Scooter.

Ik fietste de Czaar Peterstraat in, onder de spoorwegbrug door en er kwam een scooter uit de tegengestelde richting. Op het moment dat hij me passeerde aan mijn linkerzijde werd ik aan mijn rechterzijde ingehaald door een gelijkend scooter, waardoor het leek alsof dezelfde scooter heel snel een rondje om mij heen had gedraaid en nu weer in een noodtempo van mij weg reed. Maf hoor. Daarna fietste ik verder langs de kledingzaak waarvan ik me altijd voorneem om er op de terugweg binnen te stappen hetgeen ik nooit doe, en daarna langs de werkplekken voor freelancers achter grote ramen – daar werkt een vriendin maar ik heb haar daar nog nooit zien zitten – en zo verder tot aan de molen en Brouwerij ’t IJ waar een andere vriendin zaterdagmiddag met onze boot in panne was gevallen en op zondag deed de motor het gewoon weer, gekke boot hoor, en nog verder langs het tankstation waar ik weken geleden voor 50 euro tankte en nog altijd is die benzine niet op, en nog verder waar ik rechtsaf sla en achter Artis door fiets, Artis waar we zaterdag naartoe waren geweest met de meisjes en een vriendinnetje van Lola. Het broedhuis voor de kippen was gesloten, en Lola riep: ‘Ja papa, dat weet je toch, er heerst vogelgriep, alle kinderboerderijen zijn dicht!’ Ze kijkt tegenwoordig elke dag het jeugdjournaal. Onlangs moest ik uitleggen waarom de Belgen staakten want in het Jeugdjournaal hadden ze gezegd dat dit was omdat de scholen duurder werden en daarop had ik gesnuifd en tegen Liefje gezegd dat dit niet bepaald het hele verhaal was en vervolgens wilde Lola er het fijne van weten dus ik probeerde het in Jip en Janneke taal maar uiteindelijk hield ik het erop dat het allemaal de schuld was van een meneer met wie papa nog op school had gezeten en toen moest ik opnieuw aan die scooter denken, niet diegene die op me af kwam, maar degene die zo hard van me weg reed.

Geur.

Elke maandagavond wanneer ik thuis kom met de kinderen, vraag ik me af of de poetsvrouw is geweest. Het is iedere keer weer afwachten maar nu deden we deur open en we werden overvallen door een zware tintelende geur die de hele gang en de slaapkamers vulde, de geur van een te zwaar geparfumeerde oma die het kind de ademt ontneemt. Ik zette de ramen open maar ook uren later, toen we tanden gingen poetsen, de meisjes gillend en zingend met hun laatste krachten, krachten die ze telkens weer bewaren voor het moment dat ze naar bed moeten, ook als ze net daarvoor nog compleet uitgeput als twee kleine zombies naar de televisie hebben zitten staren, ook toen hing die geur er nog steeds. We gingen het hele huis door als speurhonden, snuivend en riekend aan vloeren en ramen maar de oorsprong van de geur liet zich niet vinden. Hij was er gewoon, pakte ons in, leek soms te verdwijnen, om dan weer met volle kracht onze neusgaten binnen te dringen. Er was geen ontkomen aan en nu, terwijl ik dit tik, voelt mijn hoofd zwaar en verdoofd aan, uitgeput door de chemicaliën. De deur naar het balkon staat open, het is koud, ik heb net een sigaret gerookt, de rook naar binnen geblazen, sigaretten kunnen in principe elke geur aan, als kind kon ik het ’s ochtends vroeg tot in mijn slaapkamer op de tweede verdieping van ons huis ruiken als mijn vader beneden aan de ontbijttafel was verschenen. Wij hadden ook een poetsvrouw, we noemden haar Madam, die kwam altijd en soms gingen wij ook naar haar toe om met haar kinderen te spelen, die hadden een enorme verkleedkist. Er is een foto van mij, zwart-wit, ik ben een jaar of zeven. Ik draag een bontjas, een bontmuts en gouden oorbellen.

Vreemde.

