Meestal droevig.

Ik stapte naar buiten en wachtte op de bovenste trede van de trap die naar de stoep leidt tot ik het geluid hoorde van de zware toegangsdeur die in het slot viel. We mogen niemand binnen laten die geen sleutel heeft, zo gaat dat hier, soms probeert er een slimmerik achter je rug naar binnen te glippen.
Het bleek een schitterende herfstdag te zijn. Ik werk op de tweede verdieping: mijn uitzicht bestaat deze dagen uit niets dan takken en verkleurende bladeren die het schaarse zonlicht filteren dat ’s ochtends door de statige ramen op mijn bureau valt. Daarom haat ik stormen. Eén echt zware herfststorm en al het geleidelijke en trage en verleidelijke van het wisselen der seizoen is overbodig geworden.
Ik liep in de richting van de Leidsestraat en kwam een vrouw tegen die mij deed denken aan een meisje uit de muziekscene dat ik leerde kennen bij een optreden van een band waarin ik speelde. Ze was stagemanager, ik geloof bij Lux in Nijmegen of Ekko in Utrecht, ze begon nors zoals de meeste stagemanagers maar na een grap of drie van onze bassist, kregen we extra bier. In de jaren daarna kwam ik haar af en toe tegen en dan glimlachte ze, meestal droevig. Kleine ogen, sierlijke neus, half lange haren die altijd tegen haar hoofd aanplakten alsof ze net haar muts had afgezet. Eigenlijk vrijwel identiek aan de vrouw die ik nu tegenkwam op weg naar de Leidsestraat maar toch was ze het niet, dat weet ik honderd procent zeker, daarvoor had ik die hele vrouw niet eens hoeven te zien.

In de Standaard over De Bezige Bij Antwerpen.

Het was een raar dagje gisteren. Om half acht 's ochtends werd ik bij het ontbijt gebeld en door een journalist van de VRT Radio op de hoogte gesteld van het verdwijnen van mijn uitgever. Daarna ging ik over tot het uitgebreid vieren van Lou Victoria, die drie werd. Tussen het zingen en chocoladecake eten door, deed ik wat bij Hautekiet, stond de VPRO Nooit Meer Slapen te woord, en schreef een opiniestuk dat vandaag in De Standaard staat. KLIK HIER.

Vanochtend stond ik op en ik wilde slechts één ding: schrijven.

In Hautekiet over De Bezige Bij Antwerpen.

Mijn uitgever, De Bezige Bij Antwerpen, dreigt te verdwijnen. Dit zei ik erover in De Minuut bij Hautekiet op de Vlaamse Radio 1 vanochtend:

Het is natuurlijk altijd supertof om uit de krant te vernemen dat je uitgeverij ophoudt te bestaan maar geloof het of niet: er zijn ook negatieve aspecten aan het verdwijnen van de Bezige Bij Antwerpen.
Men schrijft dat De Bezige Bij Antwerpen de enige echte literaire uitgeverij van Vlaanderen was. Een kandidaat voor understatement van het jaar: het is een van de enige uitgeverijen in de lage landen die zich nog met uitgeven bezig houdt zoals het is bedoeld: mooie boeken maken, met liefde, en aandacht en ambacht. Geen bandwerk van voorspelbare paperbacks die lijken te zijn geredigeerd met de Word spellingscontrole maar boek per boek, kijkend naar inhoud, vorm, bladspiegel, formaat, met mensen die van literatuur houden en – het is zeldzamer dan je denkt in de uitgeefsector – er ook echt iets vanaf weten.
In de krant zegt de WPG-baas dat ‘Men zich zal beraden over welke auteurs uit het fonds men aan boord houdt’. Bedankt voor het meedenken WPG-baas, maar dat zal ik toch echt zelf wel bepalen.

Annette.

‘Nog één keer slapen en dannnn…’
Lou keek me aan alsof we het er de voorbije weken totaal niet onophoudelijk over hadden gehad.
‘…is Lou jarig!’ riep ik.
‘Ja!’ zei Lou.
‘Hoeveel jaar is Lou dan?’
‘Weet ik niet.’ Ze haalde de schouders op.
‘Weet je wel,’ zei ik. En ik liet een vinger zien, en daarna nog een en zo telden we tot drie.
‘En dan is je feestje,’ zei ik.
‘Ja,’ zei Lou.
‘En dan komt oma. En nonkel Leon en nonkel Paul.’
‘En Annette, toch?’ vroeg Lou.
‘Ja natuurlijk, Annette ook.’
‘Annette gaat niet naar de crèche, toch?’
‘Nee gekkie,’ zei ik. ‘Annette is toch geen kindje?’
‘Neehee.’ Lou lachte. ‘Annette is groot, toch?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Annette is een grote mens.’
‘Ja, Annette is een mens,’ zei Lou. ‘En dus mag ze drinken.’

