Toon.

Sinds eind april heb ik een toon in mijn hoofd. Een zingend, zinderend geluid zoals je dat ook wel eens hoort wanneer je na een nacht dansen in bed ligt en je oren nog niet tot rust zijn gekomen. Het geluid gaat van hoog naar laag, wordt luider en stiller, maar het is er vrijwel altijd. Ik ging naar de dokter. Zoals gewoonlijk maakte die zich geen zorgen. Ik heb het al vaker gezegd: er komt een dag dat ik een reeks terreuraanslagen op Nederlandse huisartspraktijken uit zal voeren en na iedere explosie op de plaats delict een bordje in de grond zal timmeren met de tekst: 'ZAL VANZELF WEER OVERGAAN'.
Ik ging naar de fysio, ik stopte met roken, ik werkte halve dagen, ik masseerde mijn nek, ik sliep en sliep en sliep, ging op vakantie, sliep nog meer, maar de toon bleef. Opnieuw ging ik naar de dokter. Dit keer moest ik bloed laten prikken. De uitslag was excellent. Daardoor kon ik mijn eigen eerste diagnose – de diagnose die ik eigenlijk altijd stel bij elk ongemak waarmee ik kamp, of het nu een pijnlijke grote teen of een zingende toon in mijn hoofd is, namelijk: kanker – meteen weer van de lijst schrappen. Next stop: de KNO-arts.
Ondertussen zingt de toon voort. Soms ergens helemaal achterin in mijn hoofd, geniepig en klein en hoog, soms luid en duidelijk diep in mijn rechteroor, en soms lijkt het alsof de toon toebehoort aan iemand die mijn leven al die jaren aandachtig in ogenschouw heeft genomen en mij nu vlijmscherp toe sist: ‘Weg! Maak dat je weg komt, sodemieter op, idioot’. Op zulke momenten zet ik altijd een vrolijk muziekje op.