Lebowski Publishers.

De voorbije zestien maanden was ik een BUS (Bewust Uitgeverijloze Schrijver). Het was een heerlijke tijd. Evenwel, aan alle mooie liedjes komt een eind. En dus laat ik mij vandaag uitermate gewillig in de boeien slaan door Lebowski Publishers, bij wie ik vanmiddag een contract teken voor drie boeken. De komende twee tot drie jaar kan u van mij verwachten: een roman, een verhalenbundel en een essaybundel. Wellicht ook in die volgorde. Blij! 
(Er is ook een officieel persbericht voor wie daarvan houdt.)

Juichen.

Vrijdag ging ik naar Tame Impala. In het midden van de zaal ging een mannetje of duizend uit zijn dak, maar de overgrote meerderheid van het publiek stond te ouwehoeren en te zuipen aan de zijkanten. Op de tribunes achterin mensen op stoeltjes, roerloos, alsof ze in de bioscoop zaten en in feite was dat ook zo want de band bleek er slechts te staan als aanleiding voor psychedelische lichtprojecties op het grote scherm, mat en gelaten met een quasi-lollige frontman die niks anders wist uit te brengen dan ‘Are you allright?’ en ‘They told us this is one of the best sounding venues of Europe.’ Het was een van de saaiste concerten die ik ooit zag. Vijf sterren in de Volkskrant. Misschien stond die recensent in het midden van de zaal maar waarschijnlijker is dat hij er na al die jaren ook aan gewend is geraakt: de liefdeloosheid van zo’n betonnen bierbak vol gedouwd met belevingsmarketing en de veel te snel groot geworden bands die er spelen. Gewenning maakt blind.
Dan gisteravond, een volgepakt Paradiso voor Daughter. Naast mij stonden twee klepwijven die bij aanvang van het concert op Albert Cuyp-volume over hun kinderen begonnen. Heel even vreesde ik dat ik opnieuw in zo’n klassiek Hollands bandje-kijken-biertje-erbij-lekker-kletsen-gezellig avondje terecht was gekomen maar na een seconde of dertig vielen ze stil en samen keken we de volgende anderhalf uur met kippenvel op de armen naar een band die met liefde, en spelplezier, en passie, en dankbaarheid onze kelen dichtkneep. Ergens halverwege een song kwam er een break, de band viel stil en Elena Tonra’s stem vulde de zaal, gedragen door de stilte van vijftienhonderd mensen die niet durfden adem te halen en ik zag hoe ze de zaal in keek toen dat gebeurde en ik zag de ogen van iemand die besefte waarom ze daar stond. Tot drie maal toe kreeg de band een open doekje van het publiek, zomaar, tussen twee nummers in. Het was geen applaudisseren, het was juichen. Dat is wat de beste concerten met je doen: ze schenken je het geluk van een zwaarbevochten, maar verdiende overwinning. 
(Na afloop vroeg ik aan Liefje of ik het uit mag maken als Elena Tonra mij wil. Ze zei nee. En we weten allemaal wat het betekent als een vrouw nee zegt.)