Oog.

Op weekdagen hebben we tussen negen en vijf een receptionist bij wie bezoek zich moet melden. Als je het gebouw binnenkomt zit hij met zijn rug naar je toe, links boven zijn hoofd flikkeren vier kleine monitors maar zijn blik is gericht op het computerscherm. Facebook, internetbankieren. Ik meen hem één keer patience te hebben zien spelen, op zijn smartphone.
Het is een wat oudere, rustige man. Een huisarts op pensioen. Let op leegstaande gebouwen om toch wat om handen te hebben. Wellicht. Elke ochtend, wanneer ik de receptie passeer, zeg ik ‘Goeiemorgen.’ En hij zegt ‘Goeimorgen’ maar echt van harte is het nooit. Soms zie ik andere mensen een praatje met hem maken. Ik vraag me af waar die praatjes over gaan.
Mijn fiets staat in de stalling aan de zijkant van het gebouw. Ik werk hier nu iets meer dan een jaar en in dat jaar is de stalling van achter uit langzaam overwoekerd geraakt met onkruid dat tot manshoogte is opgeschoten. Iedere keer wanneer ik mijn fiets er zet of haal, en ik dat onkruid wegtrek of plat trap, dwaalt zijn blik af van het computerscherm naar één van die monitors.
Vanochtend arriveerde ik vroeg, nog voor negen uur, maar hij was er al. Onder zijn linker oog zat een donkere streep. Het oog zelf traande, was rood en ongewoon klein, alsof het zichzelf in zijn gezicht had teruggetrokken of beter: iemand had het er in geslagen. Huisarts op pensioen. Let op leegstaande gebouwen om toch wat om handen te hebben. In het weekend: vechten in de kroeg.
’s Avonds, toen ik het gebouw verliet, was het oog volledig verdwenen. Op de plek waar het had gezeten, was alles donkerblauw.

Mooi.

Het meest geniet ik van de momenten dat het stil is in huis. Daarmee bedoel ik: dat ik de enige ben die er is, of de enige die wakker is.
Dat klinkt lullig voor de andere leden van het gezin. Misschien is genieten het verkeerde woord. Ik heb zo een moment per week, dat het stil is in huis, meestal in het weekend, op zondagochtend. Ik slaap uit tot ik de voordeur dicht hoor gaan en het ronken van de automotor is uitgestorven en het gegiechel van meisjes die stil proberen te zijn, is verstomd. Dan sta ik op, neem een douche en ontbijt uitgebreid met ei, spek, croissant, koffie, verse jus of een glas water met een bruistablet Supradyn. Daarna lees ik. Een boek of de krant en onderwijl zet ik muziek op, lekker luid. Een plaat die ik al lang niet meer heb gespeeld of gewoon: iTunes op shuffle. Er zijn dagen dat er dan de ene topsong na de andere voorbij komt en andere dagen dat ik me afvraag hoe ik in godsnaam zoveel troep bij elkaar heb kunnen kopen. Het is van geen belang. Ook met de muziek luid door de speakers – eigenlijk vooral dan – kan het erg stil zijn in huis.
(Wat ik ook mooi vind: een houten tafel vlak nadat iemand er met een vochtige doek overheen is gegaan.)

De onrechtvaardigheid.

Ik had gezien dat het pas ging regenen rond de tijd dat ik dit stukje zou gaan schrijven dus ik besloot toch maar met de fiets te gaan. Halverwege begon het te regenen. Ik vloekte, niet omdat de Buienradar het weer eens fout had gezien – dat soort woede is mij te banaal, sorry hoor – maar wel omdat ik moe was. De avond tevoren had ik tegen beter weten in naar een Europaleague wedstrijd gekeken, iets wat ik nu echt nooit meer ga doen, daarvoor hou ik te veel van voetbal, net zoals ik nooit meer naar live uitzendingen van de Eredivisie kijk omdat het 80% van de tijd niet om aan te zien is, zelfs de samenvattingen zijn vaak kantjeboord vanuit voetbaltechnisch-kwalitatief oogpunt, en de Europa League is nóg erger omdat daar niets op het spel staat, niets van wezenlijk belang, het is zo’n competitie die niets anders oplevert dan blessures en een aangetast zelfvertrouwen, maar goed toch had ik gekeken en nu was ik moe en begon het te regenen en daar baalde ik van want als ik moe ben, ben ik in staat om te gaan huilen als het regent op een moment dat het droog zou blijven, vanwege de onrechtvaardigheid.
Kortom. Het was nog stil in de stad. Winkels gesloten, straten leeg. Bij het oversteken van de Leidsestraat zag ik een vrouw op de fiets, een blonde vrouw met een nietszeggend gezicht, ze deed me denken aan een medewerker van een populair televisieprogramma waar ik al een paar keer bijna te gast in was en die ik al talloze malen heb ontmoet maar die ik nooit herken en iedere keer wanneer ze me vrolijk begroet, vraag ik opnieuw, oprecht beleefd en nieuwsgierig: ‘En wie ben jij?'

