dS Weekblad.

Vandaag leg ik in vier pagina's en meer dan 2000 woorden uit waarom ik een mietje ben. Nu weet ik ook wel dat de meeste onder jullie dat prima kunnen in minder dan vijf woorden maar hey, ik moet ook mijn brood verdienen. De (betalende) link naar het artikel vind je HIER

Costello.

Vandaag in De Morgen Boeken, ga ik twee pagina's lang los op de erg goede autobiografie van mijn held Elvis Costello. 

Nep.

Hij was te voet en we konden hem al van ver zien, op de grote brug, geflankeerd door twee Pieten waarvan er eentje op de grote bakfiets van de naschoolse opvang reed. 
‘Dat is de rolstoel Piet,’ zei Lola. In mijn tijd had je één Piet. Zwarte Piet. Ondertussen hebben ze die mannen behoorlijk doorontwikkeld. Maar goed. Vroeger had je ook maar twee soorten chocola: melk en puur. Misschien een wat ongelukkige vergelijking in deze context, maar dit gezegd zijnde, de voorbije dagen hebben mijn dochters en ik vele gesprekken gevoerd over de Sint en de Pieten waarbij talrijke theorieën zijn ontvouwd, weersproken en bevestigd en daarbij mocht ik mijn politiek correcte best doen zoveel ik wou, maar ik kon niet anders dan vaststellen dat zij elke mogelijke vorm van cognitieve dissonantie tot in de perfectie beheersten. Ook als de Pieten straks bij wet verplicht een blanke huidskleur en blonde krullen hebben, vrees ik dat dit voor mijn dochters geen reden zal zijn hen minder zwart te vinden.
De kinderen begonnen te zingen en langzaam schreed de Sint op een meter of tien langs ons heen.
‘Ik ben toch een beetje bang,’ zei Lola opgelucht.
In de klas lagen de Pietenmutsen klaar op de stoelen en sommige klasgenootjes hadden zich geschminkt. Jezelf verkleden als Piet of Sinterklaas, dat deden wij als kind nooit. Geen idee of het tegenwoordig wél gebruikelijk is in België. Ik hoop het niet. Jezelf verkleden als er wat te vieren valt, ik heb dat altijd iets typisch Nederlands gevonden en ik vind het al moeilijk genoeg om mezelf te zijn. 
Later vandaag had een Surinaamse juf voor Sint gespeeld tijdens de buitenschoolse opvang. Ze had zich laten helpen door blanke Pieten. 
Bij thuiskomst zei Lola: ‘Op de BSO is er nog een nep-Sint langs geweest.’
‘O ja,’ zei ik. ‘Hoe kon je dat zien dan, dat hij nep was?’
‘Hij had geen baard,’ zei Lola.
‘O.’
‘En hij was een meisje.’
‘Aha. En had hij ook Pieten bij?’
‘Ja. Die waren ook nep.’
‘Zo.’
‘Ja. Want ze hadden geen zak van Sinterklaas. Alleen maar plastic tassen.’
‘Helder. Is er je verder nog iets opgevallen waardoor je wist dat ze nep waren?’
‘Nee,’ zei Lola. ‘Dat was het.’

De voorbije week schreef ik elke dag een verhaaltje bij de actualiteit. Iets na enen 's nachts droeg ik het voor in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1. Dit verhaal naar aanleiding van de vaststelling van De Volkskrant dat de angel uit het Zwarte Pieten-debat is. 

Tot alles in staat.

