Sniper.

Voor het VPRO Radio 1-programma Nooit Meer Slapen schreef ik (net zoals negen andere schrijvers) een kerstverhaal, dat ik tevens zelf insprak. Het is getiteld Sniper en het wordt vanavond uitgezonden. Na uitzending kan je het verhaal HIER nalezen en/of herbeluisteren.

Verder ga ik maar eens wat vakantie nemen, wat dacht je daarvan? Vanaf 5 januari ben ik hier weer.

Monster.

Vannacht werden we wakker gehouden door kleine Lou die urenlang jammerde en huilde zonder dat duidelijk werd waarom. Ze draaide en keerde met haar hoofdje, de ogen gesloten, reageerde niet op onze vragen, haar lippen trilden en produceerden een geluid dat ik niet kende, nooit eerder had gehoord, een lang, monotoon weeklagen dat de hele kamer vulde alsof ze in contact stond met iets, met iemand, maar niet met ons.
Rond half drie werd het stil. Vanochtend om acht uur stond ze te springen in haar bedje en ging alras weer met haar familie baby’s aan de slag, baby’s die sinds we het jongste zoontje van een vriendin gingen bewonderen, allemaal Noam heten en bovendien hadden alle Noams vanochtend in hun broek gepoept, druk druk druk.
Liefje en ik zaten aan tafel en keken ernaar. We waren moe. Een soort vermoeidheid die we waren vergeten, samen met de geur van luiers en de textuur van natte doekjes, en die het meest verwant is met stoned zijn – stoned maar toch alert. Nauwgezet volgden we elke beweging die ze maakte, luisterden naar haar stem, glimlachten wanneer ze ons iets vroeg of vertelde, zochten naar dat ene moment van onoplettendheid of nonchalance waarmee het monster zichzelf zou verraden. Maar het kwam niet.

Oorlog.

Uiteindelijk belandden we toch in het restaurant. We waren de laatsten. Het gesprek ging over een onderwerp waar ik het al veel te vaak over heb gehad dus ik besloot te zwijgen maar voor ik het wist had ik alweer het hoogste woord – of misschien had ik dat niet, maar voelde het zo in mijn hoofd precies omdat het onderwerp mij te veel bezig houdt en niet los wil laten. Nochtans zou dat beter voor me zijn. Daarom zal ik het onderwerp nu niet benoemen.
Na het eten liepen we gezamenlijk naar de zaal waar meer mensen op ons zaten te wachten dan wij hadden verwacht. Ook nu kwam het onderwerp ter sprake maar ik bleek in staat mezelf te beheersen, schetste enkel in grote lijnen hoe ik een en ander zag terwijl ik dacht aan het feest, de volgende avond, waar ik met geen goed fatsoen naartoe zou kunnen gaan, ook al werd dat betwist door mensen die ik doorgaans vertrouw en had ik me al aangemeld, maar daar ging het niet om, ik kon prima naar dat feest, natuurlijk, het was per slot van rekening een soort van familiefeest, het zou allemaal liefdevol zijn, en indien niet dan was er grote kans dat ik onopgemerkt zou blijven, urenlang onderaan een trap met een gin tonic in de hand goede gesprekken zou staan voeren, dat was allemaal goed denkbaar, daar ging het niet om, er was in wezen niéts of niemand die mij tegenhield, behalve ikzelf en dat geweten van mij dat ik deze dagen zo enorm vervloek. Vervolgens schrok ik wakker van de volgende vraag. Daarna moest ik voordragen. Ik bleek de enige die een leesfragment had gekozen dat niets te maken had met het onderwerp van het debat.
Na afloop vroeg een man of ik zijn exemplaar van Gelukkig zijn we machteloos wilde signeren. Ik nam een pen en hij hield mij een verkreukeld papiertje voor waarop hij in potlood enkele zinnen uit het boek had opgeschreven; een klein, onzeker handschrift.
‘Wil je dit erin schrijven?’ vroeg hij. En hij wees op de zin die ik zelf ook al in gedachten had: Familie is oorlog.

Thee.