Vanochtend fietste ik naar kantoor langs de Prinsengracht, twee toeristen liepen me tegemoet, nou ja, ze liepen mij natuurlijk niet tegemoet, ze liepen er gewoon, en ook wist ik niet dat het toeristen waren, ik dacht eigenlijk dat ik de linkse kende dus ik glimlachte breed en groette en nog voor de verbazing in haar donkere ogen het kon overnemen van de stralende lach waarmee ze die groet beantwoordde, was ik haar reeds voorbij gefietst en had ik bedacht dat ik dat hele mens nog nooit in mijn leven had gezien. Wat is er mooier dan de glimlach van een vreemde? Durf ik wel eens te denken op dagen dat niemand de eindredactie over mijn gedachten voert en toen ik bijna op kantoor was gearriveerd zag ik een moeder die met haar twee kleine meisjes neerknielde op de Leidsestraat en meer bepaald bij de balustrade van de brug over de Prinsengracht waar ze met zijn drieën iets heel aandachtig bestudeerden, ik kon het aanvankelijk niet zien, pas toen ik vlak achter hen door reed zag ik hoe de moeder het fietsslot in de hand hield en aan de meisjes toonde waar precies ze er met een slijptol als boter doorheen hadden gesneden en alsof ze mijn blik voelde draaide ze zich om en keek me aan en ik glimlachte opnieuw de glimlach van een vreemde, misschien, binnen de gegeven context, kwam het deze keer iets minder tot zijn recht. 

Beeld.

Iets na drieën kwam de klas naar buiten en toen Lola me zag wrong ze zich tussen de andere kinderen door om de juf een hand te geven en daarna stormde ze op me af en we knuffelden. We liepen naar mijn fiets, ik legde mijn arm op haar schouder en zij sloeg haar beide armen rond mijn been, ik zag ons in de ramen van de school gespiegeld en vroeg me af of zij zich dit zou herinneren, later, of dit beeld af en toe weer bij haar op zou komen, misschien aan het eind van een lange werkdag terwijl ze in de vochtige koude staat te wachten op de trein naar huis en de batterij van haar telefoon is leeg en ze is haar handschoenen vergeten en straks moet ze nog het laatste stuk met de fiets, wind tegen, wellicht zou dat zo’n avond zou kunnen zijn waarop zo’n beeld uit het niets haar hoofd komt binnen zeilen: zij die het been van haar vader dicht tegen zich aan drukt en zo met hem naar de fiets bij de deur van de crèche wandelt waar we eerst nog haar zus op gaan halen en ook vroeg ik me af of ik zelf zo’n herinnering aan mijn vader heb. Ja, ik heb er een. Het is de jaarlijkse voetbalwedstrijd van de bank waar hij werkt. We lopen over de modderige parkeerplaats naar de kantine, hand in hand, en in zijn andere hand draagt mijn vader een sportzak. Ik weet niet hoe oud ik ben, en of je op die onduidelijke leeftijd al tevreden kan zijn, een besef hebt van wat dat is, tevredenheid, maar ik denk wel dat ik het was en die hele middag bleef, misschien afgezien van het moment waarop ik vaststelde dat mijn vader de scheidsrechter was.

Rolkoffer.

Bij aankomst in Leuven was het koud en ik was moe en had geen zin om met mijn rolkoffer de hele stad door te ratelen naar het hotel. Ik hou van mijn rolkoffer, seriously, en van eerdere bezoeken aan Leuven weet ik dat de Bondgenotenlaan nog prima te doen is, een normale stoep, met normale tegels, maar zodra het Stadhuis in zicht komt gaan die stoeptegels over in een veel kleinere variant hetgeen het ratelen van mijn koffer aanzienlijk in frequentie doet toenemen en ter hoogte van het Stadhuis zelf gaan ze over in rasechte kasseien waardoor mijn rolkoffer en ik voor de plaatselijke bevolking onuitstaanbaar worden, voor zover het minutenlang afgaan van een volautomatisch geweer onuitstaanbaar kan zijn, dan wel mensonterend vreselijk.
Kortom, ik begaf mij onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde taxi. Een lange, onverzorgde chauffeur keek me verdwaasd aan en ik zei: ‘Het Ibis hotel in de Brusselsestraat.’
De man toonde mij zijn handpalmen en antwoordde: ‘Jamaar. De Brusselsestraat… Ja, maar. Dat is…’ En hij wees in de richting van de Brusselsestraat.
‘Ik weet waar de Brusselsestraat is,’ zei ik.
‘Ja, maar allez… Dat is… Eeej, maar, komaan.’
Nu hield hij het hoofd schuin terwijl hij mij nog steeds zijn handpalmen toonde maar ik kon eerlijk gezegd niet zien wat er zo bijzonder aan was. Het leek alsof hij uiting wenste te geven aan een bepaalde verontwaardiging. Niet kwaad of onbeschoft – in Amsterdam zou deze taxichauffeur nooit kunnen overleven. Het had iets weg van een houding die hij cultiveerde en door de jaren heen had geperfectioneerd zoals anderen aan hun conditie werken in de sportschool en de gewichten opdrukken terwijl ze naar zichzelf kijken in de spiegel. De chauffeur zuchtte diep, zei nog één keer ‘De Brusselsestraat. Ja…maar allez jong.’ En verroerde zich verder niet.
‘Oké. Dus ge wílt niet rijden? Ook goed!’ schreeuwde ik. En na deze wellicht zwakste en meest pathetische repliek waarop een taxichauffeur in de geschiedenis van de mensheid ooit is getrakteerd, ratelde ik woedend weg, met mijn rolkoffertje, in de richting van de Bondgenotenlaan.
Later, tijdens de knusse leesclubbijeenkomst, was de eerste vraag die ik kreeg: ‘Waarom zijn alle personages in jouw boeken altijd zo alleen?’
Daar had ik vreemd genoeg niet zo snel een antwoord op.

