Hollands Maandblad.

In het septembernummer van literair tijdschrift Hollands Maandblad, weldra te koop online en bij de betere boekhandel, staat een behoorlijk lang kort verhaal van mijn hand: Niet meer wat het was. Op de website van Hollands Maandblad kan u na enig doorklikken via de knop Inhoud, de eerste pagina uit dat verhaal lezen en daarbij zal het de aandachtige Ivo Victoria-volger opvallen dat ook dit verhaal, net als het feuilleton dat ik deze weken schrijf voor De Revisor, draait rond de genaamde Louis Stevens. Je zou haast gaan denken dat achter deze samenloop van omstandigheden Een Gewiekst Plan schuil gaat of een ongezonde obsessie met een fictief persoon maar nee het is gewoon toeval, een fenomeen waarin veel mensen moeite hebben te geloven, wellicht omdat het echt bestaat. Enjoy!

Tijdperk.

Vanochtend zag ik me gedwongen voor het eerst in mijn leven een toilettas te kopen. Een van onze twee poezen – ik ga geen namen noemen, maar ik vermoed dat het diegene was die is vernoemd naar de laatste Belgische Tourwinnaar – had van de opportuniteit die zich voordeed toen ik mijn oude toilettas kortstondig op de badkamervloer had neergezet (om redenen die hier niet relevant zijn maar wel degelijk geldig waren) gebruik gemaakt om er zijn behoefte in te doen. Het gaat hier om de toilettas die ik bijna 25 jaar geleden kreeg van mijn moeder toen ik op kamers ging studeren in Leuven. Een van de saaiste periodes uit mijn leven, waarvan ik mij nauwelijks iets kan herinneren, maar dit terzijde.
Eerder dit jaar sneuvelde ook al het tosti-ijzer dat mijn moeder me bij diezelfde gelegenheid cadeau gaf. Ik weet niet of zich verder nog items in mijn bezit bevinden die ik tevens in die periode van haar kreeg. We zouden kunnen spreken van het einde van een tijdperk, wellicht.
Ik sprong op de fiets, het was een schitterende ochtend: de zon scheen, overijverige securitymannetjes hielden de buurvrouw tegen, en in de verte gloeide de Esmeralda van schaamte in water dat bloedrood kleurde. Aangekomen in de Etos, liet ik mij doorverwijzen naar de afdeling toilettassen door een behulpzame dame met een matrozenmuts op. Al snel werd me duidelijk dat er in de voorbije 24 jaar nauwelijks tot geen innovatie heeft plaats gevonden in de sector, dit in schril contrast tot de wereld der tosti-ijzers. Ik koos een eenvoudig, zwart exemplaar.

Amy.

Het was juni 2004, een feest van MTV ergens buiten Amsterdam, ik vermoed in de buurt van Haarlem, Spaarnwoude, zoiets, alleszins, een zwoele avond in een feeërieke omgeving met sfeervolle tentjes en bars in een tuin waar kronkelende wandelpaden onder treurwilgen doorliepen, en veel mooie mensen, een prima feest eigenlijk, in principe, ongewoon smaakvol voor een bedrijf waar in die tijd een recordaantal praatjesmakers werkten. 

In schril contrast met die tuin evenwel, dienden de gasten het feest te betreden via een grote aluhal waarin een gammele houten vloer lag. Er stond een bandje te spelen voor een man of 50, die elk zonder problemen pirouettes hadden kunnen draaien met de armen gespreid zonder iemand te raken – maar dat deden ze niet. Het geluid kletterde alle kanten op. Aan de andere kant van de hal stond een paar honderd man dicht op elkaar gedrukt gratis drank te hijsen bij de bar. Ik bleef even stil staan en keek naar het bandje, dat er intens ongelukkig uit zag.
‘Wie is dat bandje?’ vroeg ik aan iemand.
‘Dat is geen bandje,’ zei deze persoon. ‘Dat is een zangeres.’
‘O,’ zei ik. En ik wurmde me tot bij de bar, tikte twee biertjes naar binnen en liep de tuin in. 

