zoveel wat moet, en dus doe ik vrijwel niets. Ik lummel rond. In gedachten zit ik tegenover een belastingcontroleur en leg uit waarom ik mijn werkuren niet bij hou, hetgeen je als zelfstandige zogezegd verplicht bent te doen.
‘Waarom zou ik dat doen,’ zeg ik. ‘Ik werk altijd.’ En daarna probeer ik hem uit te leggen dat rondlummelen ook werken is voor een schrijver, dat het merendeel van de werkweek van een schrijver bestaat uit niet schrijven. Maar rondlummelen, en lezen. Tegenwoordig kan ik meerdere boeken tegelijk lezen, als ik ze maar ‘vast maak’ aan een locatie. Aan tafel lees ik Jasper en zijn knecht, van Gerbrand Bakker. Jezus, wat een feest. Op toilet lees ik sinds een week in De Nix van Nathan Hill, en vanochtend zag ik dat ik er al honderd bladzijden in gevorderd ben hetgeen iets zegt over dat boek, of over mijn spijsvertering. Naast bed ligt een verhalenbundel van Haruki Murakami. Gisteren, op de bank, las ik een verhaal van Lydia Davis dat ik heel slecht vond. Ik ben halfweg in WIL van Jeroen Olyslaegers, en halfweg in Novecento, een novelle van Alessandro Baricco en ik heb het gevoel dat ik midden in al die boeken zit, want het zijn allemaal goede boeken, ook Bezoek aan haar man van Lydia Davis, zo verzekerde de dame in de boekhandel me. Ze zei: ‘Dit is een fantastisch boek, de rest van haar oeuvre kan je hierna gerust links laten liggen.’
Verder ging ik voor het eerst in jaren weer naar Critical Alignment Yoga en toen ik aan het eind van de les vijf minuten lang op mijn hoofd stond dacht ik dat dit de oplossing was voor alle kleine fysieke ongemakken waarmee ik de laatste tijd worstel en daar kikkerde ik zo van op dat ik besloot weer op pianoles te gaan. 
‘Ziet u,’ zeg ik. ‘Ik lummel helemaal niet rond. Ik werk. Dit is hoe het werkt, meneer de controleur. U moet me geloven.’

Praatjes.

Lou Victoria pakte Yucca van Peter Terrin op, bekeek het omslag en zei: ‘Wat stáát er eigenlijk in dit babyboek?’ (De meeste mensen en dingen in het leven van Lou Victoria krijgen op dit moment het prefix baby. Niemand hoeft zich hierdoor beledigd te voelen.)
‘Een verhaal,’ zei ik.
‘Mag ik tv kijken?’ vroeg ze.
‘Dat mag,’ zei ik.
‘Wat voor babyverhaal?’
‘Welnu,’ zei ik. ‘Het gaat over een papa die net uit de gevangenis komt en een meisje dat… heel goed kan tekenen.’ (Even geen zin om uit te leggen wat een kunstenares is.) Lou keek op. Een zweem van interesse. Daarna begon Dora. 
Ze is anders dan haar grote zus. Sneller met sommige dingen. Totaal niet geïnteresseerd in andere. Beslist over alles. Binnenkort wordt ze vijf. Een vriendinnetje van haar mag absoluut niet op haar feestje uitgenodigd worden. Het is een leuk meisje, bij wie ze al vaak is gaan spelen. Maar toen we haar op het lijstje wilden zetten, zei Lou: ‘Ze heeft te veel praatjes.’ Dat was twee weken geleden. Gisteravond stonden Liefje en ik in de keuken te praten terwijl de kinderen in de woonkamer aten.
‘Ik krijg haar niet zover om X. uit te nodigen,’ fluisterde ze. ‘Dit is genant. Wat moet ik doen?’
‘Tja,’ fluisterde ik terug. ‘Ik weet ook niet wat er aan de hand is.’
Lou Victoria vanuit de woonkamer: ‘Ik weet wel wat er aan de hand is: ZE PRAAT TE VEEL.’

Slapen.