Borrel.

Na afloop was er een borrel in een kroeg waar ik bij een vorige gelegenheid ook al was beland en die toch op een heel andere plek gelegen bleek te zijn dan in mijn herinnering, namelijk, vlakbij het park, naast het grote toegangshek dat nu gesloten was. Nu ja. Niet precies er naast, want er zit nog een woonhuis tussen, een woonhuis dat ik ook al ken, en zeker de witte houten deur waar ik twintig jaar eerder een meisje tegenaan had gedrukt terwijl we zoenden, de deur ook waardoor ik vervolgens alsnog niet naar binnen mocht en ook die deur bleek zich nu te bevinden op een andere plek dan voorheen, tussen die kroeg en het park dus, en ook zat er op de deur een brievenbus, geen gleuf, maar echt een box, er was helemaal geen ruimte om iemand tegen die deur aan te drukken, dat zou pijn doen of op zijn minst onhandig uitpakken maar dat had het helemaal niet gedaan, zoveel kan ik je wel verzekeren.
Eenmaal binnen dronk ik een paar biertjes. Het was warm, er waren mensen die ik kende en mensen die ik niet kende en mensen die ik kende die zich gedroegen alsof ik hen niet kende maar dat kan ook aan mij hebben gelegen, alleszins, ik ging er al snel en ongemerkt weer vandoor en eenmaal buiten – de kroeg, de deur, het hek uit het zicht verdwenen, en de koude beukend op mijn kaken, en mijn tong tastend naar een pijnlijk wondje aan de binnenkant van mijn wang – besefte ik dat ik die avond nog niks gegeten had.

Op tijd.

Ik was ruim op tijd en liep het perron op met de bedoeling nog een kwartiertje te lezen toen ik een dame die ik kende op een bankje zag zitten spelen met haar telefoon. Ik wist dat ze in Amsterdam werkte, al meer dan een jaar, maar in die tijd hadden we elkaar niet één keer gezien en ook nu zag zij me niet, volledig verdiept, en ik twijfelde of ik door zou lopen. Ik zou twee uur op de trein zitten en die tijd wilde ik gebruiken om de tegenwoordig weer verplichte duizend woorden per dag te tikken, twee uur voor duizend woorden, dat is best krap maar daar stond tegenover dat ik al de hele ochtend tijdens het oppassen op Lou, en het smeren van boterhammen en het bakken van pannenkoeken, en het beantwoorden van emails en het uitladen van de vaatwasser had nagedacht over wat ik tijdens die twee uur zou gaan tikken.
Ik stapte op haar af. We raakten aan de praat en ik merkte bij mezelf dat ik moeilijk op gang kwam. Ik was weliswaar het gesprek begonnen en toch gaf ik alleen maar korte, ontwijkende antwoorden. Pas na een tijdje realiseerden mijn lichaam en brein zich dat de situatie veranderd was, dat wij ons niet meer aan het voorbereiden waren op twee uur tikken maar ons in een gesprek bevonden dat aandacht en grapjes behoefde en dra ging de conversatie vlotten, kwamen de dame en ik beetje bij beetje in de oude modus terecht en nét toen alles weer als voorheen scheen te worden, arriveerde de trein. We namen afscheid, ik zocht haastig mijn plaats op, klapte de laptop open en toen begon het hele proces weer van vooraf aan maar dan omgekeerd.

Bril.

