Sufjan.

Er was een moment, ergens in het begin van het concert, tijdens een instrumentaal gedeelte, dat de muziek dusdanig mooi was dat ik gedurende enkele minuten haarscherp kon zien hoe de wereld in elkaar zat met inbegrip van alle energiestromen die in het dagdagelijkse leven onzichtbaar blijven en ook realiseerde ik mij in die momenten hoe verbluffend eenvoudig het was om in harmonie met elkaar samen te leven zonder de minste problemen en vooral ook hoe het precies verder moest met de roman die ik momenteel herschrijf. Ja, ja, dacht ik, natuurlijk, dit is het, zo moet het gebeuren, ik hoef alleen maar zo, en zo, en zo, en ik zag de hoofdstukken en alinea’s voor mijn ogen op en neer golven en van plaats wisselen en zinnen kregen een gelaagdheid waarvan ik mezelf wel voor de kop kon slaan dat ik die er niet eerder in had gezien maar nu dus wel, nu was alles goed en vrij en onaantastbaar en rechts boven mij in de tribune zat een professionele persklaarmaker had ik voor aanvang van het concert gezien dus als we wilden konden we hier, ter plaatse, die hele roman afronden en inleveren, sterker nog het leek van het allergrootste belang om dat te doen, niet alleen voor mij maar voor het universum. 
Meteen daarna evenwel, was het voorbij en kon ik mij volstrekt niets meer herinneren van wat ik had gedacht en gezien. 
Verder, nu het duidelijk is dat iedereen het Sufjan Stevens-concert fenomenaal vond – en dat was het, ook als je de hallucinerend bijwerkingen buiten beschouwing laat – wil ik graag de ondankbare taak op mij nemen om twee punten van kritiek te uiten.
1. Die ingestudeerde dansbewegingen met zijn armen voor zijn borst. Sorry hoor, kan echt niet.
2. In de toekomst zal het mogelijk zijn om de herinneringen van gitaristen aan stadionconcerten van Pink Floyd uit hun geheugen te wissen met een eenvoudige druk op de knop. Tenminste, dat hoop ik.

Update.

Ondertussen, in mijn leven, gebeuren er diverse dingen. Sinds eind augustus herschrijf ik een roman. Het werk vordert gestaag zonder dat mij verder helemaal duidelijk wordt wat ik van die roman moet denken. Prima. In de komende weken staan er optredens op het programma, in verschillende vormen en combinaties. Ondertussen zal ik doorwerken aan die roman. Kan gewoon. Verder schrijf ik nog steeds elke week een aflevering van het grote Louis Stevens-feuilleton voor De Revisor. We zijn nu zeven weken ver, nog drie te gaan, en ik kan u verzekeren dat voor Louis Stevens het ergste leed nog niet is geleden. Lees HIER aflevering 7. Het schrijven van deze afleveringen valt overigens uitstekend te combineren met het herschrijven van die roman. No worries. Onlangs vroeg iemand mij - of was ik het zelf? - of Louis Stevens ook opduikt in de roman die ik momenteel herschrijf. Nee, zei ik. Maar gisteren dook hij er pardoes in op. Zal je altijd zien. Wanneer verschijnt die roman eigenlijk? Goeie vraag. Ik heb geen idee, geen titel, geen deadline, en geen uitgever. Dat klinkt zielig maar ik ben als schrijver nog nooit zo gelukkig geweest als nu. (Dit kan uiteraard niet zo blijven duren.) Goed, verder nog iets? Ja, ik ben zwaar verkouden en vanavond ga ik naar Sufjan Stevens. En? En ik heb een nieuw schrijfkantoor gevonden, buiten de stad, bij een pittoreske sluis, boven een café. Een café, ja. Kortom. Dit betekent ofwel dat er een nieuwe fase van verregaande thematische verdieping en gelaagdheid in mijn werk is aangebroken, ofwel het einde van mijn carrière. We zullen zien.

Route.

Terwijl ik naar kantoor fietste maakte ik een inschatting van hoe zeer ik deze route zal missen, probeerde het te berekenen als ware het een differentiaalvergelijking maar ik ben nooit goed in wiskunde geweest, ik herinner me de diepe zuchten van de lerares bij het zien van onze hoofden, retoricajongens met puisten en niet te ontcijferen dromen. Gisteren hoorde ik mezelf zeggen dat lichte dwang geen kwaad kan, dat ze er groot van worden, zich zo een bepaalde mate van discipline eigen maken, leren dat niet alles leuk hoeft te zijn om er wat aan te hebben en mijn voornaamste argument was dat dit ook goed voor mij was geweest, het argument van een oude man die op zijn fiets door de stad dwaalt, de gebouwen scant, zucht bij het zicht van De Duif – de zijdeur staat open, er brandt licht, buiten staan mensen te roken, in het zwart – en de plenzende regen in het groen van de gracht, denkt aan de enige keer dat hij alleen was met een dode; de harde, onverbiddelijke koude. Maar eenmaal aangekomen voerde ik dezelfde rituelen uit, zonder er extra belang aan te hechten: fiets in de stalling, regenjas uit, de lift naar boven, de laptop open, mezelf voornemen onmiddellijk het werk aan te vatten, maar eerst nog die vervloekte email verzenden (en de samenvatting van PSV terugkijken), denken aan die ene quote van dat personage in die film die zei: ‘Je moet niet denken dat je kan voorkomen wat zal gebeuren. Dat zou hoogmoedig zijn.’ 

Echte vluchtelingen.