Terwijl ik met de editor-in-chief aan de telefoon zijn bevindingen besprak omtrent de laatste versie van Billie & Seb, voelde ik een vreemde tinteling langs mijn beide slapen trekken. Dat kon twee dingen betekenen. Of ik kreeg een herseninfarct en zou binnen enkele seconden sterven waarna de editor-in-chief kon beginnen met het tot in den treure uitmelken van zijn status als laatste levende mens op aarde die Ivo Victoria gesproken had kort na het voltooien van diens vierde roman. Of ik voelde live alle spanning weg sijpelen, de spanning die er mogelijk al maanden had gezeten, waar nota bene mijn kapster mij als eerste op had gewezen, de spanning die ervoor zorgt dat mijn hoofdhuid zo strak over mijn schedel heen zit getrokken dat het pijn doet wanneer ik lach, de spanning die misschien wel mede verantwoordelijk is voor de toon die de laatste weken verstoppertje met me speelt en op de meest ongelegen momenten weer opduikt – maar na het telefoontje met de editor-in-chief was het stil.
Dit betekent verder niets. 
‘Wat ga je nu doen?’ vroeg de editor-in-chief.
‘Tja,’ zei ik.
‘Misschien kan je wat korte verhalen gaan schrijven, of essays.’ Hetgeen hij uiteraard niet zei omdat ik ook nog contracten met hem heb afgesloten voor een verhalenbundel en een essaybundel, dat weet ik ook wel.
‘Ja,’ zei ik. ‘Dat zou ik kunnen doen. Dat zou zomaar eens kunnen.’
Daarna fietste ik naar huis door de stralend frisse herfstzon, en ging slapen.

Grappig.

’s Zaterdags las ik in de boekenbijlage van de Volkskrant nog eens die rubriek van Maxim Hartman waarin hij de eerste tien pagina’s van drie net verschenen boeken leest en daar advies over geeft. Een idee dat tijdens de brainstorm op de redactie enorm goed moeten hebben geleken, en heel even was er wat om te doen. Nu vraag ik me af of er nog iemand is die dit leest. Het probleem van de rubriek is heel eenvoudig, het is het probleem van alle slechte humor: hij probeert om grappig te zijn. Toen ik Maxim Hartman voor het eerst in de theatertent op Lowlands zag spelen, plaste ik letterlijk bijna in mijn broek van het lachen; ik ben een groot fan van het soort flauwekul waar hij het patent op heeft, en op een podium kan je de illusie van spontaniteit creëren. Op papier is flauwekul gewoon flauwekul. Ook al omdat de lezer er altijd van uit gaat dat de schrijver erover heeft nagedacht voordat hij het opschreef.
Daarom is humor in geschreven tekst zo verschrikkelijk moeilijk. Veel mensen die het proberen gaan Herman Brusselmans nadoen. Dat is het droevige lot van Herman Brusselmans: pas wanneer iemand hem probeert te imiteren, krijg je in de gaten hoe goed hij is. Terwijl ik dit tik, heb ik opeens enorme zin om De man die werk vond opnieuw te gaan lezen, het eerste boek van Brusselmans dat ik ooit las. Dat is in mijn herinnering helemaal geen grappig boek, het greep me naar de keel, dat is geloof ik ook mijn enige tip aan wie al schrijvende grappig wil zijn: zorg ervoor dat het ook een beetje pijn doet, en spaar jezelf niet.

Nooit Meer Slapen (5): de zuidgrens.

Op 27 mei 2002 meldde ik mij bij de Vreemdelingenpolitie in Slotervaart. 
‘Ik kom mij inschrijven,’ zei ik bij de receptie. Ik kreeg een nummertje en nam plaats op een bank in een gang met allemaal identieke kantoortjes. Houten deuren met daarnaast een raam waardoor je een glimp opving van wat er binnen gebeurde. Koppels met kinderen. Mannen alleen. Vrouwen met hoofddoeken. Na een half uur mocht ik zo’n kantoortje binnen. Er zat een vrouw achter glas. 
‘Hoe bent u het land binnen gekomen?’ vroeg ze.
Ik bracht een ondefinieerbaar geluid uit.
Ze nam er een landkaart van Nederland bij en wees naar een stippellijn onder Breda.
‘Via de zuidgrens?’
‘Ja!’ zei ik. ‘Via de zuidgrens.’ En plots was het me duidelijk: ik was in het buitenland. 
Daarna verliep het leven zoals je dat kan verwachten. Huis, werk, kinderen. Ik kocht een friteuse en bak nog steeds eens per week frieten. Mijn Franse vrouw vond een Franse slager op de Albert Cuyp, tot ons grote geluk. Wanneer het Nederlandse elftal een doelpunt tegen kreeg, juichte ik niet. Uit beleefdheid.
Nog niet zo lang geleden fietste ik met mijn oudste dochter naar huis. Op het pleintje stonden jongens van Marokkaanse afkomst te voetballen.
‘Wat doen die jongens eigenlijk in dit land,’ vroeg mijn dochter.
‘Ehm,’ zei ik. ‘Die jongens zijn Nederlandser dan jij.’
Dit leidde tot een enorme woede uitbarsting. Kortom, de integratie verliep perfect, terwijl mijn vaderland langzaam maar zeker naar de verdoemenis ging. Straks vertelt opa Victoria zijn kleinkinderen - de derde generatie - over een land dat België heette terwijl de premier van Nederland blijft herhalen dat wij hier slechts te gast zijn. Prima. Ik zie er de romantiek wel van in, om mijn oude dag te slijten als een soort statenloze ex-Joegoslaaf. Op 21 juli drapeer ik de nationale driekleur over de rugleuning van mijn rolstoel en bij elke aankoop in de winkel zal ik onverstoorbaar vragen naar de prijs in Belgische franken.