Veel mensen geloven dat wanneer hun ouders overlijden, deze vanuit het hiernamaals toe kijken hoe het leven van hun kinderen verder verloopt. Ook Oscar was hier altijd van overtuigd geweest en vaak meende hij de stem van zijn moeder te kunnen horen, vermanend wanneer hij stiekem een ijsje at in volle trainingsperiode, of helder lachend door haar vreugdetranen heen wanneer hij over de finish liep. Maar die ochtend, toen Oscar plaats nam in de harde, houten beklaagdenbank, wou hij dat hij kon zeggen dat hij blij was dat zijn moeder dit alles niet meer hoefde mee te maken. Alleen: als dat zo was, waar had hij dan al die tijd in geloofd? 
Zit recht. Kin omhoog. Je bent niet minder dan een ander kind. Je bent mijn kind. 
Ze was er onmiddellijk, misschien nog wel luider en aanweziger dan anders en Oscar boog het hoofd, niet omdat hij berouw had maar omdat hij wilde dat ze door zou praten zodat hij wat er in de rechtbank werd gezegd niet hoefde te horen. Camera’s flitsten, gedempte stemmen zwierven door de zaal.
Oscars moeder was het type vrouw dat niet kon accepteren dat elk sponsje er uiteindelijk vies en bruin kwam uit te zien, ook al spoelde je het grondig na iedere schoonmaakbeurt. Zijn hele jeugd lang had ze hem voorgehouden: ‘Geen mens wordt uitgeschakeld door zijn gebreken, iedereen is tot alles in staat dankzij zijn mogelijkheden. Ook jij, Oscar.’ En dat geloofde hij nog steeds. Alleen bleken er in hem mogelijkheden te schuilen waarop hij niet had gerekend. 

Dit is de tragiek van de held: wanneer hij heldhaftig is, is iedereen bereid om hem te geloven. Maar vroeg of laat, meestal net op het moment dat de held zelf ook gelooft dat hij ieder obstakel in zijn leven kan overwinnen, komt hij zichzelf tegen. En nu wilde niemand nog aannemen dat ook Oscar een mens was, eentje die een beslissing had genomen, op dezelfde manier als ieder ander mens zou doen en elke dag doet, namelijk in de overtuiging dat het op dat moment, in die fractie van een seconde, de enige juiste beslissing was. De inschatting, de overtuiging dat daar in dat toilet een inbreker zat, of dat het meisje dat ooit verblindend mooi en vol van onschuld zijn leven was in gewandeld nu een gevaar was geworden, of alleszins iemand die het verdiende te sterven. Die overtuiging wordt geboren in het moment en lost meteen weer op zodra de beslissing is genomen. Wat de wereld nu van Oscar verlangde was dat hij had voorzien wat zijn overtuiging achteraf bekeken zou gaan betekenen. Maar dat kan zelfs een held niet.
Geen mens wordt uitgeschakeld door zijn gebreken, iedereen is tot alles in staat. Ook jij, Oscar. Hij had het bewezen. De rechter tikte met de hamer en vroeg om zijn aandacht. Oscar keek op, keek hem recht in de ogen. De rechter begon te spreken, zijn lippen bewogen, en op dat moment besefte Oscar dat zijn moeder zweeg. 

Deze week schrijf ik elke dag een verhaaltje bij de actualiteit. Iets na enen 's nachts draag ik het voor in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1. Dit verhaal naar aanleiding van de veroordeling van Oscar Pistorius.

Anna.

Anna staart naar het chatraam op haar computerscherm en controleert wanneer Remco voor het laatst online is geweest. Ze herleest zijn laatste bericht, keer op keer, houdt haar vingers boven de toetsen, aarzelt, en wacht uiteindelijk zó lang dat het scherm uitdooft, en in een glinsterend sluimering verzinkt. In de glans van die donkerte, ziet ze het beeld dat ze heeft van zichzelf, het silhouet dat ze ook ziet wanneer ze op winteravonden naar huis wandelt, haar haren golvend, haar figuur elegant weerspiegeld in de ramen van de huizen, een beeld dat onverbiddelijk verdwijnt zodra iemand binnen het licht aan doet. 
Ze staat op en loopt naar de badkamer, kleedt zich uit en kijkt in de spiegel. Remco heeft gezegd dat ze mooi is zo. Een vrouw. Maar zelf heeft ze steeds weer het gevoel dat er iemand achter haar staat die aan het zicht onttrokken wordt door een lelijke luchtspiegeling. Ze drukt haar neus tegen het koude glas, knijpt in haar huid tot er rode vlekken in verschijnen, glijdt met haar wijsvinger over haar neus, lippen, kin, hals, borstbeen in een rechte lijn naar beneden tot haar allerzachtste plekje, ja zelfs op het zachtste plekje lijkt ze niet echt te bestaan, en ze denkt aan hoe ze soms haar hoofd achteruit legt in de schoot van haar moeder en haar ogen sluit en hoe zij dan haar nagels of een pincet in Anna’s huid zet, het zachte knappen van haar puisten, een voor een, de pus die ze met een doekje wegveegt. Zelfs op die momenten lijkt ze niet te bestaan. Ze is slechts een lelijke luchtspiegeling die hinderlijk tussen haar en Remco in blijft staan. 
Ze neemt een washandje, houdt het onder de waterkraan en begint haar gezicht te schrobben. Langzame, nauwkeurige bewegingen waarbij ze de stof zo diep mogelijk in de poriën van haar huid duwt. Dan stopt ze even, bekijkt zichzelf, verbijt de voorspelbare teleurstelling en begint opnieuw, sneller, driftiger. Maar het helpt nooit. En ze wacht al zo lang. Totdat de spiegel haar angst op een dag in moed omzet. Totdat het moment komt dat haar lichaam verdwijnt en ze Remco achter zich ziet staan en in zijn diepblauwe ogen eindelijk zichzelf herkent. Remco. Ja. 
Ze kleedt zich aan, loopt terug naar haar kamer, raakt de spatiebalk aan, het scherm ontwaakt, ze tikt: ‘Ja. Ja Remco, dat lijkt me heel fijn. Waar? Wanneer? Nu?’