We parkeerden schuin tegenover de Academie en we wilden naar de Zirkstraat lopen maar we vergisten ons, we liepen – café het Lastig Portret aan onze linkerhand – de  verkeerde straat in, een straat die ik goed ken omdat een goeie vriend daar jaren heeft gewoond toen hij aan de Academie studeerde. Ik herinner me de brede trappen, de kamer die hij huurde en waar hij nachten doorhaalde om zijn ontwerpen te voltooien en ook herinner ik me de grote, zware, houten voordeur waar we nu langs liepen en dat is gek want het was precies in die periode dat die vriend en ik elkaar even uit het oog waren verloren terwijl ik nauwelijks een paar honderd meter verderop studeerde. En ook ken ik die straat vanwege een meisje dat die vriend en ik allebei kenden, uit zijn studententijd, maar het voorval dateert van jaren later. Het was een mooi meisje, niet erg toegankelijk en haar ogen stonden altijd een beetje droevig – alsof ze zelf ook liever wat toegankelijker was geweest – en er was haar stem die altijd op het punt van breken stond, als die van een oude vrouw, ook wanneer ze een grap vertelde, vooral wanneer ze een grap vertelde en niemand lachte, zoals verwacht, of toch minder hard dan zij hoopte, alleszins, op een avond bracht ik haar thuis en ze vroeg me mee naar boven, dat was ook in deze straat, een ander pand, een andere deur, een andere trap, een vrij groot appartement, een lage glazen salontafel, een bank waarin ik iets te ver weg zakte – bij mijn weten de enige keer dat ik mee naar boven ging met een meisje en dat zij vroeg of ik een kopje thee wilde en dat ik ‘Ja’ zei en dat zij daarop in de keuken verdween en enige tijd later weer tevoorschijn kwam met een dienblad waarop een dampende theepot en twee kopjes stonden en ik na het opdrinken van de thee weer naar huis ging.

Dromen.

We waren een half uur te vroeg, best bijdehand wanneer je naar een toneelstuk gaat kijken dat De Laatsten heet maar daar staat tegenover dat als we wél op de tram hadden moeten wachten, we maar net op tijd waren geweest – daar hoor je nooit iemand over. We bestelden twee glazen witte wijn en liepen naar buiten. Voor het theater was een terrasje voor de rokers, gewoon op de stoep. Daar gingen we zitten en we staken ieder een sigaret op en keken naar de lichtreclames en de kerstverlichting en het glanzende water en de mensen die langs ons heen liepen en iemand die we kenden sprak ons aan, schoof een stoel bij, vroeg of hij een sigaret mocht bietsen – dat mocht – en speelde vervolgens minutenlang met die sigaret tussen zijn wijsvinger en duim en dat bleef hij doen ook nadat ik mijn aansteker vrij nadrukkelijk voor hem op het tafeltje had neer gelegd. Kortom, het was koud maar verder niet wezenlijk anders dan in de zomer.
In de aankondiging stond dat de voorstelling ging over waar jonge mensen voor willen strijden en daarom had ik kaartjes gekocht maar in werkelijkheid ging de voorstelling over dromen. Dat valt me op: steeds vaker lees ik en hoor ik over dromen. Nieuwe utopieën. Voorlopig hebben alleen de verkeerde mensen zin om ervoor te strijden.
Verder was ik mijn notitieboekje vergeten maar toch noteerde ik één zin: ‘Niets kan zo ontbreken als een boom.’

Voorbeeld.

We zaten in de tram onderweg naar de voorstelling en eerst ging het nog over fietsenmakers en meteen daarna ging het over vertrouwen. Dan is het altijd opletten geblazen.
‘Je weet, vertrouwen is heel belangrijk voor mij,’ zei Liefje. ‘Als ik iemand niet kan vertrouwen…’
‘…dan is het schluss voor jou,’ zei ik.
‘…dan is het schluss voor mij,’ zei Liefje.
‘Daar heb ik anders nog niet veel van gemerkt,’ zei ik. Hetgeen overmoediger klonk dan ik het bedoelde.
‘Hoezo?’ zei Liefje. ‘Geef eens een voorbeeld?’
Ik gaf een voorbeeld.
‘Goed voorbeeld,’ zei Liefje.
We reden verder. Er stapten twee jonge kerels op. Een ervan had een baard en een zwarte baseball cap waarop stond afgedrukt: Krew Kills. Ze leken me niet onderweg naar een leuke avond maar zulke dingen vallen moeilijk in te schatten tegenwoordig, het zijn per slot van rekening vreemde tijden.
Ik zei: ‘Heb je wel eens iemand totaal en radicaal gedumpt omdat hij of zij onbetrouwbaar bleek?’
‘Zeker,’ zei Liefje. Daarna begon ze na te denken. ‘Even kijken. Nou. God. Vast wel. Wacht even hoor.’
Ik wachtte.
‘Nou ja,’ zei Liefje. ‘Ik geloof natuurlijk ook in kansen geven.’
‘Zeker,’ zei ik. ‘Kansen geven is belangrijk.’
‘Ja,’ zei Liefje. ‘Maar vertrouwen ook. Neem nu mijn kapper.’
‘Jouw kapper?’
‘Ja,’ zei Liefje. ‘Ik heb heel lang moeten zoeken voordat ik in Amsterdam een goeie kapper vond.’
Het viel niet te ontkennen: dát was een heel goed voorbeeld.

