De mening (5).

Deze week had ik elke dag een mening in opdracht van dS Avond, de digitale avondeditie van De Standaard. Dit was mijn laatste mening.

Kevin De Bruyne is zwaar geblesseerd en out voor tien weken. Wat een ongelofelijk goed nieuws voor onze Rode Duivels. De Premier League is de zwaarste competitie ter wereld. Als je niet goed oplet en je verovert een sleutelrol binnen je team, zoals onze ijverige Kevin goed bezig was te doen, speel je voor je het weet meer dan 70 wedstrijden en kom je compleet uitgeblust op het Europees kampioenschap aan. Hoe vaak gebeurt het niet dat de uitblinkers op grote tornooien eerder in dat seizoen langere tijd niet speelden?
Arjen Robben, dé grote man bij Oranje tijdens het WK in Brazilië, was in het seizoen 2013-2014 maar liefst 58 dagen geblesseerd en in die periode miste hij 17 wedstrijden voor Bayern München. Lionel Messi: 73 dagen buiten strijd en 12 wedstrijden gemist. Op het WK was hij in vrijwel elke wedstrijd van finalist Argentinië beslissend. Mesut Özil was 32 dagen out met een dijbeenblessure en miste 8 wedstrijden, maar wel op een ideaal moment: van half maart tot half april, een maandje voordat Duitsland aan de WK-voorbereiding begon. Kakelfris dirigeerde hij de Mannschaft naar de wereldtitel.
Onze jongens daarentegen maakten de klassieke beginnersfout: ze blonken maar uit en blonken maar uit, zonder een wedstrijd te missen, tot ze van vermoeidheid niet meer vooruit te branden waren (Eden Hazard) of hun achillespees afscheurden (Christian Benteke). En wie was de sensatie bij onze Duivels? Divock Origi. Had bij Lille driekwart van het seizoen op de bank zitten klaverjassen.
Wij hadden in die tijd nog veel te leren van de grote ploegen. Maar twee jaar later is het duidelijk dat onze jongens nu wél weten hoe het spel op het allerhoogste niveau wordt gespeeld. Vincent Kompany hoef je op dat vlak uiteraard niks meer te leren. Benteke pakte zijn rust in het begin van het seizoen en heeft nu heel slim zijn basisplaats afgestaan. Hazard spreidt zijn blessures meer in de tijd en weet tot op heden uitstekend te voorkomen al te vroeg in vorm te zijn. Marouane Fellaini verzamelt reservekrachten op de bank van Manchester United en als hij dan wel eens op het veld staat, lijkt hij dondersgoed te beseffen dat elke trap te veel ons het EK kan kosten. Jan Vertonghen ligt eruit voor weken, en nu dus Kevin De Bruyne out tot begin april, net op tijd om de Champions League te winnen en daarna goed uitgerust op stage te vertrekken met Wilmots en co.
Nee, alles verloopt volgens plan, geloof mij. De enige die er weer niks van heeft begrepen is Romelu Lukaku, die maar blijft scoren. Het is zeer de vraag of het tussen hem en de Rode Duivels ooit nog goed komt. Gelukkig is Origi er opnieuw klaar voor, netjes geblesseerd, precies op het moment dat hij meer speelminuten kreeg. Zo jong, en al zoveel maturiteit.
Kortom, wij zijn nu al Europees kampioen. Sterker zelfs, zoals een Nederlandse vriend bij het horen van het nieuws over De Bruyne tegen mij zei: het zou me niks verbazen als jullie dit EK al wéreldkampioen worden.

De mening (4).

Deze week heb ik elke dag een mening in opdracht van dS Avond, de digitale avondeditie van De Standaard. Dit was mijn mening gisteravond.