’s Avonds is het nu eindelijk bijna zo koud dat ik kan denken aan de voetbaltrainingen van vroeger. Kunstlicht in de mist, en de trainingsvesten die na een half uur dampend op elkaar langs de rand van het veld liggen. Sprintjes die je longen verbranden, partijtjes vier tegen vier, de grond vochtig en de opspattende aarde donker maar geen modder, nee, de modder ligt al achter de rug, de slidings zijn gemaakt, de zoden losgekomen, het gras wacht nog slechts, verminkt, op de vorst. Die komt volgende maand. Daarna: betonnen velden, rijm op gras of wat er van over is, oranje ballen die oncontroleerbaar hoog opspringen. Shoes zonder noppen – bah.
En ook denk ik aan affiches plakken, ’s nachts, de verdwenen IJzeren Brug op de Italiëlei, de muurtjes die daaronder stonden, de poster die een vriend had ontworpen: een zwart wit foto van een huilende, naakte baby die op de hoes van een van de eerste platen van de Pixies prijkte, en hoe de emmer met lijm in een kartonnen doos op mijn bagagedrager stond. De een smeren, de ander plakken, ondertussen uitkijken voor de politie, die kwam, de dolle race door de studentenbuurt, allemaal in diezelfde vochtige kou en daarna de kroeg, die warm was, en dáárna, misschien wel nu pas: de aandampende glazen van de bril waarvan ik in die tijd dacht dat ik hem nooit nodig zou hebben.

Goed verhaal.

Zaterdagavond was ik alleen thuis en ik stelde mezelf voor een hartverscheurende keuze: doorlezen in Portnoy’s Klacht van Philip Roth of een jointje blowen en Reservoir Dogs herbekijken.
Na een half uurtje lezen draaide ik alsnog een jointje en zette Reservoir Dogs op. Leer mij mezelf kennen. Het was 21 jaar geleden dat ik die film had gezien. Voor mij is hij onlosmakelijk verbonden met C’est Arrivé Près De Chez Vous. Beide films keek ik binnen het tijdsbestek van een week in een bioscoop in het centrum van London. Beiden bevatten gewelddadige scènes die in die tijd voor opschudding zorgden. Ik studeerde in London, woonde vlakbij Finsbury Park en ging tijdens mijn verblijf drie keer naar Arsenal kijken in het oude Highbury stadion. Tevens kwam ik een kilo of vijf bij (pizza & kebab) en probeerde ik mijn toenmalig lief te bedriegen; iets waarin ik deerlijk faalde. Verder herinner ik me niet zo gek veel van dat verblijf, net zomin als ik me veel kon herinneren van Reservoir Dogs. Of nee, het is precies andersom. Ik herinner me veel meer van Reservoir Dogs dan die film bij het herbekijken bleek te zijn: hij bestaat slechts uit een handvol scènes (ik dacht meermaals: dit is geen film, dit is een toneelstuk) en al die scènes zijn gebaseerd op kennis van feiten die de kijker niet of nauwelijks tot zijn beschikking heeft. Toch denkt de kijker – nu ja, ik in ieder geval – zich die feiten meer dan 20 jaar later nog steeds te herinneren. Zo vertel je een goed verhaal.
Onlangs deed zich de kans voor om naar London te verhuizen. Dat ging uiteindelijk niet door. Ook een goed verhaal, en lekker kort.

Pieten.

De grote meisjes stonden op de dranghekken, hielden hun plastic tassen klaar met beide handen terwijl kleine Lou tussen benen en tralies door naar de overkant keek en een vriendinnetje van de crèche ontdekte. Wij, volwassenen, hielden ons op de achtergrond en bespraken de actualiteit. Er fietsten heel wat politieagenten over en weer over het traject. Af en toe een motor. Na een half uurtje wachten zagen we de gepantserde wagens van de ME naderen. Meteen daarna kwamen de rolschaats-Pieten. De politieagenten fietsten evenwel nog steeds over en weer, dwars door de opstartende optocht heen. We begonnen er een sport van te maken de ‘stille’ Pieten te ontdekken. Eentje had een oortje. Eentje had een portofoon. Eentje stond lang en ingetogen te luisteren naar wat een agent tegen hem zei terwijl achter zijn rug het vriendinnetje van Lou om aandacht schreeuwde. De eerste feestwagens kwamen in zicht, steeds meer Pieten – de grote meisjes hingen nog steeds over de hekken maar lieten nu af en toe met een hand hun tas los om te high fiven met een Piet, en dan waren er nog de pepernoten. Sinterklaas zelf ging vrijwel onopgemerkt voorbij.
Toen we naar huis fietsten zag ik nog een turkoise Piet. Ik wees de buurman erop.
‘Ja,’ zei hij, ‘Maar hij heeft wel oorringen.’
Dat was waar. Kortom, er bestaat momenteel een enorme diversiteit aan Pieten, dat is zonneklaar. Het zou me verbazen als het ooit anders is geweest.

