Niets aan de hand.

Op de Volkskrant website schrijft Simone van Saarloos naar aanleiding van de commotie rond de ‘seksistische’ column van Bert Wagendorp en naar ik vermoed ook dit stukje: ‘Wie 'humorloos' of 'politiek correct-zijn' vreest, mist vooral vertrouwen in zijn eigen creatief vermogen.’ 
Met andere woorden: schrijf het gewoon wat beter op en dan hoef je niet te vrezen voor mensen die je woorden moedwillig verkeerd framen of begrijpen.
Was het maar waar.
In het algemeen blijft het grootste probleem in zowat elk debat tegenwoordig: veel mensen vinden het lastig te erkennen dat twee tegengestelde meningen over hetzelfde onderwerp legitiem kunnen zijn, en naast elkaar kunnen bestaan, en dat een debat niet per se dient om de andere mening te vernietigen, maar wel om ze beter te doorgronden, zodat we samen kunnen leven. 
Verder betekent het bestaan van het ene probleem niet dat het andere niét bestaat. Het is niet omdat probleem X bestaat, dat het fenomeen ‘krampachtig-overal-probleem-X-in-zien-wanneer-je-de-kans-maar-krijgt’ niet bestaat. Zoals het feit dat ik een 44-jarige witte man ben, zeker meespeelt in hoe ik naar eender welk onderwerp kijk, zo vormt ook het feit dat je dag in dag uit actie voert om probleem X op te lossen onvermijdelijk je blik. Daar valt simpelweg niet tegen op te schrijven. En dat is ook niet erg. Maar het lijkt me wel zinvol dat te erkennen in plaats van te roepen dat dit alleen maar voor de ander geldt.
Het is het lot én de plicht van de schrijver om verkeerd begrepen te worden, dat wil zeggen: volledig vrij in zijn hoofd te zijn wanneer hij schrijft. Waar ik voor vrees is dat de druk op die schrijver dusdanig wordt opgevoerd, dat dit op termijn niet langer mogelijk is. 
Is dat niet wat overdreven, Ivo Victoria? Het ging maar over een grapje, toch?
Precies. Dit ging dus slechts over een flauw grapje. Er was, kortom, NIETS aan de hand.

Grootse dingen.

Vanochtend las ik in de Volkskrant een lofzang op terrorisme-expert Beatrice de Graaf door Bert Wagendorp, beëindigd met een klein, flauw grapje over hoe intimiderend haar kennis en succes niet voor haar man moesten zijn. Dit leidde op Facebook en Twitter tot tal van verontwaardigde en woedende reacties van wat we voor het gemak maar even de sterke vrouwen-lobby zullen noemen. Ik snapte er niks van, maar ik ben dan ook een man. Wat ik wel weet is hetvolgende: terrorisme is weliswaar een vrij ernstige dreiging, en ik ben dan ook blij met experts als Beatrice de Graaf, maar waar ik pas echt bang voor ben is de totaal humorloze en 100% serieuze samenleving waar wij momenteel met rasse schreden op af stevenen en waarin zelfs een klein flauw grapje aan het eind van een enorme en oprechte lofzang tot hoon, spot, pek en veren kan leiden, omdat men voortdurend op scherp staat met betrekking tot de thematiek van haar of zijn voorkeur waarbij al ‘de anderen’ geen seconde het voordeel van de twijfel wordt gegund, zelfrelativering uit den boze is, goede intenties verkeerd worden begrepen wanneer het ergernistechnisch even beter uitkomt, en woorden letterlijk dan wel figuurlijk - whatever works best - moedwillig verkeerd worden geïnterpreteerd enzovoort enzoverder. 
Hoopvol daarentegen is dat al deze mensen daar tijd voor hebben. Dat wil zeggen dat als zij eenmaal, op een dag, tot hun zinnen zijn gekomen, wij met vereende krachten tot grootse dingen in staat moeten kunnen zijn.

Principes.