Deze week schrijf ik elke dag een verhaaltje bij de actualiteit. Iets na enen 's nachts draag ik het voor in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1. Dit verhaal naar aanleiding van de (ondertussen uitgestelde) reportage in Koppen over groomers, van Phara de Aguirre. 

Bom.

Toen ik de Thalys opstapte zat er schuin tegenover de voor mij bestemde stoel een kalende man in een beige jasje een boek te lezen. Ik kon niet zien welk boek maar toen ik mijn spullen op mijn stoel neerzette, keek hij op, keek me recht in de ogen, en glimlachte op een manier alsof hij mij herkende of minimaal doorhad wat voor type ik was. Ik zal niet beweren dat het een minachtend glimlachje was maar het kon ervoor doorgaan, het hing af van de interpretatie en als je die interpretatie aan mij overlaat deze dagen, dan pakt dat voor zo’n glimlachje zelden gunstig uit. Kortom, ik vertrouwde de zaak niet. Op de stoel naast de mijne lag een grijze rugzak en een zwarte jas in een regenbestendige stof zoals veel van die North Face jassen hebben, jassen voor mensen die veel onderweg zijn, beweeglijk en ongrijpbaar willen blijven, om wat voor reden dan ook. 
De trein begon te rijden. Regen sloeg tegen de ramen. Toen we de stad uit waren, ging de snelheid omhoog. Naast mij lag nog steeds de rugzak en de jas. Van de eigenaar geen spoor. In de verte zag ik de snelweg waar duizenden auto’s roerloos voor zich uit stonden te staren maar het gebruikelijke leedvermaak bleef uit, ik begon zelfs stilletjes te verlangen om alleen in zo'n auto te zitten, het water van de voorruit te zien glijden, de verwarming lekker hoog, muziek luid, staren, denken.  
Halfweg de reis kwam de conducteur. Ik wees hem op de spullen naast mij en zei dat ik niet wist waar de eigenaar was. En ook deze conducteur lachte op een bijzonder eigenaardige wijze, keek naar de spullen en zei: ‘Die zal wel in de bar zitten. Hoop ik.’
Daarna liep hij verder, en je zal wel begrijpen dat ik de zaak daar niet méér van ging vertrouwen. De statistische kans is klein, dat weet ik ook wel, en ook geloof ik dat alles wat moet gebeuren uiteindelijk zal gebeuren, en ook las ik onlangs dat je nooit voor je angst moet weg lopen, maar dat je angst moet zien als het teken dat je de essentie van je leven nadert, en ook las ik onlangs dat onze angst voor de dood niet meer is dan de angst van het kind om de rand van het zwembad los te laten omdat het nog niet gelooft dat het water haar kan dragen. Allemaal mooie gedachtes die ik graag wilde omarmen maar dan liever een andere keer, op een andere plek, in de auto bijvoorbeeld, ergens op een snelweg, in de warmte, en de rust van de duisternis en de gestaag neervallende regen, en vooral in de zekerheid dat ik niet de oetlul zou zijn die precies naast de bom was gaan zitten.