Hangmat.

Sinds enige tijd heb ik op mijn werkkamer de beschikking over een hangmat. De opzet was dat ik in deze hangmat zou kunnen lezen. (Ik heb geen goede leesstoel op kantoor, ik heb sowieso slechts 1 stoel op kantoor, een uitstekende, ergonomisch verantwoordde en veel te dure bureaustoel die ik begin 2008 kocht, bij aanvang van mijn zelfstandigenbestaan, een investering in de toekomst en mijn gammele rug waar ik nooit spijt van heb gekregen edoch een goede leesstoel? Nee.) Daarnaast: films bekijken op de iPad, en belangrijkst van al: een middagdutje doen. Middagdutjes zijn cruciaal. Wij zouden in een heel andere wereld leven als iedereen kort na de lunch een middagdutje zou doen, dat is mijn overtuiging.
Nu heb ik die hangmat sinds een week of twee en ik heb er hooguit al een keer of drie in gelegen, kort, niet langer dan enkele minuten tijdens dewelke ik overdacht welk een grandioos idee het is geweest. Meestal zit ik aan mijn bureau en denk ik: ik doe nog even snel dit of dat en dan ga ik in de hangmat liggen. En wanneer ik dan dit of dat heb gedaan, denk ik aan iets anders dat ik nog even snel ga doen voordat ik in die hangmat ga liggen en voor ik het weet is het alweer tijd om naar huis te gaan. Kortom. Een grandioos idee indeed, en zo krijgt een mens op een dag heel wat gedaan.

Stakkers.

We zaten in een restaurant aan de Marnixplaats op het Antwerpse Zuid, een van die vele hippe tentjes die ik nooit heb gekend toen ik zelf nog hip was. Voor het eerst in lange tijd ging ik uit eten met een goede vriend en er was veel gebeurd en er viel veel te bespreken. Na een half uurtje of wat viel de verlichting uit. Ik dacht dat er iemand jarig was en wachtte tot de ijsjes met sterretjes op kosten van de zaak zouden gaan verschijnen. Er gebeurde niets. Iedereen at door bij kaarslicht terwijl een jongen van de bediening zich naar buiten haastte en het licht weer aan ging waarna die jongen weer binnenkwam. Dit ging zo een keer of vijf gedurende de rest van de avond. We grapten dat dit wellicht een oefening was om het clientèle voor te bereiden op de stroomloze winter die België te wachten staat en zo kwamen we ook te spreken over de betoging, en de besparingen, en de redelijkheid of onredelijkheid ervan, en daar waren we het niet over eens. Waar we het wel over eens waren was dat veel mensen die op de huidige Belgische regering hebben gestemd nu door die regering keihard worden genaaid en dat de oude politiek, het ons-kent-ons, het houdingkje van wie-doet-ons-wat-laat-die-stakkers-toch-even-uitrazen helemaal terug van weg geweest is en dat dit een buitengewoon kwalijke manier van politiek bedrijven en besturen is en ik merkte dat ik me steeds meer opwond en de stroom viel uit en het licht ging weer aan en ik sprak de hoop uit dat de protesten zouden aanhouden, dat ik wilde zien wat die mannetjes zouden doen als die stakkers gewoon bléven razen, maandenlang, en de stroom viel uit en het licht ging weer aan en dat hun arrogante houding het verdiende om te worden afgestraft door iets waar ze totaal niet op hebben gerekend namelijk: dat de stakkers zélf gaan geloven dat ze een verschil kunnen maken.
En mijn vriend knikte ingetogen en het gezin naast ons at in stilte voort en de stroom viel uit en het licht ging weer aan.

Oetlul.