Vandaag gingen twee zelfrijdende auto’s de openbare weg op in het Nederlandse Wageningen. Het was de eerste keer ter wereld dat dit gebeurde. Het zijn spuuglelijke dingen, WEpods genaamd. Ze hebben geen pedalen of stuur en voor de zekerheid zat er iemand in die kon remmen in geval van nood.
De ontwikkeling is onstuitbaar. Ik zal sterven in een wereld waarin alleen nostalgici en complete idioten nog zelf achter het stuur kruipen – áls dat dan nog wettelijk is toegestaan.
Op de universiteit, tijdens de cursus sociologie, leerde ik dat de leefcultuur van de mens niet in staat is de technologische vooruitgang, bewerkstelligd door diezelfde mens, bij te benen. Ik weet niet meer wie voor die theorie verantwoordelijk was, maar het kwam erop neer dat er vele generaties overheen kunnen gaan voordat de mens dat ‘culturele gat’ kan dichten. De auto is een prima voorbeeld: hij bestaat al meer dan 150 jaar, maar nog steeds zijn wij niet in staat ermee te rijden zonder ongelukken te veroorzaken, en ondanks die talloze ongelukken kunnen wij nog altijd zeer slecht snelheid en impact inschatten. Maar wel beter dan 150 jaar geleden.
De zelfrijdende auto is symptomatisch voor een nieuw soort vooruitgang, eentje waaraan wij niet meer hóéven te wennen omdat we die enkel kunnen ondergaan. Wij kunnen alleen nog maar instappen en meerijden.
Ook vandaag in het nieuws: na schaken wint de computer nu ook van de mens in Go, het ingewikkeldste bordspel ter wereld. Soms hoor je nog weleens iemand beweren dat het toch mensen zijn die de computers en robots bouwen en dus onmisbaar zullen blijven tot in de eeuwigheid amen. Maar het wordt steeds duidelijker dat dit een ontstellend naïeve gedachte is: het is ondertussen bewezen dat algoritmes dusdanig complex kunnen worden dat ze zich zelfstandig voort kunnen ontwikkelen zonder dat de mens er vat op heeft.
De vraag waar die mens nog toe dient, wordt stilaan relevant. Vorige week las ik in De Groene Amsterdammer een artikel over robotisering. De quote die me bijbleef was: ‘Uitzoeken wat computers niet kunnen doen is een gevaarlijke manier om te bepalen hoe mensen waardevol kunnen blijven.
’Het verraderlijke aan deze revolutie is dat ze voor de meesten onder ons onzichtbaar blijft. De strijd om onze privacy, bijvoorbeeld, was in feite allang verloren nog voordat er een opiniestuk aan was gewijd. Niet alleen de zelfrijdende wagen, maar ook wijzelf worden in toenemende mate aangestuurd door camera’s en data, omsingeld door digitale wolken, ongrijpbaar in de lucht. We weten het wel, maar we hebben geen idee wat het daadwerkelijk betekent.
Desalniettemin deze belofte: de dag dat ik merk dat mijn persoonlijke luchtruim wordt vervuild door van die lustig rondsnorrende drones die pakketjes en pizza’s leveren, is de dag dat ik een luchtbuks koop.

De mening (3).

Deze week heb ik elke dag een mening in opdracht van dS Avond, de digitale avondeditie van De Standaard. Dit was mijn mening gisteravond. 