Deze week schrijf ik elke dag een verhaaltje bij de actualiteit. Iets na enen 's nachts draag ik het voor in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1

Peace of mind.

‘Ze bedoelen het nochtans goed,’ zei de natuur tegen het klimaat.
‘Goede bedoelingen zijn nooit het probleem,’ antwoordde het klimaat. ‘Maar het is niet omdat je het goed bedoelt, dat je het ook goed doet.’
‘Nee, ja, dat schijnt inderdaad niet zo makkelijk te zijn. Je hoort het vaker de laatste tijd,’ zei de natuur. ‘Gelukkig hebben wij daar geen last van.’
‘Nee, fijn toch,’ zei het klimaat. ‘Gewoon een beetje lekker zijn, weet je wel. Meer hoeven wij niet te doen. Gaat al miljoenen jaren goed. Je zal je maar eens bezig moeten houden met het in stand houden van je soort.’
‘Ik moet er niet aan denken,’ zei de natuur. ‘Hoe kan je dan ooit tot een bepaalde peace of mind komen?’
‘Weet ik toch,’ zei het klimaat. ‘Maar een dingetje zit mij een beetje dwars aan rakkers die zeggen het voor mij op te nemen.’
‘En dat is?’ zei de natuur.
‘Welnu, ze praten over mij alsof ik gered moet worden.’
‘Ja,’ zei de natuur. ‘Dat heb ik nu ook!’
‘Maar ik ben niet zielig. Ik bén gewoon, weetjewel. Terwijl zij, zij …’
‘Zij hebben het alleen maar over zichzelf,’ zei de natuur.
‘Precies, dat is het,’ zei het klimaat. ‘Het gaat helemaal niet over ons. Het gaat over hen. Ons evenwicht is niet verstoord, het húnne is verstoord. ZIJ hebben een probleem. Zij willen gered worden. Ze zijn gewoon bezig met hun eigen bestaan zo lang mogelijk op te rekken, ze weigeren te accepteren dat dit allemaal eindig is, een voetnoot in de geschiedenis van het eeuwig uitdijende heelal! En dat is oké, ik gun iedereen zijn illusie, maar dan niet gaan doen alsof het je gaat om uitstervende diersoorten, of het terugdringen van de woestijn.’ 
‘Of smeltend poolijs,’ zei de natuur. ‘Ook al zo’n klassieker. Ach. Het is menselijk, zeg maar.’
‘Natuurlijk,’ zei het klimaat. ‘Leer mij mijn pappenheimers kennen.’
‘Dit gezegd zijnde,’ zei de natuur. ‘Ze komen er toch niet uit, hoor, daar in Parijs.’
‘Denk je?’
‘Natuurlijk niet. Kijk, je hebt uiteraard die klimaatrakkers, je kan ze schijnheilig of naïef noemen, dat maakt niet zo heel veel uit. Maar eerlijk is eerlijk: er zijn ook mensen die er heel anders over denken.’
‘Dat is waar,’ moest het klimaat toegeven.
‘Dat zijn de mensen die zeggen: we leven maar één keer, après moi le déluge, laat de boel maar naar de verdoemenis gaan, mijn tijd zal het wel duren en ondertussen zet ik de verwarming nog een paar graden hoger, letterlijk én figuurlijk.’
‘Hehe, dat is ook niet oké,’ zei het klimaat. ‘Maar stiekem vind ik die mensen eigenlijk sympathieker. Mag ik dat zeggen? Als ik heel eerlijk ben, vanuit mijn standpunt: mijn werk is er alleen maar boeiender op geworden. Extreme hitte, een orkaantje hier, een stormpje daar, en dan zet ik weer een half werelddeel in de vrieskast – ouderwets aanpoten! De laatste keer dat er zoveel CO2 in de lucht zat, bestond die hele mens nog niet, weet je nog? En hadden we het toen zoveel slechter?’
‘Welnu,’ zei de natuur. ‘Dan heb ik goed nieuws voor jou. Die mensen waar ik het over heb?’
‘Ja,’ zei het klimaat. ‘Wat is daarvan?’
‘Dié nemen in Parijs de beslissingen.'

Deze week schrijf ik elke dag een verhaaltje bij de actualiteit. Iets na enen 's nachts draag ik het voor in Nooit Meer Slapen op de Nederlandse Radio 1