Ik had boodschappen gedaan in de Albert Heijn en ik had alles gevonden behalve die kleine ronde zilverkleurige batterijtjes die je nodig hebt voor zowat alle kinderspeelgoed dat een vader tot razernij kan drijven. 
Ik laadde de boodschappen in de auto, die in de ondergrondse garage stond, en liep via de trap weer naar buiten, naar de Bruna aan de overkant. Bij binnenkomst nam ik in een vloeiende beweging een pak printpapier van de stapel en legde dat op de toonbank waarachter een buitengewoon vriendelijke jongeman met een pluizig baardje en een bril mij reeds stond toe te lachen. 
‘Verkoopt u ook batterijen,’ vroeg ik.
‘Dat hangt ervan af welke batterijen,’ zei hij. 
‘Nou, van die kleine, ronde…’
‘Knoopcelbatterijen,’ zei hij.
Nu is dat misschien gek voor een schrijver maar ik heb een enorme bloedhekel aan mensen die dat soort woorden kennen. Net zoals ik me blauw kan ergeren aan de taalnazi’s die spellingsfouten in tweets en Facebook status updates verbeteren. Daar staat tegenover: als een student van me een verhaal inlevert waarin een dt-fout staat, zit ik tegen de computer te vloeken en tieren want ‘Hoe belangrijk is dat schrijven nou ECHT voor je GODVERDOMME!’ Kortom. Mijn principes, ze zijn net als de principes van de meeste mensen.
‘Heet dat zo?’ vroeg ik.
‘Dat heet zo,’ zei hij. ‘En wij hebben ze niet maar bij de Albert Heijn aan de overkant verkopen ze die achter the counter geloof ik.’
Dat deze wijsneus plots Engels in cursief ging praten, hielp uiteraard ook al niet maar desalniettemin rekende ik af, verliet de winkel, stak over, deed alsof ik de Albert Heijn ging binnenlopen en dook op het allerlaatste moment onverhoeds rechtsaf, de trap af, de parkeergarage in.

Heruitgave Hoe ik nimmer...

Meer dan drie jaar lang was mijn debuut Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) om mysterieuze redenen niet meer verkrijgbaar maar vanaf vandaag is er de Rainbow pocket-editie van het boek, netjes op tijd voor de feestdagen en aan een spotprijsje. Hoppa!

Neuzelen.

Gisteren keek ik de Een Vandaag-reportage over de uitgeefwereld in het algemeen en Das Mag Uitgevers in het bijzonder en wederom bedacht ik: als zulke zogenaamd ernstige televisieprogramma’s zo’n slordige en slechte research doen over zo’n eenvoudig onderwerp, hoe doen ze dat dan wanneer het om iets wezenlijks en complex gaat?
Het hele royalty verhaal dat in die uitzending op meesterlijke wijze fout werd uitgelegd, is sowieso een wassen neus. Pas bij grote aantallen levert het werkelijk iets op of je 10 of 15% per verkocht boek verdient, en bij die grote verkopen betalen de traditionele uitgevers óók 15% of meer. De realiteit is: alles onder de 10000 exemplaren levert een auteur nauwelijks iets op, of het nu aan 10% of aan 15% is, je kan er hooguit een paar maanden van leven als je niet te gek doet dus waar hebben we het eigenlijk over?  
Desalniettemin laat ik het zure kritische neuzelen in de marge over Das Mag Uitgevers graag aan anderen over. Ik juich hen toe, een frisse wind en een trap onder de kont: altijd goed. Binnen vijf jaar, wanneer ze kinderen krijgen en niet langer 12 uur per dag voor het minimum salaris willen werken in een oude crèche, zullen we zien of het is gelukt. Ik hoop het.

Praatje.