Toen ik de trein opstapte zat er schuin tegenover de voor mij bestemde stoel een kalende man in een beige jasje een boek te lezen. Ik kon niet zien welk boek maar toen ik mijn spullen op mijn stoel neerzette, keek hij op, keek me recht in de ogen, en glimlachte op een manier alsof hij mij herkende of minimaal doorhad wat voor type ik was. Ik zal niet beweren dat het een minachtend glimlachje was maar het kon ervoor doorgaan, het hing af van de interpretatie en als je de interpretatie aan mij overlaat dan pakt dat voor zo’n glimlachje zelden gunstig uit. Kortom, ik vertrouwde de zaak niet. Op de stoel naast de mijne lag een grijze rugzak en een zwarte jas in een regenbestendige stof zoals veel van die North Face jassen hebben, typische backpacker jassen maar dan niet voor van die zweverige types maar verstandige, down to earth-backpackers met geld. Na een minuut of vijf kwam de conducteur. Ik wees hem op de spullen en zei dat ik niet wist waar de eigenaar was. En ook de conducteur lachte op eigenaardige wijze, keek naar de spullen en zei: ‘Die zal wel in de bar zitten. Hoop ik.’
Daarna liep hij verder, en je zal wel begrijpen dat ik de zaak daar niet méér van ging vertrouwen. De statistische kans is klein, dat weet ik ook wel, en ook geloof ik dat alles wat moet gebeuren uiteindelijk zal gebeuren, en ook las ik onlangs dat je nooit voor je angst moet weg lopen, maar dat je angst moet zien als het teken dat je de essentie van je leven nadert, en ook las ik onlangs dat onze angst voor de dood niet meer is dan de angst van het kind om de rand van het zwembad los te laten omdat het nog niet gelooft dat het water haar kan dragen, allemaal mooie gedachtes die ik graag wilde omarmen maar dan liever een andere keer, met name de keer waarop het honderd procent zeker zal zijn dat ik niet de oetlul ben die precies naast de bom is gaan zitten.

Leeg.

Ik ging naar de Boekenbeurs in Antwerpen voor een rondje kansloos signeren en ik stalde mijn fiets in de fietsenstalling bij de veerpont. Het was nog vroeg. Een half uur later en dit is een van de gevaarlijkste plekken van Amsterdam, met hordes fietsen en scooters die vanaf de veerboten nietsontziend het fietspad achter het station op stormen waar eveneens hordes fietsers en scooters rijden die doen alsof ze die veerboten helemaal niet zien, laat staan wie eraf komt gestormd.
Nu was het rustig, er stond één veerboot te wachten voor vertrek, er kwam helemaal niemand van een veerboot af. Voor die aanmeerplekken is een plein nou ja, niet echt een plein, gewoon, een open ruimte en ook die was helemaal leeg en toen ik de fietsenstalling verliet en naar het station liep, kwam van de ene kant een meisje op de fiets die de veerboot wilde halen en van de andere kant een man op de fiets die schijnbaar alle tijd had en ze troffen elkaar in het midden van die open ruimte, letterlijk. Ze probeerden elkaar te ontwijken. Dat deden ze heel onhandig, zwalkend naar links, rechts, tot ze in elkaar bleven haken en het meisje met bruuske bewegingen haar fiets van de zijne probeerde te rukken, haar nek uitgestoken in de richting van de veerboot, haar blik verbeten de blik van de man ontwijkend en die wiebelde op zijn beurt een beetje knullig met zijn stuur terwijl hij de trapper lokaliseerde die hen met elkaar verbond en uiteindelijk schoot het meisje naar voor, en de man fietste rustig verder en al die tijd was alles om hen heen leeg, en geen van beide zei ook maar één woord.

Gevaarlijk.

Elke dag fiets ik naar kantoor over de Czaar Peterstraat en dan achter Artis door, over het Entrepotdok en de Nijlpaardenbrug, voor Artis langs tot aan de Nieuwe Kerkstraat die ik rechtsaf insla en uitrij tot aan de Magere Brug die ik oversteek waarna ik meteen links- en rechtsaf sla, de Prinsengracht op die ik gedurende lange tijd blijf volgen en op dagen als deze, wanneer het flink waait, krijg ik op deze route waarop ik afwisselend in noordelijke, zuidelijke en westelijke richting fiets, dus ook de wind afwisselend mee, tegen en zijwaarts. Alleen naarmate ik dieper de stad ik trek, neemt het waaien ook af in kracht dus Jezus, Victoria, dadelijk ga je nog zeggen dat deze route is als het leven zelf, een al te voor de hand liggende beeldspraak - een misdrijf waarvan ik wel eens wordt beschuldigd, meestal door recensenten van onbeduidende hoog literaire bladen, geen mannen van middelbare leeftijd zoals onlangs in een opiniestuk beweerd, maar eerder jonge mannen met de uitstraling van mannen van middelbare leeftijd, en het bijhorende taalgebruik en de bijhorende belegen visie - terzake want soms, zoals vandaag, haal ik op deze route ook wel eens een vrouw in met een hond, altijd gevaarlijk, met name kleine vrouwen met kleine hondjes, ik preciseer, kleine vrouwtjes met kleine hondjes en een nét iets te grote neus, dat kan verschillende dingen betekenen waaronder zeker: goeie seks en een gebroken hart op niet al te lange termijn maarrrrrrrrr: u hoeft mij natuurlijk niet geloven.