Bitch.

Vanochtend merkte ik dat de vuilniszak in mijn kantoortje onderaan was stukgebeten. Muizen. Dat verklaart meteen waarom de broodkruimels en andere etensresten die ik tijdens het lunchen op het vast tapijt mors altijd zo mysterieus verdwijnen terwijl ik hier toch echt nog nooit gestofzuigd heb.
Ik klikte Word open. Een voor een verschenen ze, de documenten die ik nooit sluit en die mij elke ochtend verwijtend aankijken en zeggen: schrijven, bitch. Ruw materiaal, een half kort verhaal, een bio voor een uitstekende rockband die vandaag af moet, een document dat ‘Poging tot synopsis’ heet. Nu ben ik graag hun bitch, daar heb ik voor gekozen, hetgeen mij doet denken aan een bizarre droom, enigszins erotisch getint, die mij vannacht overviel en waarbij collega’s betrokken waren, hoewel ik daar niét voor had gekozen en er ook niemand in die droom een bitch was. Nee, iedereen was zelfverzekerd en alles wat gebeurde was schokkend doch vanzelfsprekend. Nu nog, terwijl ik hier zit, spelen de beelden door mijn hoofd en kan ik mezelf zien, loerend op tederheid als een op bloed beluste dolle hond.
Ik schrok wakker om drie uur ’s nachts, het zou me niks verbazen als dat precies het moment was waarop die muizen zich een weg door mijn vuilzak vraten.

Ome Lex in De Morgen.

Vandaag in de boekenbijlage van De Morgen: een hele pagina over Ome Lex, de hoofdfiguur uit Gelukkig zijn we machteloos, en meer bepaald over de gelijkenis tussen Ome Lex en acteur Dirk Roofthooft. Dit alles in de rubriek Fictief personage, echt bestaan. Inclusief een geweldige illustratie door Brecht Evens die ik maar wat graag aan de muur van mijn werkkamer zou willen - misschien moet ik hem vragen aan Sinterklaas.

Spinnen.

Boven ons trommelen de slagregens op het dakraam, een complex ritme dat de melodie van het water ondersteunt dat door de goot naar het balkon stroomt. Ik lig op mijn rug, met beide armen langs mijn lichaam en de benen gestrekt, de ogen gesloten en ik denk aan het gat in het plafond in de gang dat de loodgieter eerder deze week heeft gemaakt. Hij had niks gevonden.
‘Alleen spinnen,’ zei hij. ‘Het zit daar vol met spinnen.’ Hij leek verbaasd. Ik had niet anders verwacht. Ik zie ze elke nacht. Ze kruipen tussen isolatiemateriaal en timmerwerk door, ze zitten in de spouw van de muur, het zijn er honderden, duizenden en indien niet, dan meer. Als je alle dode materialen in huis weg zou denken dan hield je ons vieren over, zwevend boven de vloer, omgeven door zwarte, krioelende, harige muren. Dat zou uiteraard schrikken zijn, zeker voor de poezen.
De regen valt. Er zit een gat in het plafond. De spinnen wachten nog slechts op het juiste moment. Ik draai me om, mijn hand landt op een arm. Ik besluit dat je ook zou kunnen zeggen: ze houden ons warm.

Favoriet.

Meestal ga ik al om half twaalf een broodje halen omdat het dan nog rustig is en er wellicht tijd is voor een praatje met de dames die de winkel runnen, vrolijke dames, en uiteraard heb ik een favoriet – wijs mij een klein gezelschap van dames aan en binnen luttele seconden zal ik er feilloos mijn favoriet tussenuit pikken en vervolgens zal ik er alles aan doen om ook haar favoriet te worden, dat zit nu eenmaal in mijn aard en volgens mij is er weinig mis mee, een kleinigheid misschien, soms, wie zal het zeggen.
Maar nu was het al na enen en de winkel stond ramvol en mijn favoriet maakte geen broodjes maar de sapjes – ik neem nooit een sapje zij het in de herfst wel eens een soepje – en de twee andere dames werkten snel en zwijgzaam, dat was ook al raar en de vierde, een nieuw Italiaans meisje, was boven de broodjes aan het bakken en stormde af en toe de steile trap af met een lading rosbief of kaas en de andere drie riepen dan simultaan, zonder op of om te kijken ‘Piano, piano!’ en inderdaad: het is een steile trap, bijna net zo steil als de onze thuis waar ik nu bijna drie jaar geleden vanaf flikkerde, mijn achterhoofd raakte met een droge klap de vijfde trede en daardoor weet ik nu precies weet hoe lang ik kan typen voordat de hoofdpijn in zet – handig voor mij maar verder heeft er vrijwel niemand iets aan.