Het opmerkelijkste aan het Das Mag Uitgevers lanceringsfeest in Paradiso was dat de hele avond lang niémand mij vroeg waar Rob Waumans was. Eerder die dag hoorde ik in een hippe tent in Amsterdam-Noord dat er geruchten gingen tot in de hoogste Amsterdamse culturele kringen als zouden Waumans & Victoria gesplit zijn, en ik solo gegaan. En nu was Rob Waumans niet in Paradiso, en niemand vroeg mij waar hij was. Nou, de rest kan je zelf wel verzinnen
Verder begon het als een mini-versie van het Boekenbal. En hoewel ik een uurtje eerder nog bijna in slaap was gevallen op de bank, bleek ik al snel niet in staat de vlotte praatjesmaker in mij te bedwingen, en zo hopte ik van gesprek naar gesprek met een biertje in de hand, keek de helft van de show, ging weer de gang op, de rookruimte in, terug naar de kelder waar zoals niemand wist ook een bar open was, en opnieuw naar boven en zo was het ongetwijfeld nog uren doorgegaan als ik niet tot stilstand was gebracht door iemand die ik niet meer had gezien sinds mei 2013 en net als die avond toen, wist ik meteen dat het gesprekhoppen ten einde was gekomen, dat ik nu gewoon rustig de tijd kon nemen voor een gesprek dat geen praatje zou zijn en dat wanneer dit gesprek was aflopen, het ongeacht het uur, een prima tijd zou blijken om weer naar huis te gaan.

Aansteller.

Het hele weekend voelde ik mij alsof er iets hard in mijn luchtpijp was blijven steken. Er was een feestje, mijn moeder kwam logeren, Sinterklaas arriveerde; ook de kinderen kregen nauwelijks de kans om bij te komen. 
Uitgeput betrad ik zondagavond Tivoli Vredenburg. Het eerste wat ik deed was rondkijken, inschatten hoe die zaal in elkaar zat. Daarna haalde ik bier en stelde vast dat ik positie had ingenomen achter de mengtafel; blijkbaar hecht ik toch nog altijd meer belang aan de best mogelijke geluidsbalans dan aan de dichtstbijzijnde nooduitgang.
Ik dacht aan zaterdagnacht, toen het bezoek was vertrokken, het huis stil en donker. Ik stond met een laatste glas in de keuken en vroeg me af of ik me aanstelde.
De lichten doofden, de band kwam op, de zanger zong: ‘I don’t know where to begin’ en tijdens die eerste reeks songs voelde ik hoe iets in mij oploste en opnieuw begon te stromen. Ik nam een foto en zette die op Twitter en Instagram met de tekst: ‘Ga uit eten, doe een terrasje, ga naar een concert. Het zal jullie goed doen, echt.’ En ik dacht aan al die mensen die altijd zo druk zijn met het poneren en ridiculiseren van meningen, zonder de intentie zelf iets te ondernemen, alleen maar gericht op het bepalen van de eigen positie en het onderhouden van verschillen voor het eigen gewin, en ik wist dat al die mensen mij nu vast en zeker een aansteller zouden vinden, en subtiel headbangend haalde ik nog een biertje en dacht: fuck off.

Rijk.

Gisteravond zag ik in Antwerpen een voorstelling van de opleiding Woordkunst van het conservatorium. Het ging over IS en onze angst voor aanslagen. Het was bij wijlen erg geestig en raak. Tegen de tijd dat we het Grand Café van de Singel betraden, waren in Parijs 18 mensen vermoord. We dronken wijn, we lachten veel, vroegen ons af of we rijk waren – ik vond van wel. En toen we even later in de wind over de brug terug naar de auto liepen, terwijl onder ons de snelweg raasde, kon ik heel even zien hoe we vroeger waren. 
Toen ik thuis kwam lag mijn moeder al te slapen. Ik nam mijn telefoon en ging in bed liggen. Er waren tweets met feiten, tweets die de feiten ontkenden, tweets die sneerden naar andere tweets, tweets die relativeerden, tweets die panikeerden, tweets die iets vonden over tweets die iets vonden over andere tweets. Kortom, Twitter zoals het tegenwoordig altijd is, maar dan nu over 120 doden. Ik snakte naar iets of iemand die het allemaal bevattelijk kon maken maar dat iets of iemand bestaat niet meer – dat is deel van ons probleem.
Uiteindelijk zag ik geen andere oplossing dan de samenvatting van België-Italië te kijken. Daarna kon ik slapen. Toen ik wakker werd dacht ik aan die studenten die vanavond en morgen weer die voorstelling moeten spelen. Zelfde tekst, andere wereld. En ook dacht ik aan wat ik gisteravond, in dat Grand Café, tegen haar had gezegd: toffe voorstelling, maar het einde had beter gekund. Ik had op iets hoopvol gerekend.