MOET.

Nadat ik de kinderen had afgezet, stapte ik weer in de auto en reed naar het tankstation bij de molen. Normaal gezien gaan we altijd met de fiets naar school, soms gaan er weken voorbij waarin ik niet één keer in de auto zit. De eerste jaren dat ik in Nederland woonde, werkte ik in Delft en had ik wekelijks afspraken verspreid door het hele land. In die tijd leefde ik zowat in mijn auto, een prima bak trouwens, een zwarte Volvo V40 van de zaak, kortom een auto die de indruk wekte dat ik ertoe deed en waarin ik vaak druk gesticulerend telefoongesprekken voerde. Ik herinner me één bepaald gesprek, een zakelijk gesprek met de baas van een platenmaatschappij die tevens één van mijn beste vrienden is en hoe we op een bepaald moment door de telefoon tegen elkaar schreeuwden en tierden over iets volstrekt onbelangrijk, ik denk backstagepasjes. Dat was ongetwijfeld een van die momenten waarop ik besefte dat ik een leven leidde dat mij voor geen meter interesseerde. Alles was altijd maar belangrijk. Soms kom ik nog wel eens iemand tegen uit die tijd die tegen me zegt: hé donderdag speelt dit of dat bandje in het bovenzaaltje van Paradiso, kom je ook, het wordt top, hier MOET je echt bij zijn! En dan zeg ik altijd: ja, misschien, ik laat je nog weten terwijl ik denk: hier MOET ik helemaal niet bij zijn, want ik ben hier al honderdduizend keer bij geweest en toen bleek ook al telkenmale dat ik er helemaal niet bij MOEST zijn.
Ik tankte voor 50 euro. Je kan zeggen: wat maakt het uit, op de lange termijn betaal je toch voor elke liter die je verrijdt. En dat klopt.

Verschil.

Terwijl ik dit schrijf denk ik aan twee dingen. Ik denk aan de nationale betoging die vandaag in Brussel plaats vindt en dat ik graag één keer in mijn leven zou willen meemaken dat zo’n betoging iets zou veranderen, niet een beetje, maar radicaal. Revoluties zijn zeldzaam, althans in West-Europa toch, toch heeft elk land en volk een grens wanneer het erom gaat als een stel idioten behandeld te worden en als iémand het kan, dat volk over die grens duwen, dan is het de huidige Belgische regering wel, in die zin is zij een unieke kans om een verschil te maken, een écht verschil en ik hoop dat de betogers en stakers die kans pakken, ik hoop dat ze durven volhouden, de komende maanden en jaren.
En ik denk aan het water, dinsdagnacht, op de fiets naar huis, voor het eerst deze herfst handschoenen aan, voor het eerst deze herfst koude op mijn borst, en het water in het Entrepotdok, volledig roerloos, het gelige schijnsel van straatverlichting spelend in donkergroen en hoeveel zin ik had om in mijn bootje te springen en heel langzaam door die gracht te glijden en achter mij de rimpels in het wateroppervlak te zien verschijnen.

Schrijven, en verder niets.

Gisteravond stonden we met Waumans & Victoria in de Brakke Grond met een special rond Paul van Ostaijen en ik had er al een paar weken totaal geen zin in, sterker nog het leek me beter om dat hele Waumans & Victoria maar eens op te doeken. Genoeg met die flauwekul. Net zoals een ander, hogelijk geheim project waar ik momenteel aan werk en dat volgende maandag wordt voorgesteld op de Boekenbeurs – weg ermee! Om nog maar te zwijgen over dat ene kort verhaal waar ik vorige week nog enthousiast over was. Ja, lekker sfeertje hing er in mijn hoofd, dat zijn de betere weken, en dat meen ik serieus want als ik eenmaal begin met het vervloeken van de wereld om mij heen, dan is dit meestal het sein dat er iets ligt te wachten dat belangrijker is dan al de rest, en daar wil ik dan aan beginnen en hoe leuk al de rest ook moge zijn: al de rest zit in de weg.
De voorbije dagen was er nogal wat te doen over mijn uitgever De Bezige Bij Antwerpen. Heel wat mensen vragen mij wat ik ga doen, nu ik zonder uitgever zit – want zo zie ik het – en ik kan het nu ook wel zeggen wat ik ga doen namelijk: schrijven, en verder niets. (Ook is het vrijwel zeker dat als ik in de toekomst weer een contract bij een uitgever teken, dit niet op basis zal zijn van de kwaliteit van de koffie die ze daar serveren - hoi uitgevers, dit is een tip.)
Terug naar gisteren, Waumans & Victoria in een stijf uitverkochte Brakke Grond. Ik had er dus totaal geen zin in, was er helemaal klaar mee en Rob Waumans droeg een mouwloos kostuumvestje en een stropdas. Kortom. Het hoeft niemand te verbazen dat het een prachtige, prachtige avond werd.