Raar.

Het aperitief was ingeschonken en er was op de gezondheid van de gastvrouw geklonken toen iedereen naar mij keek en iemand zei: ‘Amai. Jullie hebben het goe vlagge daar in Nederland hé, met die Zwarte Piet-discussie. Hohoho.’
‘Ja,’ pikte een tweede in. ‘Wadisdazeg? Gelukkig hebben wij daar hier geen last van.’
‘Ongelofelijk,’ volgde de derde. ‘Terwijl iedereen toch weet dat Zwarte Piets zwart ziet van het roet en…’
Ik hief mijn hand op, ik reageerde razend snel, op mijn erewoord. Ik wilde nog roepen: pas op, het is net als wanneer je je huis verkoopt; zodra je inhoudelijk ingaat op de argumenten van de bieder, kan de prijs nog maar een kant op: omlaag. Maar het was te laat.
Na twintig minuten viel er een stilte en ik zei: ‘Jullie hebben nu een Zwarte Piet discussie.’
De stilte werd dieper, stiller – als dat kon. Er viel werkelijk niets te horen, alleen maar het geluid van hout op hout, de blokjes waarmee Lola en Lou speelden aan mijn voeten, op de parketvloer, die blonk.
Op de terugweg naar huis wees ik naar weilanden aan onze rechterzijde en de lucht die er boven hing als een zwevende plas rode verf waarin iemand druppels wit had laten vallen.
 ‘Wow,’ zei Lola. ‘België is een raar land.’

Brug.

Bovenop de Magere Brug hield ik halt. Ik fiets er elke ochtend overheen, op weg naar werk, meestal nietsontziend maar er zijn van die dagen. De sluizen ter hoogte van Carré lagen er onbewogen bij, in sluiers van mist, waardoor ze niet langer meer een vakantiefoto waren van een Japanse toerist maar een oud en breekbaar schilderij, seconden voor het definitief verkruimelt.
Ik leunde met beide armen op het stuur, in gedachten verzonken, maar zonder dat er een werkelijke, concrete gedachte vorm kreeg. Er cirkelden een paar boten over het water, tenminste, vage silhouetten die mogelijk wezen op iets wat echt bestond – boten? – maar mogelijk, of net zo goed, niet. Zij wachtten tot de sluizen open zouden gaan en zo raakten ze me aan, als geruchten of het schijnsel van de sterren maar ik, ik wachtte op het schijnsel van de zon en wanneer die verdwenen mocht zijn en de bol om redenen die ons nog lang zouden bezig houden niet langer meer zichtbaar bleek, dan wachtte ik wel op de felle leegte in de hemel.

Vet.

’s Ochtends loopt Lola door de woonkamer, over en weer, staat stil voor de televisie, zwaait naar haar eigen beeltenis in het donkere scherm.
Ik zeg: ‘Wat doe je?’
Lola zegt: ‘Ik speelde dat ik dacht dat ik een inbreker zag en toen belde ik de politie en de politie zei: nee hoor, dat is alleen maar je spiegelbeeld.’
En ze loopt naar me toe, leunt tegen me aan, duwt met haar hoofd tegen mijn schouder als een poes, neemt het boek dat ik aan het lezen ben, slaat het open op een willekeurige pagina en begint luidop voor te lezen. Een scène waarin een kat wordt gewurgd en opgehangen.
De avond valt, de kinderen kijken Paw Patrol.
‘Wow papa, dit is een heftige film,’ zegt Lola.
‘Gewoon heftig?’ vraag ik. ‘Of mega super vet heftig?’
‘Dat vet heb je van mij,’ zegt Lola.

Pastiche.