Wild.

Meestal zak ik na het inleveren van een roman weg in een lethargische blues die gekenmerkt wordt door diepe, diepe verveling. Maar nu schoot ik in een soort frenzy en ging als een wilde aan de slag. Ik schreef een kerstverhaal voor Tirade dat dan wel in december zal verschijnen zeker, ik maakte een portret van de onvolprezen Carel Helder en zijn mooie verzamelboekwerk C.V. dat vandaag in de Volkskrant staat en nadat ik in Frascati naar De Wilde Eend was gaan kijken en daar na afloop met Daan en Doortje over had gesproken, ranselde ik er bij thuiskomst in één ruk een van de vreemdste verhalen uit die ik ooit heb geschreven en waar ik wellicht nooit meer naar ga kijken. Tussendoor begon ik aan de programmering van Lowlands en Down The Rabbit Hole, en smeedde wilde plannen voor Waumans & Victoria waardoor mijn agenda plots ramvol afspraken zat.
Kortom. Ik had het kunnen weten. Dat boek is helemaal niet af. Verre van. Sterker nog: ik ga de hele rakker herschrijven, van vooraf aan, gisteren, nadat ik tien Duitsers had verteld over mijn werk als literair programmamaker, ging ik zitten aan een tafeltje in de Balie, bestelde een Turkse tosti (don’t ask) en begon eraan. Het liep als een trein.

Soepel.

Ik ging hardlopen, zoals elke zondagochtend. Kort nadat ik maanden geleden op deze plek mijn ambitie formuleerde, raakte ik geblesseerd. Een stekende pijn spleet mijn knie in tweeën toen ik neer knielde op de badkamervloer. Ik kwam nauwelijks de trap op. De dokter vond niks abnormaal. Er komt een dag dat ik een terreurbeweging tegen de Nederlandse zorg begin en na iedere verwoestende aanslag een bordje op de plaats delict de grond in timmer waarop staat: ‘Zal vanzelf weer over gaan.’
Sinds twee maanden ren ik weer maar nog steeds ben ik niet terug op het niveau van voor de zomer. Hardlopen is onverbiddelijk. Een paar dagen geleden wilde ik al na drie kilometer opgeven. Nog 500 meter dacht ik, en dán. Het grote gevaar bij hardlopen: dat je gaat nadenken. Ik liep de voetgangersbrug af, het Borneo-eiland op, en ik voelde iemand in mijn rug naderen. Ik wierp een blik over mijn schouder. Een man, op een knarsende fiets die met touw en tape bij elkaar werd gehouden, grijze haren in klitten, spelend in de wind, een gezicht van grijs leer, een lange bruine regenjas met ter hoogte van zijn heup een vreemde uitstulping die werkelijk eender welk voorwerp kon vertegenwoordigen. Kortom, het was Jacob Haarsma van Doornen. Ik bleef even ter plaatse trappelen, liet hem passeren, stak toen achter hem langs de straat over en Jacob keek om en zei: ‘Zo, jij loopt soepel.’

Diepgang.

Ik ga nu elke dag met het pontje naar kantoor. Ik begin gezichten te herkennen, dagritmes, houdingen. Dat is mooi. Nieuwe plek, nieuwe route, nieuwe voeding.  