Vergeten.

Ik zie hem al staan wanneer ik het eiland afrij, op de afgesproken plek. Langzaam nader ik de stoplichten. Het is rood, gelukkig. Af en toe trekt hij de schouders op, en wrijft in zijn handen, zijn blik zoekend. Dan zet hij een hand horizontaal boven zijn ogen en speurt het kruispunt af, als een indiaan, en ik vraag me af waarom hij dat doet; het is winderig en bewolkt, de zon zal zich vandaag niet meer laten zien, begrijpelijk, ik laat mezelf liever ook niet zien met dit weer maar ík heb verplichtingen. Er wacht een lange autorit, de file zal beginnen op het moment dat wij de A2 op draaien en pas oplossen voorbij Gorinchem. Het wordt groen. Hij staat er nog steeds, precies op de afgesproken plek, hoewel ik toch vaag genoeg ben geweest, en ook weet hij niet wat voor auto ik rij. De hele route zal donker zijn, en nat, ideale omstandigheden om rustig na te denken over dat idee dat in de voorbije maand plots zoveel groter is geworden dan ik had verwacht. Ik zou mijn gedachten kunnen ordenen of ze fijn laten uitwaaieren over de grote duistere vlakken met sterretjes erin aan weerszijden van de weg. Langzaam rij ik het kruispunt op. Hij staat op de plek waar ik vaak sta te wachten met de fiets om over te steken, op weg naar huis, de plek waarvan ik al meermaals heb voorspeld dat er ooit een bus zal komen, bij ijzelweer, die uit de bocht die ik nu neem zal glijden, over die plek heen, maar dat kan hij niet weten. Hij zwaait, ik zwaai terug, en daarmee is het pleit beslecht, hij gaat mee, er zal geconverseerd worden, de rit zal er korter van worden, nu doorrijden zou ronduit vervelend zijn, net had het nog gekund, ik had de bocht kunnen nemen, hem op centimeters kunnen passeren, en daarna zou hij uit het zicht zijn verdwenen, ik zou me uitgebreid excuseren aan de telefoon, en bij de organisatie, zulke dingen gebeuren nu eenmaal en daarna zou alles snel vergeten zijn, zoals zoveel problemen verdwijnen omdat ze worden vergeten.

De Aanslag.

Ik was nooit eerder iets gaan kijken in dat theater maar toen ik de straat in fietste herkende ik het autoverhuurbedrijf dat er schuin tegenover is gelegen. Daar had ik ooit een bestelwagen gehuurd. Maar wanneer? Waarvoor? Ik was te vroeg dus ik fietste verder, langs het theater, de straat uit. Ik dacht een blokje om te doen maar aan de overkant van de Ceintuurbaan zag ik café Sarphaat en ik besloot over te steken, ik herinnerde me op het terras van dat café te hebben gezeten met een meisje. We waren er via één van de achterliggende straten naartoe gewandeld. Maar wanneer? Waarvoor? Ik meende te weten in welke straat we langs zo’n boekenkastje waren gelopen met zo'n blik waar je wat muntgeld in kon doen als je een boek meenam maar dat bleek helemaal niet in die straat te zijn maar in de straat van Sarphaat zelf. Ik stopte bij het kastje, keek wat ze hadden liggen, uiteraard niet De Aanslag van Mulisch, dat zou wel heel vreemd zijn geweest en ik fietste verder, stak terug over, arriveerde opnieuw bij het verhuurbedrijf, dacht: wellicht voor de verhuis van de laatste meubels uit Antwerpen, wellicht voor de verhuis van onze spullen uit Noord naar Oost, alleszins lang geleden, het is sowieso al lang geleden dat ik iets groot moest vervoeren, wellicht wordt het tijd eindelijk eens die piano te kopen, eindelijk weer eens lekker die vingers over de toetsen te voelen gaan. Hoe lang zal het duren voordat het net zo soepel gaat als dertig jaar geleden?
Tijdens de voorstelling zei een actrice dat we onze ogen moesten sluiten, onszelf onze droom in moesten beelden, en dan datgene wat het realiseren van onze droom in de weg stond, en daarna dat we die hindernis moesten laten verdwijnen en dat deed ik, maar toen ik mijn ogen opende, bleek ik nog steeds gewoon in de zaal te zitten.