Om mij heen de rekken en blikken en flessen en de mensen en het licht, dat op mij drukt en de woorden die de mensen spreken, de verdichting van klanken, steeds meer klanken die mij verdrukken en waar ik mijn weg doorheen baan met dat karretje, onzeker metaal op dunne wankele wielen, de lege boodschappentas aan het haakje, bungelend, opgehangen als een dode kat en bij de kassa staat een vrouw met een mandje, een oranje mandje dat aan haar arm bungelt, ophangen, let op, hier ontstaat iets, een verbinding van enige soort en haar dochter staat naast haar, bleek, jong, verwijderd van haar moeder, ze staan vlak naast elkaar maar toch is er afstand, zie ik de afstand, de frisse jonge vrouw, de moeder met een gezicht, zo zwaar opgemaakt dat het aan haar schedel lijkt te zijn opgehangen, ze staat naast me maar niet in de rij en ze maakt een beweging naar voren, het is een manoeuvre, een bewegen naar de kassa toe waarboven pancartes hangen met reclame aan touwtjes, opgehangen, opgehangen, hier begint zich iets te formeren, er ontstaat een verbinding, de tas aan mijn karretje, het mandje aan haar arm, het gezicht aan haar schedel, de pancartes aan de touwtjes en de vrouw die me aankijkt en zegt: ‘Ik probeer niet voor te dringen hoor!’
En ik zeg: ‘Hoezo? Hoezo probeert u niet voor te dringen?’
Ze kijkt me aan, verbijsterd. Om ons heen komt alles tot stilstand. De mensen, het licht, de rekken, de blikken, de flessen, de klanken, de lippen. Niets kan de stilte overstemmen.

Vijand.

‘Zo, dus we hebben een nieuwe vijand?’ vroeg Liefje bij het ontbijt. Ik las de krant. Ik lees altijd de krant bij het ontbijt, al mijn hele leven, maar pas sinds ik het op een iPad doe krijg ik er af en toe een opmerking over. Nochtans is de krant lezen bij het ontbijt een grondrecht van de Westerse man, zoals iedereen weet. (En als de vrouwen het willen, kunnen ze het ook krijgen. Zo moeilijk ben ik in die dingen niet.) Dus ik zei: ‘Zo, ben je daar nu al achter?’
‘Nee hoor,’ zei Liefje. ‘Ik wist het al.’
Ik las verder in de krant.
‘Goed hé,’ zei Liefje.
Ik keek op.
‘Een vijand hebben. Goed toch? Daar worden de mensen gelukkiger van.’
‘Ga je nu bij het ontbijt zitten filosoferen?’ vroeg ik.
‘Nee hoor,’ zei Liefje.

Waterig.

Ik stond bij de kassa van de bio supermarkt, en ik begon uit te laden. Achter mij stonden twee mannen van een jaar of vijftig in nette overhemden die op de een of andere manier toch een slordige indruk maakten, en eentje vroeg aan de jongen achter de kassa: ‘Verkopen jullie ook sigaretten?’
De jongen schudde het hoofd en scande mijn boodschappen terwijl de twee mannen overlegden.
‘Misschien in die kroeg? Misschien verkopen ze daar sigaretten?’
Ik laadde in, rekende af en liep met mijn karretje naar buiten. Het had de hele middag geregend maar nu brak de zon door en ik dacht aan de woonboten die aan de overkant van de straat, verborgen achter de hoge berm, bij de sluis in het IJ lagen en hoe fijn het zou zijn daar nu op het dek een kopje koffie te drinken. In de auto naast de mijne zat een gezette, bleke, zwetende, ongeschoren man die mij met zijn waterige oogjes door het open raampje gade sloeg alsof hij iets van plan was. Tegen de tijd dat ik de boodschappen in de koffer had geladen, kwamen de twee mannen aanlopen, ze stapten in bij de zwetende man, en de ene zei: ‘Geen sigaretten. Misschien bij die kroeg. Is je shag al op?’ En de ander droeg het plastic tasje waarin de boodschappen zaten die ze na mij op de lopende band hadden gelegd: drie zakken chips, een literfles Coca-Cola Zero en een flink uit de kluiten gewassen stronk broccoli. De zwetende man bewoog niet. Hij keek nog steeds uit het raam, naar mij, en dat bleef hij doen, tot lang nadat ik was weg gereden en de zon alweer verdwenen was, en de regen hard op het dakraam van onze slaapkamer sloeg, veel harder dan nodig was om mij wakker te houden.

Zomers.