Dus. Dankzij de excess profit rulings bleef 2 miljard euro winst van buitenlandse bedrijven in België onbelast. Weet je wat? Ik vind het prima. Op voorwaarde dat iedereen akkoord gaat om vanaf nu de term ‘subsidieslurpers’ niet meer voor kunstenaars maar voor deze multinationals te bezigen. Deal?
Uiteraard hebben we er wat voor teruggekregen: werkgelegenheid, met name. Dat is belangrijk. Maar hetzelfde kan gezegd worden van kunstsubsidies: mijn boeken worden ondersteund door het Nederlands Letterenfonds. Het gaat om bruto bedragen waarop ik dus belasting betaal. Elk boek dat van mij verkocht wordt, levert de Nederlandse staat ook 6 procent btw op, plus belastinggelden die de uitgever, boekhandel en ikzelf betalen op de gegenereerde inkomsten. Elk boek leidt ook tot neveninkomsten (columns als deze, maar ook treed ik op, geef ik les...) en ook die activiteiten leveren belasting en btw op.
Daarnaast zou de boekhandel niet overleven zonder dat er boeken bestonden. En dan hebben we het nog niet gehad over ticketinkomsten of horeca-inkomsten uit aan literatuur en boeken verwante evenementen en etablissementen waar eveneens tal van mensen werkzaam zijn, en waar btw en belasting wordt afgedragen. Ik ben geen rekenwonder, maar als we gaan berekenen in welke mate mijn collega’s en ik de ons toebedeelde subsidies terug ‘geven’ aan de staat, denk ik dat we een heel eind komen. Dit alles zonder het te hebben over de inhoud en het belang van kunst voor de samenleving, hetgeen het belangrijkste is.
De kunstbesparingen van de afgelopen jaren in zowel België als Nederland zijn niets meer dan symboolpolitiek. Financieel leveren ze nauwelijks iets op in het grotere geheel. Het is niks meer dan tegemoetkomen aan onderbuikgevoelens van mensen die mensen zoals ik graag ‘subsidieslurpers’ noemen.
Wat mij bevreemdt is dat diezelfde lui altijd de mond vol hebben over ‘de vrije markt’, en het ‘ondernemerschap’ dat kunstenaars zouden moeten tonen zodat ze minder afhankelijk worden van subsidies. Maar tegelijk wordt er in Vlaanderen niets gedaan om dat ondernemerschap te stimuleren. In Nederland, waar ik woon, kan men op zijn minst nog beargumenteren dat het zelfstandige ondernemerschap tot op zekere hoogte een uitweg biedt voor (sommige) kunstenaars omdat er tal van fiscale voordelen aan verbonden zijn: zelfstandigenaftrek en de zogeheten mkb-winstvrijstelling (midden- en kleinbedrijf) samen kunnen in mijn geval oplopen tot een bedrag van 15.000 euro, waarop ik geen belastingen verschuldigd ben. Bovendien liggen de belastingtarieven 8 tot 17 procent lager dan in Vlaanderen. Dat biedt mij de ruimte om al bij een relatief lage omzet te kunnen overleven. Weliswaar heb ik geen recht op werkloosheidsuitkering, geen arbeidsongeschiktheidsverzekering, laat staan een pensioen, maar daar ben ik mij van bewust. In ruil voor de fiscale voordelen, ben ik bereid risico te nemen. Ik leef het leven dat ik wil leven, ik ben niet arm, niet rijk, wel gelukkig. Zonder Nederland was ik geen schrijver.
Toen ik vorig jaar in Den Haag een lunch had met Koningin Mathilde (don’t ask), legde ik haar dit verschil uit. Een aandachtig luisteraar was de Vlaams minister-president Bourgeois, die mij tijdens het dessert nog wat bijkomende vragen stelde. Hij gaf toe dat het klimaat in Vlaanderen niet ideaal was voor ondernemende kunstenaars en dat zoiets als de tax shelter in de filmwereld breder toepasbaar zou kunnen zijn. Later vernam ik via via dat hij mij bij een andere gelegenheid opvoerde als voorbeeld van een kunstenaar die ondernemerschap toonde. Dank voor het compliment. Ik zou zeggen: put your money (700 miljoen aan terug te vorderen achterstallige belasting van die multinationals) where your mouth is.

De mening (2).

Deze week heb ik elke dag een mening in opdracht van dS Avond, de digitale avondeditie van De Standaard. Dit was mijn mening gisteravond.