Laatste stukje voor VPRO's Nooit Meer Slapen op Radio 1. Dit keer nav de uitspraken van Premier Rutte dat derde generatie migranten die zich niet happy voelen in Nederland, zich moeten afvragen of ze willen blijven. Dat is een beleefde manier om 'Rot op' te zeggen tegen mensen die gewoon een Nederlands paspoort hebben. Zelf woon ik al 15 jaar in Nederland, heb geen Nederlands paspoort, en dus geen stemrecht. Zou het wel waarderen als er van mijn belastinggeld dan minimaal een premier werd betaald die eventuele problemen aanpakt, in plaats van ze weg te wensen.

Nooit Meer Slapen (4): Kinderzitje.

Ik vroeg me af waar de bloemen lagen. Het laatste stuk fietste ik in één rechte lijn op de plek des onheils af, langs het park, waar kinderen op een grasveldje speelden met een bal. Al van ver begon ik als vanzelf te zuchten. Ik stak een vrouw voor die me verontrust aankeek, vertraagde weer, en liet me opnieuw inhalen. 
Ze lagen precies waar ik dacht. Tegenover Bar Bukowski, bij de gietijzeren hekken waar ik mijn fiets aan vast maak wanneer ik daar een biertje drink. Op de andere hoek is het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, waar mijn jongste dochter geboren werd. Ze moeten er dus razendsnel bij zijn geweest. 
Ik ken veel plekken als deze. Het zijn de littekens van de stad. De Dageraadbrug, het Marnixplein, het Mercatorplein, het kruispunt van de Stadhouderskade en de Hobbemastraat. Het gekke is: ik heb geen van de mensen die daar het leven lieten ooit gekend maar ze blijven in de achterkamers van mijn hoofd zweven, als geesten, of demonen die eens in de zoveel tijd verschijnen aan de binnenkant van mijn ogen, zoekend, verrast door wat hen is overkomen, niet wetende waarnaartoe. Wanneer het naasten betreft lijkt mijn overlevingsdrang het te winnen van de machteloosheid en het onbegrip – omdat het anders onmogelijk is om verder te leven. Het verdriet krijgt een plaats, of vervaagt, wordt uitgewist door het voorbijgaan van de dagen. Maar wanneer het onheil zich iets verderop afspeelt, in het struikgewas dat mijn levenspad afzoomt, blijven de beelden rondspoken als wespen die zich tegen de binnenkant van mijn schedel te pletter vliegen. Ik weet niet hoe dat komt.
Er stond nog één satellietwagen van god weet welk tv-zender langs de kant van de weg. De bloemen werden afgeschermd door drie lelijke rood-wit gekleurde hekken zoals je ze ook bij wegenwerken ziet. Daarnaast een damesfiets. Er zat een kinderzitje op. 

Deze week doe ik elke nacht een stukje bij de VPRO's Nooit Meer Slapen op Radio 1. Deze keer over het dodelijke ongeval waarbij gisteren een veertienjarig meisje omkwam in de buurt van het Amsterdamse Oosterpark.

Nooit Meer Slapen (3): Barger-Compascuum.

Ik ben nooit goed geweest in scheikunde. Ik herinner me van die lessen met name het diepe zuchten van de leraar bij het zien van onze hoofden, retoricajongens met puisten en niet te ontcijferen dromen. Ik herinner me zijn minachting voor wie wij zouden worden, het hopeloze van onze situatie spiegelend in zijn koude ogen. 
Hoe anders had alles kunnen lopen als ik naar school was gegaan in Barger-Compascuum, fietsend door het eindeloze golvende groen, en de herinneringen aan turf. Dan zat ik nu misschien aan het stuur van een moleculaire nano motor, duizend keer kleiner dan een haar.
In beide scenario’s schuilt hoop voor een vader zoals ik, in het bezit van een dochter van vijf met een autoriteitsprobleem. Gisteravond trok die bandiet zich ongemerkt terug in de wc met een potje nagellak van haar moeder. Ze kwam de kamer binnen, een spoor van bloedrode druppels achterlatend op de houten vloer, en ze zag mijn ogen, de spiegeling van wie zij ging worden – zo ongeveer het omgekeerde van een Nobelprijswinnaar – en ik had het idee dat ze schrok. Ik schaamde me. 
Toen de stilte in het huis was weergekeerd en de geur van nagellakremover door het open raam de straat in dreef, keken mijn vrouw en ik elkaar zuchtend aan. Ik hoorde mezelf zeggen dat discipline en lichte dwang geen kwaad kunnen, dat ze er groot van worden, leren dat niet alles leuk hoeft te zijn om er wat aan te hebben en mijn voornaamste argument was dat dit ook goed was geweest voor mezelf. Dat is het argument van een oude man, die in de ogen van een scheikundeleraar zijn verloren toekomst heeft gezien.
We gingen slapen. Zij lag vredig in haar bedje. Oogleden gesloten, pupillen rusteloos. Met zo’n moleculaire nano motor kan je naar verluidt door een menselijk lichaam héén reizen, net als Dennis Quaid in Inner Space. Ik geloof evenwel niet dat je er toegang mee krijgt tot iemands dromen. 