Het tankstation is al enige tijd een Carrefour express en naast het gebouw is een kleine speeltuin waar Lou en ik naartoe lopen terwijl de anderen boodschappen doen. Ik heb nooit eerder het wandelpad opgemerkt dat vanaf dat speeltuintje vertrekt en naar ik vermoed uitkomt in de achterliggende woonwijk. Vroeger liep dat pad door de enorme tuin ernaast die ik rechtop staand op de ladder van de glijbaan kan zien – het is de tuin van mijn jeugd. Ik sleet er zomers die zo lang waren dat sommige ervan nog steeds voort duren.
In die jaren stond het grote gietijzeren hek aan de achterzijde altijd open, en ook het hek aan de voorzijde, in de woonwijk, was nooit op slot. De wijkbewoners hadden officieel het recht om dwars door de tuin te wandelen of te fietsen en zo de route van de woonwijk naar de drukke weg af te snijden en er waren best wat mensen die van dat recht gebruik maakten, soms zag je al fietsend over het gras het gezin eten op het terras en dan zwaaiden ze. (Er is een naam voor dat soort weggetjes maar ik kan er niet op komen.)
Ik kijk vanaf de glijbaan over de heg. Ik kan het huis zien liggen. Het grasveld waarop wij voetbal speelden. Ik herinner mij de vader die een penalty van me stopte – hij overleed kort voor de mijne. Achter het grasveld ligt de moestuin waar hij fruit en groente teelde en waar wij vuur stookten in een grote put, en daarnaast de kippenhokken, en daar schuin tegenover de oude duiventil; ons eerste repetitiekot. Dat kot staat er nog steeds, tot mijn verrassing. De boom waar wij een hut in hadden gebouwd leunt half over de heg die aan het speeltuintje grenst, alsof hij moe is. We maakten pijlen van populierentakken en slepen daar scherpe punten aan en daarna belegerden we die boomhut met pijl en boog. Ik weet nog dat ik op een van de broers schoot en dat de pijl vlak naast zijn hoofd insloeg en trillend in de stam bleef steken – het laatste wat ik van die jongen heb gehoord is dat hij nu in Amerika woont en werkt en het is maar de vraag of dat ook het geval was geweest als ik die dag nog beter had gemikt. Lou glijdt naar beneden. De boodschappen zijn gedaan. Ik rij de auto achteruit de parkeerplaats af. In de spiegel zie ik het grote gietijzeren hek. Dicht.

De ochtenden.

Dit is hoe de ochtenden verlopen. Ik sta op om kwart voor zeven en neem een douche. Ik zet koffie en lees de krant. Rond twintig na zeven zit iedereen aan tafel en eet. Soms wordt er gezongen. Buiten is het alweer donker maar binnen is het licht en alles verloopt rimpelloos en ontspannen. Ik smeer de boterhammen. Er wordt gespeeld, pyama’s landen op de bank, boven hoor ik het snorren van een tandenborstel of het blazen van de haardroger.
Dan, rond acht uur, sommeer ik iedereen naar beneden. Dat bevel is het startschot waarop alle deelnemers zo traag mogelijk uit de startblokken kruipen, in een onverbiddelijke slow motion.
Liefje zegt wel eens, ’s nachts, wanneer we naast elkaar in bed liggen en naar het plafond staren, ze zegt wel eens dat ik ’s ochtends misschien iets rustiger zou kunnen zijn en niet iedereen zo moet opjagen. Maar met mij is niets aan de hand. Ik jaag niets of niemand op. Ik beweeg constant en evenwichtig op hetzelfde tempo, relaxed, volkomen ontspannen. Het is die even plotse als eindeloze slow motion om mij heen die maakt dat ik er gehaast uit zie. Maar ik ben niet gehaast, ik wil op tijd komen uiteraard, zoals iedereen, ik ken de minuten en de mogelijkheden en beperkingen die ze in zich dragen, ik monitor de vorderingen, ik waak voor de valkuilen, maar ik ben niet gehaast, niet gestresseerd, ik jaag niemand op. Ik schreeuw niet. Het zijn de ánderen die steeds trager en stiller worden, die sluipen en zich verbergen of roerloos houden, als nachtdieren, totdat ze, wanneer het onherroepelijke uur slaat, totaal onzichtbaar zijn geworden en ik alleen achterblijf en dan lijkt het mogelijk alsof ik schreeuw.

Nieuw kort verhaal, Ons erfdeel.

In de Vlaamse app E-boeken in de bib is sinds kort gratis een nieuw kort verhaal van mijn hand te lezen met de titel Sterk ruikende verpakkingen. Ikzelf vind dat een van mijn sterkste titels tot op heden, maar dat zegt niets over de kwaliteit van het verhaal ben ik bang. Of wel. Nu ja, je kan het dus lezen.

In het laatste nummer van Ons Erfdeel stond nog een nagekomen recensie van Dieven van vuur. Een prima, uitstekend onderbouwde recensie overigens, wat dat betreft misschien wel de beste analyse die u van Dieven van vuur kan lezen (en dan heb ik het niet over het waardeoordeel, dat tot mijn genoegen wel positief is: ‘Een complexe, intrigerende en belangwekkende roman’.)

Kringetje.