Ochtend.

Het was een schitterende ochtend en iedereen leek mij te kennen, met name niet onaantrekkelijke dames van mijn leeftijd wierpen mij glunderende blikken toe als waren zij de meisjes op wie wij in vroeger dagen wachtten op de hoek van de straat na het uitgaan van de school en wier herinneringen aan die vrolijke, giechelende jaren nu werden weerspiegeld in de frisse, tintelende ochtendlucht, er zijn van die dagen, slierten paarse wolken tegen een helblauwe hemel, een popelend verlangen naar het begin van de dag, alles en iedereen in beweging, niet moeizaam maar soepel en alert, het water dansend, de fietsbellen rinkelend van geluk, alles opgewekt als een kinderstem, en bij de toegangsweg naar de parkeerplaats bij de school stond een ouder naast zijn auto die hij in de berm had geparkeerd met de vier pinkers aan, te schelden op de agent die hem een boete gaf.
’s Avonds zit ik aan de houten tafel in de woonkamer. De meisjes liggen in bed, de vrouw is uit huis, er glijden regendruppels langs de ramen, op de stereo zingt Willy Mason ‘My mind is a nation with al of these divisions, show me the way to go home’ en voor mij ligt een boek dat te veel concentratie vergt.

Voornemens.

Er is een zegeltjesactie gaande bij de Albert Heijn waarmee je voor wijnglazen kan sparen en dit werkte dusdanig op het gemoed van onze wijnglazen dat ze in een noodtempo begonnen te breken. Suïcidale wijnglazen, je zal ze maar hebben, en god weet hoezeer ik van wijn hou. Er zijn zeker statistieken die zullen aangeven dat ik problematisch drinkgedrag vertoon, en ook zijn er zeker statistieken die zullen beweren dat het allemaal wel meevalt maar gek genoeg publiceert men dié statistieken al te zelden. Idem dito met roken. Natuurlijk is dat ongezond, maar nooit lees je eens een gedegen onderzoek naar hoe ongezond het precies is om 3 sigaretten per dag te roken. Of alleen af en toe op een feestje. Ook dat is ongezond uiteraard, heel veel dingen zijn ongezond, ik wil weten HOE ongezond precies. Waarom pompt de tabakslobby geen geld in dit soort onderzoeken, volgens mij hebben ze er baat bij. Of misschien hebben ze het gedaan en niet gepubliceerd en vergis ik mij dus, een niet onaanzienlijke hoeveelheid onderzoeken vinden immers plaats in opdracht van wie er belang bij heeft, al kan je je afvragen hoeveel nut dát dan weer heeft, want onderzoek wijst ook uit dat het voor voetgangers veel zinvoller is om een helm te dragen dan voor fietsers en toch is de fietshelm oneindig veel populairder. Maar goed, aan deze wetenschap hebben onze betreurde wijnglazen niets meer.
Overigens had ik afgelopen weekend besloten niet meer te drinken en te roken op weekdagen. Ook heb ik diverse malen een webshop voor sportkleding bezocht, maar had uiteindelijk besloten dat het beter was om die spullen in real life te kopen. Kortom, het is nog lang geen oudjaar, maar toch heb ik al goede voornemens in overvloed, voornemens die ik gisteravond zo rond een uur of vijf even gedeeltelijk als tijdelijk alweer vergeten was.

Niets.