Unilever heeft besloten het formaat van de Magnum en de Cornetto te verkleinen. Het bedrijf wil de consument ‘helpen gezondere keuzes te maken.’ Je kan niet achterdochtig genoeg zijn als een multinational zegt het goed met je voor te hebben, maar voortaan zal zo’n ijsje dus maximaal 250 calorieën bevatten.
Ik ben alweer vergeten wie of wat de kip of het ei was. Wilden wij gezonder gaan leven en is de voedselsector daardoor geobsedeerd geraakt door groen en bio, of is dit alles het gevolg van slimme marketingresearch en is de behoefte ons opgedrongen?
Als een wetenschappelijk onderzoek tot gedragswijzigingen aanzet, is het altijd goed jezelf af te vragen wie de opdrachtgever van dat onderzoek was. Zo verbaas ik mij nog steeds over het enorme succes van kinderfietshelmen in de voorbije vijftien jaar, terwijl de technologie al veel langer beschikbaar was. Op basis van de statistieken zou het bovendien nuttiger zijn als automobilisten en voetgangers zo’n helm droegen. Zij lopen beduidend meer risico in het verkeer. Alleen: dat ziet er zo idioot uit. Zou het kunnen dat een slimmerik dat vijftien jaar geleden plots doorhad en bedacht: een wetenschappelijk onderzoek zal zonder twijfel bewijzen dat onze kinderen hoofdletsel kunnen vermijden door een helm te dragen. Dat gegeven, in combinatie met het feit dat kinderen van maffe kleurtjes houden, zal worden aangezwengeld door peer pressure onder ouders en ka-tsjing: lean back and watch the money come in. Want welke ouder wil het hersenletsel of de dood van zijn kind op zijn geweten hebben?
Ben ik te cynisch? Het kan.
Ik beschouw mezelf als een redelijk gezond levend mens. Ik ga twee maal per week een halfuur hardlopen. Ik eet hoogst zelden fastfood en drink nooit cola of andere zoete frisdranken. Ik eet elke dag minimaal één stuk fruit, voldoende groenten en probeer varkensvlees zo veel mogelijk te vermijden. Mijn gezond verstand zegt dat ik de extra winst die er in theorie te behalen valt door ook nog eens minder alcohol te drinken, nooit vlees te eten en helemáál te stoppen met roken, nu ook pak doordat ik er simpelweg een stuk relaxter bij loop dan fanatieke gezondheidsfreaks. Maar ja, nooit lees je eens een wetenschappelijk onderzoek naar het effect van vijf sigaretten per week. Terwijl dat meer zware rokers tot een gedragswijziging zou aanzetten dan het betuttelende vingertje dat hen meestal wordt voorgehouden, denk ik.
Er is wel degelijk een verschil tussen ‘hij leeft ongezond’ en ‘hij zou nog iets gezonder kunnen leven’.
Op de school van mijn kinderen kreeg ik de opmerking dat mijn jongste dochter (4) wit brood in haar trommel had. Of ik wist dat dit ongezond was.
‘Nee,’ zei ik.
‘Dat wist u niet?’ zei de juf.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik bedoel: wit brood is niet ongezond. Bruin brood is gezonder. Maar dat wil niet zeggen dat wit brood ongezond is.’
De juf keek me aan alsof ik zojuist zelf kankercellen bij mijn dochter had geïnjecteerd. (Overigens loste het ‘probleem’ zich vanzelf op zodra mijn dochter doorhad dat haar vriendinnetjes bruin brood aten. Peer pressure, het werkt echt altijd.)
Het gaat om controle. De illusie van grip op het enige wat ons met 100 procent zekerheid vroeg of laat zal ontvallen: het leven. Daar valt geld mee te verdienen, bewijzen verzekeraars al meer dan lang genoeg. Unilever heeft niet het beste met u voor, Unilever is gewoon zowat de traagste inhaker op een trend ooit. Het gezond verstand kijkt lijdzaam toe.

De mening.

Deze week heb ik elke dag een mening in opdracht van dS Avond, de digitale avondeditie van De Standaard, die elke dag rond 17.15h online gaat. Mijn mening van gisteravond stond vandaag evenwel ook nog eens in de papieren krant, dat kan zomaar gebeuren.

Neushaartrimmer.