Terwijl ik buiten onder een afdak van een schouwburg in Rotterdam stond te roken met een beroemde schrijver die zich bij het horen van mijn naam knikkend richtte op een onduidelijk punt in de verte en het hele verdere gesprek lang geduldig bleef informeren naar alledaagse dingen, kwam de zomer tot een einde.
Het Schouwburgplein verzoop in driest water en ik dacht aan de volgende ochtend en hoe Liefje mij zou vertellen hoe ze tot laat in de middag op de stoep had gestaan met witte wijn en de buren en hoe de laatste strakke zonnestralen zichzelf met doodsverachting op onze straat hadden gestort terwijl de kinderen over de stoep dwarrelden.
De volgende dag zaten die kinderen bij ons thuis in de woonkamer te spelen. Lola moest huilen. Daarna gingen ze toch naar buiten, doen alsof alles een vergissing was. Na een uurtje stond Lola voor de deur, te huilen. Daarna ging iedereen in bad en daarna moest iedereen uit bad en Lola moest huilen en iedere keer zei ik dat dit geen reden was om te huilen, hetgeen klopte, en zij zei: ‘Dat moet je niet zeggen, je moet me troosten!’ En dat klopt ook.
Tot slot gingen we aan tafel. Iedereen was moe, buiten pakten de wolken zich samen om het allemaal nog eens flink te onderstrepen en Lou wilde alleen eten als mama haar handje vast hield en dat wilde mama niet, wilde mama niet, wilde mama niet en toen wilde ze het toch en zodra ze het deed, begon Lou te zingen: ‘We maken een kringetje van jongens en van meisjes, we maken een kringetje van tralalalala.’

Honger.

Donderdag moet ik naar Antwerpen voor een fotosessie ter meerdere eer en glorie van de Boekenbeurs special van Het Nieuwsblad. Ik vertrek rond 17h20. De fotosessie is om 19h00. Om 21h30 heb ik de trein terug. Mijn grootste zorg in deze kwestie is: eten. Wanneer zal ik eten. Hoe vaak zal ik kunnen eten tussen 17h20 en 22h42, wanneer ik terug in Amsterdam arriveer.
De laatste twee maanden heb ik onafgebroken honger. Het is geen trek. Wanneer ik niet voldoende eet, word ik misselijk, begin te zweten, en kom in een mentale staat van zijn die alleen nog gericht is op het vinden van voedsel, ten koste van alles en iedereen die zich mogelijk als hindernis in deze zoektocht presenteren en ik kan je verzekeren dat dit precies is wat alles en iedereen zijn: hindernissen. Gezellig word ik er niet van.
Ik smeer Rob Waumans-stylee ’s ochtends mijn eigen boterhammen en neem ze mee naar kantoor als back-up voor het delicieuze broodje rosbief dat ik ’s middags haal. Ik eet twee appels per dag; een net voor en een net na de lunch. Rond vieren ren ik nog snel kantoor uit en haal een gevulde koek of een crême bol (zo heten ze niet maar zo noem ik ze want dat is wat ze zijn: bollen gevuld met crême en bestrooid met poedersuiker maar dat is te omslachtig om in de naam te verwerken). Wanneer ik rond vijven naar huis fiets, begin ik kilometers voor de finish te zweten, word misselijk, vervloek iedereen en alles om me heen want: hindernissen. Ik kom niet aan. Een vriend zei: ‘Als deze situatie eind van dit jaar onveranderd is, dan moet je me bellen, ik heb hier mogelijk een mannetje voor.’ Dat is mooi. Maar wanneer ik honger heb, ben ik niet in staat een gesprek te voeren.
Kortom. Ofwel bedenk ik hier een oplossing voor. Ofwel zou het donderdag wel eens een hele, hele rare fotosessie kunnen worden.

Negotiëren.