Wat ik wilde zeggen.

Net na de uitzending voelde ik me nog prima. Felle hallogeen lampen verlichtten het binnenplein van de burcht, daarbuiten was alles in duisternis verpakt. De crew begon op te breken. Enkele verdwaalde toeristen betraden de set en keken verwonderd om zich heen. Ik liep naar de productiewagen, wilde me onmiddellijk laten afschminken maar de presentator was me voor, wederom. Met bedachtzame bewegingen haalde de make-up dame zijn fond de teint weg. In Het stenen bruidsbed, dat ik deze vakantie las, beschrijft Harry Mulisch de huid van iemands gelaat als ‘vochtig zand dat acteurs ten slotte overhouden van schmink en andermans emoties.’
Het was nog steeds warm. Muggen hadden de vliegende mieren afgelost. Ik stak een sigaret op. De producer gaf me een biertje en vroeg: ‘Heb je kunnen zeggen wat je wilde zeggen?’ In de dagen erna schrok ik drie, vier keer per nacht wakker van de gedachte aan wat ik had willen zeggen. Het gezicht van de presentator zweefde boven ons bed, groot en emotieloos.

Mooi.

Maar er zijn ook mooie momenten. Ik kom thuis van kantoor, Liefje is weg, en het huis is rustig en leeg. Ik zet de balkondeuren open, neem een biertje, zet de oven aan en trek een pizza uit de diepvries. Dit is goed, denk ik. Half zeven, ik ben op mijn dooie gemak naar huis gefietst, ik kan doen wat ik wil, niemand vraagt mij wat, dit is de natuurlijke, organische manier om de werkdag verteren, DIT is normaal: gewoon, de tijd nemen om je gedachten tot rust te laten komen terwijl niemand je iets vraagt. Weet je wat? Ik draai een jointje. Hopla. Een klein ieniemini jointje, een stickie, niks bijzonders, gewoon net genoeg voor een kleine vervaging van de werkelijkheid, even de boel out of focus bekijken, niet te veel, zeker niet te veel, straks immers nog een belangwekkende meeting met Rob Waumans, dus slechts een heel klein beetje, met misschien nog een (1) biertje erbij, maar dat zal het dan ook zijn, niet meer dan een hoekje eraf, ten slotte is het mijn volste recht en kan ik nu zijn wie ik kan en wil zijn, hier, in deze rust terwijl NIEMAND mij iets vraagt, kortom: ik kan dit gewoon doen.
Een kwartier later zit ik knetterstoned op de bank. Daarna eet ik een pizza en fiets naar mijn afspraak met Rob Waumans, die vlekkeloos verloopt. Mooie momenten, ik zei het al.

Alles doen.

Over het scherm buitelen de meisjes die wij in Frankrijk hebben achtergelaten. Ze zijn zo vrolijk dat ze nauwelijks in staat zijn een verstaanbaar woord uit te spreken. Liefje en ik kijken elkaar aan. We zouden alles gaan doen. Maar we dwalen al dagen door het huis en zijn nog niet eens uit eten geweest.
Ontbijt. Stilte. Een croissant op een wit bord op een houten tafel. Espresso. Ik sta op en zet de stereo aan. Living in a Magazine, Zoot Woman. Overal lege ruimtes om ons heen waarin gebruiksvoorwerpen staan, zielloos en achtergelaten. Nergens rommel. Mijn droombeeld, nergens rommel, overal vrije leefruimte. Lekker uitslapen en laat naar kantoor. Het is zeven na acht en ik staar al minutenlang voor me uit.
De meisjes lachen en springen. Ze hebben de krulspelden van oma in hun haar, ze gieren het uit, slapen meer, eten beter, ik weet het niet zeker maar op de salontafel, links onder in beeld, meen ik een zilveren schaal te zien staan, gevuld met geluk.
De voorbije maanden schrik ik ’s nachts geregeld wakker door beelden in mijn hoofd van de meest vreselijke gebeurtenissen waarbij mijn vrouw of mijn kinderen overlijden of zwaar gewond raken. Meestal crasht of valt er iemand, of komt onherroepelijk ergens in vast te zitten, iets wat hen vervolgens vermorzelt. Meestal door mijn schuld. De beelden lijken geen dromen te zijn maar gedachten. 