Neushaartrimmer gekocht. Ik hikte er al een tijdje tegenaan, eerlijk is eerlijk. Uiteindelijk koos ik voor de Philips 3000 serie NT3160/10. Het was de ProtecTube-technologie die me over de streep trok. 
Ik zette koffie en dacht na over de nieuwe fase waarin mijn leven nu was beland, en ook dacht ik aan de verschillende mensen in mijn omgeving die relatieproblemen hebben en al dan niet op het punt van scheiden staan, en ik vroeg me af of dit een fase was waar ik binnen enkele jaren melancholisch op zou kunnen terug kijken zoals dat tot nog toe met vrijwel elke fase uit mijn leven mogelijk is gebleken. Ik kwam er niet uit. Alles is volstrekt logisch achteraf bekeken, de tijd is in staat om de meest gruwelijke dingen van een gloedvol randje te voorzien. Zonder twijfel zou ook de aankoop van de neushaartrimmer vroeg of laat een abstractie worden, logisch en volstrekt onbegrijpelijk tegelijkertijd, zoals het moment dat je hem of haar voor het eerst recht in de ogen keek. Zo gaan die dingen. Er viel niemand iets te verwijten, in de meeste gevallen. 
Ik dronk koffie. Lou Victoria stalde al haar speelgoed uit op de bank. Er werd met stoelen en tafels geschoven. Ze zong een liedje terwijl ze een beer in haar armen wiegde, gedachteloos, in haar rode pyjama, haar knietjes rustend op de harde houten vloer. Op de achtergrond danste een grillige sax solo.  
Ik sloot de ogen en dacht aan het huis waar ik woonde toen ik vier was. Ik zag een vaal geel, ruw, vast tapijt. Mijn knieën schrijnden.

Strottenhoofd.

Het was koud en het regende, heerlijk is dat, het allerbeste hardloopweer dat er is en ik voelde me goed en sterk tot me opviel dat ik de enige persoon in het hele park was. Dat zal je altijd zien, dacht ik, maar tegelijk dacht ik ook: overvallers moeten een bloedhekel hebben aan dit weer, zoals iedereen, het zijn echt alleen maar hardlopers zoals ik die er dol op zijn en dan alleen maar wanneer ze gaan hardlopen uiteraard en ik dacht aan een vriendin die ik vanavond weer ga zien. De laatste keer dat ik haar zag, had ze gezegd: ‘Altijd als eerste slaan, met de vuist, mikken op het strottenhoofd. Daarna zo hard mogelijk weg rennen.’ 

Ik kan tegenwoordig een half uur lang tegen een gemiddelde van 4 minuten 30 per kilometer wegrennen, en in tijden van nood, gedreven door angst en adrenaline, kan daar zeker nog 30 seconden vanaf zoals ik in de kerstvakantie vaststelde toen twee jongens van een jaar of veertien me uitdaagden en hun middelvinger naar me opstaken en een eindje voor me uit gingen rennen, jonge jongens, puberale overmoed, ik lachte naar ze en wuifde toen ze verderop een woonwagenpark op liepen maar bij thuiskomst vertelde Nike+ me dat ik mijn kilometerrecord verpulverd had.
De regen sloeg neer, het water liep over mijn gezicht en schouders en benen, drong door tot in mijn sokken, het was donker en grijs, bomen en struiken smolten, iets verderop, achter een bosje langs de kant, naast zo’n fitnessbalk, lag een man in een veelkleurige anorak bewegingloos op de grond. Je denkt eraan en het gebeurt. 
Als je als overvaller toch al niet van dit rotweer hield, dan kon in de modder op de grond gaan liggen om je slachtoffer te misleiden er nog wel bij. Ik naderde voorzichtig het lichaam, dacht opnieuw aan die vriendin, en hoe, in godsnaam, sla je iemand op het strottenhoofd wanneer hij met zijn gezicht van je afgewend op de grond ligt. Ik hield voldoende afstand, ruim meer dan een armlengte, en zei: ‘Hallo. Hallo.’ Geen beweging. Ik zette een paar passen achteruit, scande het park en de struiken en de paden, speurend naar handlangers. Niemand. Ik wilde me opnieuw tot de man richten maar ook hij was verdwenen, heel gek was dat, en het volgende moment bereikte ik de speeltuin bij ons thuis op het eiland, klokte af en stelde vast dat ik de laatste kilometer in 4 minuten 19 had gelopen.