Ik had nog geen vluchtelingen gezien. Maar daar waren ze plots, op Perron 1, vooruit gesneld door een opgewonden cameraman in een rood jack. (Even voor ik van huis vertrok twitterde AT5 al: ‘Steeds meer Syrische vluchtelingen bereiken CS!’. Uitgelaten, als een jongetje dat een beroemde voetballer in het echt had ontmoet.)
Het groepje liep langs mij heen en ik betrapte mezelf erop dat ik me afvroeg of zij er als vluchtelingen uitzagen. Dat is natuurlijk het grootste probleem van de gemiddelde Europeaan in deze kwestie, en niet alleen in deze kwestie: ons verwachtingspatroon, in combinatie met het beeld dat we hebben van onszelf. Vier ordehandhavers in fluo gele jassen kuierden achter de vluchtelingen aan. 
‘Tja wat moeten die mensen anders doen?’ vroeg er een.
‘Harakiri plegen,’ zei de grootste van het stel.
Daarna wandelde ik verder, in de richting van Café Eersteklas, alwaar een lieftallige jongedame mij al even pertinente vragen stelde, waar ik nauwelijks levenlustigere antwoorden op kon bedenken.

Bui.

Aan de overkant van de weg regende het. Druppels vielen in strepen zonlicht die ook enkel daar door de wolken braken. Zelf stond ik in een onheilspellende schemering, kurkdroog, voor het rode licht te wachten, als laatste in een middellange fietsfile. Vooraan stond een vader met zijn hand op de rug van zijn dochter, die naast hem stond. Daarachter een scooter, een student op de fiets, een bakfietsmoeder, de bekende Vele Anderen. Niemand zei wat terwijl het overduidelijk was dat het allemaal gepatenteerde roodrijders waren, zoals iedereen, maar de hand van die vader op de rug van zijn dochter hield ons tegen. Het werd groen. Enkele seconden lang reageerden de vader en de dochter niet. Niemand rinkelde zijn bel of zei wat. Ook als het groen is moet je nog steeds goed uitkijken, hoorde ik mezelf zeggen. Het gevaar komt van overal. Daarna kwamen ze in beweging. Wij volgden, en zo staken we over en reden de zon en de regen in, het waren dikke druppels, ze glinsterden, tolden rond, leken zich met overtuiging op ons te zullen storten, ik kon precies zien waar de grens was, het punt waarop de bui begon en ik zette me schrap, ik had geen regenjack aan, kneep de ogen al samen en trok mijn schouders op, reed de bui in, voelde helemaal niets.

Een unieke kans.

Het mooie aan de vluchtelingencrisis – altijd positief blijven – is dat nu haarscherp duidelijk wordt wie waarvoor staat. Zappend van de ene oneliner naar de andere analyse, column of opiniestuk wordt me duidelijk wie de helden zijn die straks niet zullen vluchten wanneer het hier oorlog wordt. (Want dat wordt het uiteraard, vroeg of laat, het zou vrij naïef zijn te denken dat het onmogelijk is, sterker nog, ik denk zelf dat het hooguit een kwestie van decennia zal zijn en het zou me niks verbazen indien die oorlog verrassend traditioneel uitpakt inclusief tanks en stampende combat boots door de straten, maar dit terzijde.) En dan is het goed te weten dat bijvoorbeeld Vlaanderen op dat moment heldhaftig verdedigd zal worden door onder meer een boel types wier (al dan niet politieke) voorvaderen tijdens de laatste oorlog niet bepaald uitblonken in strijdlust, om het voorzichtig uit te drukken. Een unieke kans voor sommigen om de familieschande uit te wissen, dat wel. Ik zal met belangstelling toekijken vanuit mijn tentenkamp, hopelijk ergens in een land waar men begrijpt dat de mogelijke problemen op maatschappelijk, economisch of logistiek vlak die massa-immigratie met zich meebrengt, ons niet ontslaan van onze plicht om medemensen in nood te helpen. Een land zoals Duitsland dat momenteel lijkt te zijn bijvoorbeeld, want ja, het kan verkeren. 

Als de winter voorbij is.

Afgelopen weekend las ik Als de winter voorbij is, de nieuwe roman van Thomas Verbogt. Ik had het op de dag van verschijnen meteen besteld en begon er meteen in te lezen terwijl andere boeken al jaren op de plank liggen te wachten op een geschikt moment. Zo ligt er ook al meer dan een jaar een dik boek op mijn bureau dat naar mijn idee absoluut noodzakelijk is voor de roman waar ik momenteel aan werk. Ik ben pas op pagina 96 en het is al maanden geleden dat ik het nog heb aangeraakt. Het ligt daar maar, terwijl ik tik, en staart me aan en ik weet eigenlijk al dat ik die roman ga voltooien zonder dat boek te hebben gelezen maar dat ontslaat me niet van de plicht het te doen.
Als de winter voorbij is, is prachtig. Aandoenlijk, geestig en wijs maar wat me vooral aangreep was de bedrieglijke eenvoud en de subtiliteit, het schijnbaar achteloze vakmanschap van een ervaren schrijver die simpelweg schrijft over wat het betekent om een mens te zijn. Al die romans die de tijdgeest willen vatten, die gróót en meeslepend willen zijn en daarvan blijk geven in elke zin en elk woord, plots kwam het me allemaal zo onzinnig en idioot voor, dat krampachtige proberen van belang te zijn. Verbogt heeft daar geen last van, en hij wordt met elk boek beter.
Dus. Daar zat ik. Maandagochtend, aan mijn bureau bij het raam. Een flauw zonnetje viel in de Prinsengracht. Ik klikte het document open en staarde een minuut of twintig naar de letters op het scherm. Daarna ging ik verder met het herschrijven van de roman waar ik momenteel aan werk, een belangrijk, meeslepend verhaal dat de tijdgeest de kop in zal slaan, wat ik je brom, maar dan op een bedrieglijk eenvoudige en subtiele manier uiteraard.