Aan de overkant heeft men het pad dat van de aanlegsteiger naar de straat leidt in twee rijvakken verdeeld, een voor wie van de boot afkomt en een voor wie de boot op gaat. Wanneer wij aanmeren, staat er links voor ons een lange haag van wachtende fietsers en voetgangers. Het is een eenvoudige situatie, een soort ritueel haast, waarbij de ene groep de andere welkom heet om vervolgens zelf te vertrekken. 
Maar ook zijn er die twee mensen (je kent ze wel, ze zijn er vrijwel altijd, en overal) die staan te wachten om op te stappen, midden in het rijvak voor de aanmerende passagiers. Er is ruimte genoeg, iedereen fietst erlangs. De twee staan rustig te keuvelen, zich van geen kwaad bewust. Een man en een vrouw met haar handen in de zakken van haar regenjas, de punt van haar rechter laars precies op de punt van die enórme witte pijl op de grond die naar de straat wijst. Wanneer ik hen passeer kijk ik ze aan en probeer het in hun ogen te lezen. Ik fiets door, kijk achterom, ze staan er nog steeds, en ik pieker erover de hele verdere weg naar kantoor. Die twee, daar, relaxed, preciés op een plek die schreeuwt dat ze juist daar niét moeten staan. Het is niet erg, het is geen probleem, natuurlijk niet, maar ze staan er nog steeds en nu staan ze in mijn hoofd, in het midden van mijn denken, zoals het idee om de autosleutel op de kast te leggen in plaats van in het sleutelrekje waar hij thuis hoort, midden in mijn denken kan staan, dagenlang desnoods, zoals ik staar naar de schriftelijke feedback op het manuscript dat ik twee weken geleden inleverde, zo blijf ik staren naar die twee mensen in het midden van mijn denken en ik stel aan allebei, dat manuscript, en die mensen, dezelfde vraag: waarom? En ook: wat, the fuck, is psychologische diepgang?
Ik heb wel eens zo’n online Asperger-test ingevuld, voor de grap. Mijn score was niet hoog genoeg om naar de huisarts te gaan maar bijlange na niet laag genoeg om er iets grappig aan te vinden. 

10.

Ik herinner me dat ik op de bank zat in ons appartement in Amsterdam-Noord en de muzikanten van de Antwerpse band waarin ik speelde een voor een opbelde en bij elke telefoontje sloeg ik de beleefdheidsformules over en kwam meteen ter zake: ik stopte ermee, per direct. Ik was 34, speelde in bandjes sinds ik vijftien was, het merendeel van de tijd met dezelfde mensen. De laatste die ik belde was de drummer, mijn beste vriend. Pas later hoorde ik van zijn vriendin dat hij dacht dat ik hem belde om hem te feliciteren met zijn verjaardag. Dus ik weet dat het op 29 september 2004 was.
Een jaar lang maakte ik niets. Mijn gitaar stond in de hoek van de kamer. Ik had een abonnement op Canal +. Soms kwam een vriend langs op zondag en keken we van tien uur ‘s ochtends tot tien uur ’s avonds Engels en Duits voetbal terwijl we jointjes draaiden. Nadat de verveling in voldoende grote mate had toegeslagen, wilde ik weer iets maken. Ik bouwde eigenhandig de eerste versie van dit weblog, en bedacht een naam – dat was niet moeilijk. De gitaar bleef in de hoek staan, alsof hij stout was geweest.
Op 1 november 2005 publiceerde ik mijn allereerste stukje. Afgezien van de Bikkembergs t-shirts, valt de actualiteitswaarde ervan me reuze mee. Dit is volgens de statistieken stukje nummer 1330. Heel veel van die stukjes heb ik in de loop der tijd offline gehaald. Ik heb er nog steeds geen probleem mee om gebrekkig werk te publiceren – dit weblog is altijd mijn openbaar schetsboek gebleven – maar er zijn grenzen.
Verder moeten we er niet al te dramatisch over doen maar het valt zeer te betwijfelen of ik nu zou zijn wie ik ben zonder deze plek. Kortom: www.ivovictoria.com bestaat vandaag tien jaar. Dankbaarheid! Melancholie! Onwards!