Maar wat dan?

Ik was op een receptie en ik stond in de kantlijn van een gesprek tussen twee mannen die het over een aanslepend conflict in het Midden-Oosten hadden, en om daarnaartoe te gaan.
‘Ik ken wel iemand,’ zei de ene.
‘Ik ken ook wel mensen daar,’ zei de ander. Hij articuleerde nadrukkelijk en daarbij maakten zijn lippen grote gaten en dan sloten ze weer – alsof hij als kind was opgegroeid tussen liplezers. Het type man dat omhoog kijkt wanneer hij met je praat, de ogen gericht op een denkbeeldige ster aan de helblauwe hemel, en daarbij zijn handen in de schoot legt, ook als hij staat. Soms zie je mensen zijn blik volgen alsof het van belang is om datgene waar hij naar kijkt te kunnen zien, tenminste als je wil begrijpen wat hij zegt.
‘Je kan daar wel dingen gaan doen hoor, als je wil,’ zei de ene opnieuw. ‘Ik kan je in contact brengen.’
Waarop de ander van hem weg keek en het zaaltje scande: de gasten, de statige kasten gevuld met boeken, de fluwelen pakken, de champagneglazen die rinkelden. Alsof hij op zoek was naar zijn eigen gedachten. Misschien kon hij ze vinden in de sigarettenrook die vanuit de tuin door de openstaande deuren naar binnen waaide. Uiteindelijk, langzaam, begon hij te knikken.
Hij zei: ‘Zeker, ik zou daar dingen kunnen gaan doen. Zeker.’
Maar wat dan? Dacht ik. Wat hebben wij daar te doen dan?

Zwembad.

Ik reed met de meisjes naar het zwembad en zoals altijd wanneer ik rij bleek de provinciale weg naar Weesp opgebroken en ondanks het feit dat ik weet dat die weg wordt opgebroken wanneer ik naar het zwembad rij, had ik toch dezelfde uitrit genomen als altijd. Typisch.
Ik vloekte terwijl ik rechtsomkeer maakte. De meisjes keken onbewogen uit het raam. Ik vloekte harder, riep dat we te laat gingen komen, dat Lola welgeteld dertig seconden zou hebben om zich om te kleden en of ze zich dat realiseerde. Lola pulkte aan haar kousenbroek en knikte.
Ik duwde het gaspedaal in en draaide de snelweg op terwijl ik een alternatieve route zocht op mijn telefoon. We namen de volgende uitrit en kwamen in een desolaat industrieterrein terecht – grijze hangars van golfplaten, lege showrooms met grote ramen – waar ik gierend en schurend doorheen scheurde maar het bleef stil op de achterbank. Uiteindelijk kwamen we van een heel andere kant bij het kanaal en het golfterrein waarachter het zwembad ligt en ook daar baalde ik van want ik hou van die route over de Provinciale weg, de huizen aan de Vecht, met hun achtertuintjes die uitgeven op het water en hun steigertjes en hun bootjes, en in de laatste rechte lijn naar het zwembad toe staken we een moeder en haar dochter voor, op de fiets, een meisje uit dezelfde groep als Lola, ze fietsten zelfverzekerd en vrolijk en ik zag op mijn telefoon dat ik 7 minuten sneller had gereden dan voorspeld maar desalniettemin riep ik Lola tijdens het parkeren toe dat ze haar riem los moest maken en ik sprintte rond de auto met haar tas en rukte de deur open, duwde de tas in haar handen en zei dat ze exact dertig seconden had.
Lola zwom, ik las een boek, Lou speelde op de iPad. De moeder die we hadden voorgestoken zat aan de tafel naast de onze en las een boek. Ze leek ongelukkiger dan op de fiets.