Ik zat aan de leestafel in de ontbijtlounge van Hotel Americain. Recht tegenover mij, aan de andere kant van de koperkleurige lichtbakken versierd met kerstkransen en -ballen, en waaronder stapels magazines lagen, zaten twee mannen. Ik dacht eerst dat de jongste van de twee op sollicitatiegesprek was bij de oudste, die hem de hele tijd vragen stelde. Maar na een tijdje zei die man: ‘Nu stop ik even want zo komen we niet verder.’
Ik dacht: oei.
‘Je hebt het altijd maar over ‘men’ vindt dit en ‘men’ doet dat, je blijft altijd maar algemeen. Maar dit is JOUW tijd. Het gaat om jou. Ja toch?’
De jongste knikte. Hij had een pak aan. Een plechtige communicant.
‘Dus vertel mij eens,’ zei de oudste. ‘Wat heb JIJ geleerd?’
De ander begon zenuwachtig te lachen, nam een pen en een stuk papier en dacht opzichtig na. Iedere keer wanneer hij iets opschreef, zei hij er luidop bij wat het was.
‘Ik heb geleerd om in conflictsituaties rustig te blijven.’
‘Ik heb geleerd om voor mezelf op te komen.’
‘Ja maar,’ zei de andere man. ‘Geef nu eens een voorbeeld. Wees nou eens specifiek!’
Er viel een lange stilte, gedurende de welke de communicant zijn gesprekspartner reddeloos aankeek. Ik probeerde mij zijn blik goed in te prenten. Per slot van rekening is alles materiaal. En dit was de blik van een man in wiens leven niets specifiek gebeurt.

Bahamontes.

Wat De Muur en Soigneur in Nederland doen, doet Bahamontes in Vlaanderen: eer betonen aan de edele wielersport middels een prachtig vormgegeven blad vol wonderlijke verhalen en fenomenale fotografie. Sinds gisteren ligt de nieuwste editie in de winkel (ook in Nederlandse boekhandels te bestellen) en daarin staat onder meer een kort verhaal in van mijn hand getiteld Chasse Patate. Het gaat over seks (en wielrennen). Nou, dan weet je het wel.

Traag.

Ik fietste mijn gebruikelijke route maar trager, zo leek het, hoewel mijn trapfrequentie wellicht precies dezelfde was als altijd, maar álles leek trager die dag, de hele stad was moe en lijkbleek, mijn wangen trokken en tintelden in de oostenwind, die al dagen was voorspeld maar nu pas was gearriveerd alsof hij wist dat er toch niemand op hem zat te wachten. Mijn fiets kreunde en kraakte, de wind en de koude en het vocht hadden zich in het staal vastgebeten en frustreerden alles wat diende te roteren, en de contouren van de gebouwen om mij heen werden vager, slordige penseelstreken van een schilder die er weinig zin in had, het leek, kortweg, of ik alleen was. Niet erg waarschijnlijk, wellicht wat dramatisch, er moesten per slot van rekening nog mensen zijn, dat was logisch. Achter die muren, die doffe grijze, bruine vlakken om mij heen, daar werden kopjes thee gezet, krabde een poes de vlooien uit haar nek, stapte iemand uit de douche en plukte een handdoek van de verwarming, dromend van een melodie die hij of zij nooit had gespeeld op de gitaar die drie huizen verder op een statief in de hoek van de woonkamer stond, je kon het zo gek niet verzinnen of het bestond, het gebeurde, daar, om mij heen, stapelde de werkelijkheid zich op, laag per laag, ik kon het alleen niet zien, of toch niet precies genoeg, dus zoals zo vaak trapte ik verbeten door en stelde mij tevreden met het vermoeden.

Nemo.