Deze week draag ik elke nacht een verhaaltje voor bij de actualiteit van de dag in VPRO's Nooit Meer Slapen op Radio 1. Dit keer naar aanleiding van de Nobelprijs voor scheikunde, gewonnen door boerenzoon Bernard Feringa.

Nooit Meer Slapen (2): Utopia.

Soms wanneer ik naar de hemel kijk, lijken de sterren en planeten zich van ons af te keren, alsof ze teleurgesteld zijn. Snap ik wel. En dat is dan weer typisch menselijk natuurlijk, om te denken dat ze daarginds überhaupt met ons bezig zijn. 
Het heelal dooft uit. De grootste geboorte-explosie van nieuwe sterren in de kosmos ligt al miljarden jaren achter ons. De brandstof raakt op, het is slechts een kwestie van tijd voor alles weg zal zijn. Alles. Het hele heelal, opgebrand als een oude man. Een geruststellende gedachte. 
Soms wanneer ik naar de hemel kijk, vraag ik me af hoe het hier op aarde zou zijn wanneer de mensen er niet meer waren. Ik denk dat de zon zou schijnen, en daarna zou het opnieuw regenen, vroeg of laat, en de zwaluwen zouden komen en verdwijnen, net als het glinsterende klapperen van hun vleugels, roodborstjes zouden het vuur uit hun veren zingen, de muizen uit gaten en hoeken schieten, de meeuwen lachen, de rotsen zwijgzaam toezien. De bomen zouden nog steeds elke lente in bloei staan. Bijna honderd jaar geleden dichtte Sara Teasdale: And Spring herself, when she woke at dawn / Would scarcely know that we were gone.
En soms wanneer ik naar de hemel kijk, denk ik: een puinhoop kan je overal maken. Laat die planeten in godsnaam onbereikbaar blijven, dan kunnen wij blijven dromen. 

Deze week draag ik elke nacht een stukje voor bij de VPRO's Nooit Meer Slapen op Radio 1, geïnspireerd door de actualiteit van de dag. Vandaag nav het groeiende verlangen naar een nieuwe Utopie. Zie ook: het boek Mensen op Mars van Joris van Casteren, een artikel in de Volkskrant over de realityshow Utopia die 1000 dagen bestaat, en de 500ste verjaardag van Utopia van Thomas More.

Nooit Meer Slapen (1): Wachten.

Vanochtend fietste ik gewoon naar school met mijn twee meisjes, de lucht van het helderste blauw en het water kabbelend in de zon, dromend van de zomer en blote kinderbuikjes.
Het is een simpel leven, van het zuiverste gewoon. (Wanneer ik mensen vertel dat ik auteur ben, leidt dat vaak tot een bepaalde vorm van ontzag en nieuwsgierigheid. Niemand realiseert zich dat schrijven een van de lafste manieren is om bijzonder te zijn.)
Ik heb een jongen gekend die buiten de pistes skiede, een bergbeklimmer die het liefst zonder touw of partner klom. Wanneer ik hen vroeg waarom zij hun leven op het spel zetten, en bereid waren alles te verliezen, vroegen zij aan mij: wat is het leven waard dan? Als er niks op het spel staat? Als er niks te winnen valt?
Toen ze stierven was ik droevig, maar altijd met een scheutje ongemakkelijke jaloezie in het besef dat zij oog in oog hadden gestaan met het leven in al haar grootsheid, terwijl ik ochtend na ochtend naar school fiets met mijn meisjes, een frisse herfstbries tintelend op onze wangen. Daarna, terug thuis, heb ik voor de rest van de dag niet veel anders te doen dan bang zijn, in mijn kleine kamer, aan mijn kleine bureau, in dit gewone, kleine leven, dat ik krampachtig groter probeer te maken met elke aanslag op mijn toetsenbord. In feite doe ik niet veel anders dan wachten op de dood.

Deze week draag ik elke nacht een stukje voor bij de VPRO's Nooit Meer Slapen op de Radio 1, gebaseerd op de actualiteit. Dit keer naar aanleiding van de dood van fotograaf Jeroen Oerlemans in Libië.