Taal.

Tijdens de laatste les voor de zomer, gaf ik de studenten een oefening en zei: ‘En nu zou ik willen dat jullie je eens flink laten gaan.’
Een van de studenten zei: ‘Jamaar, dat mag niet.’ En ze noemde de namen van docenten die in de voorafgaande maanden hadden gepoogd om hen alle zin in stilistisch avontuur te ontnemen. Met succes, had ik mogen vaststellen.
Hieraan moest ik denken tijdens de jurering van de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd. Die verdomde neiging, die ik als typisch Nederlands ervaar, om elk gebruik van een bijvoeglijk naamwoord, metafoor of ander stilistisch vernuft af te doen als een tierelantijntje (onder het bekende mom van de onaantastbaarheid van het al even bekende adagium ‘show don’t tell’) en daarmee potentieel interessant proza morsdood te slaan terwijl vrijwel elke grote roman die ík heb gelezen bewijst dat zowel die neiging als dat adagium onzinnig zijn. Op vakantie verorberde ik nog Under The Volcano. Woei!
‘Jamaar,’ zei ik tegen mijn collega-juryleden. ‘Het gaat ook om taal, hé, er mag toch wel iéts gebeuren met die taal?’ De collega-juryleden knikten begripvol. Ergens bekroop mij het gevoel dat dit enkel show was, en geen tell, en plots viel me op dat mijn stem de laatste tijd dun en klagerig klonk.

De Revisor vs Louis Stevens.

Wanneer ik les geef, hou ik mijn studenten altijd voor dat ze alles moeten weten over hun hoofdpersonage. ALLES. Zijn hele leven, zijn hele wezen. Alsof ik het zelf altijd weet.
Eind 2012 publiceerde ik in De Revisor het verhaal Safari Lodge Blues. Het speelde zich af op een Franse camping, met in de hoofdrol de wat wereldvreemde schrijver Louis Stevens. ‘Een geweldige naam voor een hoofdpersonage,’ mailde Gustaaf Peek me. Dat was ik met hem eens, ook en met name vanuit schrijftechnisch oogpunt: soms weet je niets en is een naam genoeg om je aan het schrijven te krijgen. Zo bleef ik de voorbije jaren over Louis Stevens schrijven (zonder iets te publiceren) en iedere keer had ik enorm veel lol, wellicht omdat ik niets over hem wist, en hij dus nog alles kon zijn. Maar naarmate ik concretere plannen met hem kreeg, drong de vraag zich toch op: wie is hij nu eigenlijk? Deze man kán toch niet alles zijn? Of wel?
Vanaf vandaag schrijf ik in opdracht van De Revisor een tiendelig feuilleton op hun website. Toen de vraag kwam, zag ik meteen een unieke kans om mezelf te dwingen het hele leven van Louis Stevens in kaart te brengen, van zijn geboorte in 1971 tot aan zijn dood in 2055, in 10 kleine en grote levensgebeurtenissen. Goddamnit als ik daarna niet weet wie hij is. Nu ja. Kortom, dit wordt een experiment. Ik sluit niet uit dat, naarmate ik vorder, ik zal terug komen op eerdere afleveringen en alsnog zal ingrijpen op Louis’ leven ten einde het geheel kloppend te maken. In dat geval zal ik dit melden onderaan de meest recente aflevering. Of niet. We zullen zien. Het feuilleton is vanaf deze week te lezen op de website van De Revisor en dat is HIER. Elke dinsdag een nieuwe aflevering. Welkom bij de zoektocht naar mijn favoriete personage: Louis Stevens. Hij is de man.

Het onzichtbare leven.