Bowie.

Vandaag in het Vlaamse weekblad Knack, schrijf ik over hoe het mis ging tussen David Bowie en mij, en ternauwernood alsnog goed kwam.

Meisje.

Ik bracht de meisjes naar school met de auto en ondertussen dacht ik aan een meisje van lang geleden, een avond op het terras van een café en daarna een wandeling over de grindbaan, dronken, hand in hand, het overkomt me eens in de zoveel jaar dat dit beeld door mijn hoofd spookt, meestal op een moment dat ik het niet verwacht, en ook toen ik thuis kwam bleven de beelden voor mijn ogen dansen terwijl ik koffie zette en de laptop openklapte om dit stukje te schrijven. Het eerste liedje van de dag was I’ll Cry Instead van The Beatles, dat had ik ook al heel lang niet meer gehoord, zo lang in feite, dat ik me dat hele nummer niet meer kon herinneren, me niet kon inbeelden dat ik het ooit al eerder had gehoord maar die avond, op dat terras, het moment dat ik even naar toilet ging en in de spiegel keek en mezelf in stilte toesprak en bezwoer dat ik het na al die tijd niet moest wagen het nog een keer te verknallen, en daarna de wandeling over de grindbaan en de rit naar huis in haar auto, ja dat kan ik me allemaal herinneren alsof het gisteren is gebeurd en wanneer die herinnering onverwachts toeslaat, zoals daarstraks, in de auto, met twee zingende meisjes op de achterbank, kan ik nog steeds de woede in mezelf voelen opborrelen, ja tegen de tijd dat we bij de school arriveerden en ik de kleinste in de lucht zwierde en lachend op haar neus zoende, was ik ziedend en tot vrijwel alles in staat en ik bedacht dat het maar goed was dat er niks meer aan te doen viel.

Email.

Maandag en dinsdag was het wachten uitstekend verlopen. Ik had allerlei andere zaken te doen, en een hele reeks afspraken die in precies voldoende mate in de soep liepen om mij bezig te houden. Maar gisteren werd ik wat ongedurig. Ik kwam er niet toe om zelfs maar de eenvoudigste zaken op mijn to do-lijstje uit te voeren. Een vriendin wilde weten waar ik dan op zat te wachten en ik schreef haar een email waarin ik het haarfijn uitlegde en daarna wiste ik die uitleg en mailde haar dat ik het net had uitgelegd maar daarna weer had gewist omdat ik de boel niet wilde jinxen. Kortom, ik dreigde onuitstaanbaar te worden. Ik besloot vroeg naar huis te gaan, en te gaan hardlopen.
Een uurtje later stond ik in de slaapkamer, in mijn hardlooppak, op wat niet mijn hardloopmoment was. (Dat is namelijk de donderdagochtend. En zondagochtend.) Ik had gestretched en opgewarmd, had de Nike+ app aangezet, de muziek speelde al – My Terracotta Heart van Blur – en toen checkte ik nog één allerlaatste keer mijn mailbox en ja hoor, daar was-ie: de email waarop ik wachtte. Plots realiseerde ik mij dat ik de volgende ochtend niet zou gaan hardlopen. Iets wat er onvermijdelijk toe zou leiden dat ik ook niet zou uitslapen, niet te veel koffie zou drinken, niet door het huis zou lummelen voor de rest van de ochtend onderwijl geen dingetjes doende die totaal niet dringend zijn want dat alles is in mijn universum onlosmakelijk verbonden met hardlopen op donderdagochtend zoals u zal begrijpen. Kortom. Ik had geen andere keuze dan snel mijn mailbox weg te drukken, en als een dolle te gaan hardlopen. Daar moet die klotemail enorm van gebaald hebben maar zelf voelde ik me er uitermate prettig bij.