Ik nam de meisjes mee naar het Nemo. Ik dacht dat we daar al eens waren geweest maar dat was in de tijd dat er nog geen meisjes bestonden en mijn moeder en mijn broer en zussen met hún kinderen op bezoek kwamen in ons arbeidershuisje in Amsterdam-Noord, in de Van der Pekstraat. Wij hadden de eerste en tweede verdieping, en onder ons woonde een junk samen met een hoertje. (Vaak wanneer ik op het balkon stond te roken, kwam er een gast op een scooter door het steegje rijden dat achter de huizen doorliep en die ging dan snel door de achtertuin bij hen naar binnen en snel weer naar buiten en reed dan weg. Daarna kwam er een gezin wonen dat elke gelegenheid te baat nam om een partytent te huren.)
Het was ijzig koud en we gingen maar snel even met de auto, parkeerden ondergronds op het Oosterdokeiland en liepen over de brug en het donker glanzende water naar de ingang. Ik dacht dat het slim was om de kinderwagen mee het museum in te nemen, dat Lou wellicht moe zou worden na een tijdje, maar vanaf de eerste tot de laatste seconde waren ze allebei niet te houden. De oudste kan ik rustig laten gaan, die trekt haar plan wel, maar die wil ook de hele tijd dat ik kom kijken naar wat ze doet terwijl de kleinste helemaal niet wil dat ik kom kijken, juist haar plan wil trekken, alleen is dié bandiet voor geen meter te vertrouwen.
Toen we terugliepen over de brug keken we naar twee lichtinstallaties die in het Oosterdok dobberden. Ja, in België worden de mensen bij wet verplicht om te wokken maar in Amsterdam is het gewoon het jaarlijkse Light Festival, nog tot diep in januari. Op het Oosterdokeiland aangekomen vroeg Lola: ‘Waar is de garage?’ en ik wees op de bovengrondse ingang van de parking, en Lola zei: ‘Hoe kan dat nu: onze auto staat toch in een hele gróte parkeergarage? Dit is maar een klein huisje.’

Durven.

Sinds de ontmanteling van mijn uitgever, De Bezige Bij Antwerpen, heb ik met veel verschillende mensen van verschillende uitgeverijen interessante gesprekken gehad over het boekenvak en de rol van de uitgever, en wat ik als auteur daar zoal van verwacht, en wat mij daarin zoal teleurgesteld heeft in het verleden.

Vandaag, in de Vlaamse krant De Tijd, vat Harold Polis, de ex-uitgever van De Bezige Bij Antwerpen, het handig genoeg in één quote voor u samen: 'We werken in een sector die leeft van verbeelding, maar we mankeren de verbeelding om de technologische vernieuwing te gebruiken. Een klassiek uitgeefbedrijf gaat nog steeds uit van de veronderstelling: auteurs zijn braaf en zwijgzaam. Ze komen na vele jaren ijveren op hun zolderkamer gedwee hun boeken afgeven. Vervolgens doet de uitgever zijn werk. ... Het drama van een uitgeverij: een uitgever was vroeger een mevrouw of een mijnheer. Dat is volledig gedaan. De creativiteit zit vaker bij auteurs dan bij uitgevers. Schrijvers zijn coproducenten geworden. ... Ook ik heb te laat in mijn carrière begrepen dat technologie en innovatie de beschaving niet achteruitduwen, maar vóóruit. Waar blijft de innovatie in het boekenvak? We durven niet.’

Ondertussen schrijf ik rustig verder en heb ik mijn eigen, personal literary coach ingehuurd. In de hoop dat tegen de tijd dat ik weer iets te publiceren heb, het boekenvak zal overlopen van de uitgevers die durven.

Schaapjes.

Ik zit aan de tafel in de woonkamer en ik denk aan Ray Bradbury, de Amerikaanse science-fiction schrijver die in een interview met de Paris Review zei dat hij ter inspiratie lijsten maakte van zelfstandige naamwoorden en dan per woord begon te associëren en dat hij zo zichzelf altijd weer aan het schrijven kreeg en ik vraag me af wat hij deed wanneer hij geen zelfstandige naamwoorden kon bedenken. Buiten is het donker, de straat is nat en leeg, in de plassen weerspiegelen herinneringen aan de zomer. Op de tafel, voor mij, ligt een grote gave, helwitte kei die Lola op het strand vond.
Ik hoor haar rommelen in haar bed, door de babyfoon, ze draait en keert als een baby, ze lacht, ze ligt te giechelen in haar bed, ik moet naar beneden, sta op, en Liefje zegt: ‘Ze huilt.’
Beneden zit Lola rechtop in haar bed. Ze huilt, inderdaad. Giechelen en huilen, ze liggen dichter bij elkaar dan je denkt, zeker vanuit akoestisch oogpunt. Ik vraag wat er is. Ze zegt: ‘Mama zei dat ik schaapjes moest tellen maar ik zie helemaal geen schaapjes, ik zie alleen een meisje, met een hond!’