We waren vier weken weg. Na twee weken stopte ik met lezen. Misschien had ik de verkeerde boeken bij maar ik denk, simpelweg, dat ik het beu was. Het voelde als werken. Dat is het probleem met lezen als je schrijver bent. Op internet zag ik een gloedvol betoog van Philip Huff voorbij komen over de rijkdom die lezen is, het soort betoog dat enkel gelezen wordt door mensen die al lezen. (Dat is sowieso het probleem van de meeste opiniestukken en de ik-journalistiek in het algemeen: ze lijken niets anders te willen dan het vaststellen van de eigen positie.) En die het misschien ook af en toe gewoon beu zijn, zoals ik het op vakantie ook beu was te roken. En thuis onmiddellijk weer begon.
Ik nam mijn hengel en liep naar de rivier. De dobber danste in het water op het ritme van het onzichtbare leven waarnaar ik verlangde, altijd verlang. Aan de overkant kwam een meisje in bikini uit het oude, statige huis. Ze liep op blote voeten over het gras naar de zwemsteiger, in de schaduw van een treurwilg gelegen. De twijgen in lange slierten van de takken, wiegend in de zachte bries, spelend met haar schouders. Ze keek naar mij, keek naar de rivier, glimlachte, dook – heel even glinsterde haar lichaam in het zonlicht – en verdween onder het wateroppervlak.

Verwarring.

Ik ontvang brieven. Al een hele tijd. Ze zijn gericht aan bedrijven wier namen beginnen met Firma. Firma Perican Media Residence. Firma Akron Investment Russia II B.V. Ik heb ook een Firma.
’s Ochtends neem ik de brieven mee naar kantoor. Daar streep ik met zwarte stift de code door die het postbedrijf erop heeft gestempeld. Wanneer ik voor de lunch naar beneden ga, gooi ik ze weer in de brievenbus. Het is een kleine moeite. Soms komen er een stuk of twintig brieven op een week tijd.
De medewerkster van de Kamer van Koophandel vond het indertijd een slecht idee om mijn eenmansbedrijf FIRMA te noemen. (FIRMA, ja, zonder verdere toevoeging.) Dat zou verwarrend zijn. Jarenlang, evenwel, ging het goed. Ik kan me het gezicht van die dame niet meer herinneren. Alleen de contouren van haar lichaam. Een fantasieloze jurk in donkerblauwe stof. Ze speelde een beslissende rol in de naamgeving van mijn nieuwe leven. Welbeschouwd stuurt zij mij die brieven.
Maandagavond zat ik op een terras met een ex-liefje en zij vertelde zaken over mezelf die ik me al evenmin kon herinneren. Geen kleinigheden maar relevante kwesties die een nieuw licht wierpen op mijn persoonlijkheid en levensloop. Ook zij schreef vroeger brieven. Ik heb ze nog allemaal. Onze relatie ging jarenlang goed. Daarna sloeg de verwarring toe.

De hel.

Een jaar geleden, zo rond deze tijd, had je een huis waar een enorme hijskraan op was neergestort ‘in prima staat’ kunnen noemen als je het had vergeleken met mijn zelfvertrouwen. Dat was een relatief nieuwe ervaring voor mij, van het type waarover je op dat moment niet wil horen dat je er sterker uit zal komen. Ook nu ben ik nog niet zover om dit te accepteren maar er is een boek. En daarover kan ik nu wél zeggen dat ik er een jaar geleden aan begon, ook al was het pas ergens in december dat de coach (ik heb een coach) zei: ‘Dit zou wel eens een roman kunnen zijn.’
Het was er stilletjes ingeslopen.
Sinds een paar dagen ben ik terug van vakantie. Ik moet verder met het boek. De zaak afmaken. Het to-do-lijstje ligt klaar. De zon schijnt. Gisteravond dronken we tot laat uitstekende cognac. Onderweg naar kantoor kom ik een collega tegen; zwierige zomerjurk, blinkende zonnebril. Ze zegt: ‘Je moet de lat hoger leggen, de druk op jezelf opvoeren, geen 1000 maar 5000 woorden per dag. Meer deadlines. Werken met de kinderen in huis. Vakantie is de hel.’