Zaterdagavond was ik op het Geen Daden Maar Woorden Festival in Rotterdam waar ik samen met Douglas Firs optrad. Het was een mooi optreden, met een aandachtig publiek en een goeie intense sfeer, en achteraf dacht ik aan wat ik enkele dagen eerder, buiten op het terras van een café met zicht op donker water dat danste in het licht van de maan en aan de overkant het schiereiland waarop ik woon, nog met een vriend had besproken, namelijk, dat het misschien tijd werd om wat kieskeuriger te worden met die optredens, in de goede zin: alleen nog dingen doen die echt mooi kúnnen zijn. Dat was ook waar Gertjan van Douglas Firs en ik het tijdens het avondeten voorafgaand aan de show over hadden gehad, de verleiding om overal aan mee te willen doen zonder dat het iets uitmaakt terwijl het er juist om gaat niet overal aan mee te willen doen maar wel iedere keer het verschil te maken of op zijn minst het gevoel te hebben dat dit tot de mogelijkheden behoort. En misschien ben ik dat de voorbije jaren wat uit het oog verloren en daar was het weer, het verlangen om alles, ALLES, anders te gaan doen.
Zondag belde ik met een vriend van vroeger om te praten over de toekomst. Op school was hij bij verre de beste en alleszins de meest bevlogene wanneer in de lessen Nederlands boeken werden besproken en hij moeiteloos de betekenislagen bloot legde van teksten die mij toen nog niets interesseerden en terwijl ik hem nu hoorde praten aan de telefoon, met kennis van zaken en autoriteit op een totaal ander domein – op een bepaald moment gebruikte hij het woord negotiëren – realiseerde ik mij dat ik altijd had gedacht dat hij de schrijver zou zijn.

Harder.

Wanneer we haar zus hebben afgezet, lopen we samen naar de speeltuin die naast de muziekschool gelegen is en ik vraag aan Lou of ze willen schommelen en ze zegt: ‘Ja, ik wil harder!’
Ik duw haar, steeds harder, en ze giechelt tevreden, haar beentjes gaan zo hoog als de lucht. Iets verderop komen een vijftal jongens van een jaar of veertien de speeltuin binnen met hun fietsen, ze beginnen rondjes te rijden langs de speeltuigen en om het huisje van de beheerder die er niet is. Een moeder zegt er wat van, het klinkt alsof ze zegt dat dit niet mag, wat ook zo is, maar de jongens blijven fietsen en ik voel de neiging opkomen om er ook wat van te zeggen. Ik kijk niet langer naar Lou, maar naar de jongens, vanuit een ooghoek zie ik de schommel op en neer gaan en om de seconde of wat voel ik haar rug tegen mijn hand, die duwt, terwijl de jongens steeds harder fietsen, en er eentje lacht, en een ander valt, en nog een ander rakelings langs een meisje scheert dat naar de wipwap dribbelt en ik hoor een kinderstem die mij bekend voorkomt roepen: ‘Ik wil HAR-DER!’ en soms, heel soms, vraag ik me af of ik beter ook niet wat harder zou moeten willen.

Hand.

Lola was boos op me en Liefje zei dat ik het moest uitpraten. Ik ging op de rand van het bed zitten, streelde haar haren en kietelde haar in de zij en ze begon onmiddellijk te lachen. Ik zei: 'O maar je bent niet boos.' Meteen begon ze te huilen. Ik bleef haar haren strelen, en praatte rustig op haar in en uiteindelijk zei ze wat haar dwars zat. Ik zei: 'Sorry daar heb je gelijk in, dat had ik niet moeten doen.' En terwijl ik dat zei, en met mijn rechterhand haar haren bleef strelen, zag ik ineens iets groot en harig naast haar schouder liggen, vleeskleurig en roerloos, een ding, een beest, een monster wellicht dat ik niet kon thuis brengen en dat ook niet in dit bed leek te horen, niet in het bed van een meisje met verdriet – dat was mijn linkerhand.

Verlanglijst.

We kwamen thuis van de naschoolse opvang en Lola zei dat ze die middag aan haar verlanglijst voor Sinterklaas was begonnen en ze toverde een afgescheurd stuk papier tevoorschijn waarop ze in potlood had geschreven en ze vroeg of ze haar lijst mocht voorlezen. Ik zei: nu even niet, doe dat straks maar. Veel had ik die dag niet gedaan op kantoor. Een paar verplichte klusjes waardoor de rest van de weekagenda nu maagdelijk leeg was en ook de weken daarna lijkt er tijd te zijn, grote witte vlakken vol tijd, en dus mogelijkheden, en dus verplichtingen. Zo werkt dat in mijn wereld. En het was over die verplichtingen, die ik welbeschouwd niet heb, enkel aan mezelf (en dat is pech want ik ben wellicht de vervelendste knakker aan wie een mens dingen verplicht kan zijn) dat ik de rest van de dag had zitten piekeren terwijl ik ongeconcentreerd een boek las dat nochtans in deze kwestie van nut zou kunnen zijn. Ik begon de bak van de fiets uit te laden, mijn tas, Lola’s rugzak, mijn jas, ik zette de fiets binnen, tilde de kleinste uit haar zitje, duwde Lola’s fiets naast de auto, bedacht wat ik dadelijk voor die twee bandieten zou gaan koken en tegen de tijd dat ik de sleutel in de voordeur stak hoorde ik Lola nog net, triomfantelijk en ter conclusie, zeggen: ‘En een knuffel pinguïn.’