Boot.

Ik had gedacht dat de dagelijkse tochtjes met de pont zouden wennen. De meeste mensen zitten op die boot starend naar hun smartphone alsof ze de fokking tram hebben genomen en ik acht mezelf niet veel beter dan de gemiddelde forens. Maar het gebeurt niet. Ik sta in het midden van de boot en ik kijk rond. Vandaag is het water zwart met grijze tinten, schommelend, alsof het een gebeurtenis wil aankondigen. In de verte de stad, schemerend door de mist heen.
Aan de overkant spuwt de fabriek vuile rook in fel geel licht. Het nieuwe hippe restaurant is donker en leeg. Het zit in een smaakvol slordig ogende hangar van groene en witte golfplaten waarnaast quasi nonchalant wat berkenstammen zijn geplaatst ter decoratie. Er staat een donkerblauwe Porsche aan de achterzijde geparkeerd. Die stond er gisteren niet. Op mijn bureau, op kantoor, staat ook een Porsche. Een kleine witte, gekregen van mijn oma toen ik 18 werd, zoals ze had beloofd.  
Opmerkelijk genoeg is het in Amsterdam Noord altijd een graad of twee kouder dan aan onze kant van het IJ. Heeft wellicht te maken met de laagbouw, en het Vliegenbos waar ik elke dag doorheen fiets, dat het vocht vasthoudt, en het water dat overal is, in sloten en inhammen en binnenhaventjes. Vanochtend hebben ze zelfs gestrooid op de Nieuwendammerdijk. Wanneer ik de fiets parkeer bij ‘t Sluisje, passeert er een man die met twee Nordic Walking wandelstokken, zachtjes tikkend, omzichtig over de stoep manoevreert. Ik ga naar binnen, doe mijn jas uit, start de computer op, zet mijn brooddoos in de kast. Daarna begint de dag, met Heart’s Ease van Josh Ritter.

Een veelbelovend begin.

Gisterochtend, onderweg naar kantoor, was het me glashelder welk liedje ik zou opzetten zodra ik mijn jas had uitgedaan, mijn computer had opgestart en mijn boterhammendoos in de kast had gezet (ik smeer mijn eigen boterhammen, elke ochtend, dat doe ik sinds 1 oktober 2015, het is gek dat het niet de belangrijke dingen in mijn leven zijn die ervoor kunnen zorgen dat ik kortstondig gelukkig ben met mezelf, zoals de zeldzame momenten waarop ik mezelf een goede vader, geliefde dan wel schrijver acht, maar wel dit soort zaken: ik ben erg blij met mezelf dat ik nu zelf mijn boterhammen smeer en daarmee 150 euro aan veel te dure broodjes per maand uitspaar zoals ik ook erg gelukkig kan worden van een mand vol vers gewassen, netjes opgevouwen sokken maar dit alles terzijde) namelijk: Ashes to Ashes van David Bowie. Wat een song. De laatste tijd luister ik veel Bowie (Lodger, Scary Monsters, Low, Let’s Dance – beter dan die vier albums wordt het niet en wat dat nieuwe album en die tentoonstelling betreft: I couldn’t care less) maar ook vandaag, op de boot, terwijl ik in de verte de ramen zag oplichten van de school en me inbeeldde hoe mijn meisjes aan hun tafeltjes zaten, wist ik perfect welke song deze dag moest openen zodra ik mijn jas had uitgedaan, de computer opgestart en mijn boterhammendoos in de kast had gezet: I Want You van Bob Dylan. Dus dat is ook precies wat er gebeurde. Daarna koos ik voor Evidemment van France Gall. Over de rest van de dag kan ik vooralsnog geen uitspraken doen maar geef toe: dit is een veelbelovend begin.