Brugge.

Tijdens het interview voelde ik me moe en leeg, een staat van zijn die er meestal toe leidt dat mensen achteraf zeggen dat het fijn is dat ik zo ‘bedachtzaam’ praat en altijd ‘rustig mijn tijd neem’ vooraleer een vraag te beantwoorden hetgeen een kwaliteit schijnt te zijn, maar toen begon ik plots te vertellen over die kwestie die mij ’s nachts, op klassieke wijze starend naar het plafond, liggend op de veel te harde matras van het hotelbed had wakker gehouden, iets wat ik normaal gesproken nooit doe, over het algemeen weet ik prima hoe ik een publiek kan entertainen zonder iets van mezelf te laten zien, ik weet hoe ik een charmant ogende grote mond moet opzetten en nu vroeg ik me plots af waar de ik gebleven was die in vroeger dagen altijd en overal een charmante grote mond op had, en meteen daarna werd ik bang dat die ik voor altijd verdwenen was, net als die dagen, en dacht ik aan het raam van de hotelkamer dat ik bij aankomst had gesloten en waarvoor ik was blijven staan, niet op klassieke wijze naar buiten starend maar naar het raam zelf, een glasplaat in een oude camera waarop langzaam contouren zichtbaar werden en hoe ik dacht: als ik lang genoeg stil blijf staan, zal ik mezelf zien.

Rechtsaf.

Voor mij fietste een jonge Chinese vrouw, stijf rechtop, met beide handen stevig aan het stuur. Wat verderop moest ze rechtsaf; heel even, en heel snel, liet haar rechterhand het stuur los en maakte een korte beweging naar rechts, die niet meer dan een seconde duurde maar in die seconde, van zodra de rechterhand het stuur had losgelaten, begon de fiets onmiddellijk vervaarlijk te zwalken, en dat zwalken ging nog meters door, ook nadat de hand het stuur al lang weer stevig beet had en ik moest denken aan Lola die een dag eerder, toen we van school naar huis fietsten, vol trots had geroepen dat ze met één hand kon fietsen en dat op precies dezelfde wijze had gedaan en op precies dezelfde wijze was gaan zwalken, alleen moesten wij niet naar rechts afslaan maar gewoon rechtdoor, en de hele verdere weg naar kantoor lang zag ik overal mensen hun rechterarm uitsteken, en ook het meisje dat in het midden van de weg tegen de richting in op mij en een stuk of wat toeterende auto’s kwam af gereden, heel langzaam, bijna surplacend, met onbewogen gezicht, alsof alles wat er in haar leven te beslissen viel al lang was beslist en het verder helemaal niets uit maakte wat ze nog zou doen of zeggen omdat er niemand op haar wachtte of naar haar zou luisteren behalve mensen die haar niks konden schelen, zo’n blik, welnu, ook dat meisje stak haar rechterarm uit.

(mvs).

Ik kwam aan op kantoor, zette het raam open, verbond mijn laptop met alle daartoe bestemde apparaten in de ruimte en zette de nieuwe Alt-J op. Die begint met een a capella intro. Niemand had mij dit verteld. En ook had ik tot nog toe niemand gehoord of gelezen die naar aanleiding van de nieuwe Alt-J over de Flying Pickets begon, terwijl mij dat een welverdiende straf lijkt, voor beide bands.
Nu lees ik niet meer zo vaak cd-recensies of interviews met bands, ik weet eigenlijk helemaal niet hoe het met de muziekjournalistiek is gesteld maar ik weet wel dat ik vroeger het meest genoot van recensenten die een verschil konden of beter, wílden maken. Ik ben altijd een liefhebber geweest van de eigenzinnige loftrompet én de goed geschreven, vileine afkraakrecensie. Daar schijn ik alleen in te staan, zeker onder schrijvers is het niet bon ton om te genieten van iemand die zijn volledige stilistisch vermogen in dienst stelt van het met de grond gelijk maken van een boek. Nochtans kan dat zeer mooi zijn. Ik heb zelf de nodige kutrecensies mogen ontvangen in mijn leven en ik heb van elk van die recensies kortstondig maar stevig gebaald. Daarna resteerde slechts de teleurstelling over het niveau van de tekst. Met uitzondering van een paar hilarische sneren van Marc Van Springel in Humo, back in the day. (Voor de liefhebber: Humo duikelde die recensie weer op naar aanleiding van het verschijnen van Dieven van vuur, te lezen onderaan dit interview.) Zeker voor een schrijver is een nog grotere belediging dan slecht gerecenseerd worden: slecht geschreven slecht gerecenseerd worden. Marc Van Springel schrijft volgens mij al een tijdje niet meer voor Humo, ik weet eigenlijk niet waar hij uithangt, maar om nog even terug te komen op de nieuwe Alt-J: hij zou er volgens mij wel raad mee weten.

Een al te pragmatische benadering is van de kwestie.

’s Middags kocht ik wederom een broodje bij de broodjeszaak. Mijn lievelingsserveerster zong en floot. Ik vroeg waarom ze zo vrolijk was. Ze haalde giechelend de schouders op en zei dat ze altijd zong en floot. Ik zei: ‘Niet wanneer ik binnen kom.’
En ze giechelde opnieuw, smeerde mijn broodje, een waarlijk fenomenaal broodje rosbief als u het graag wil weten en anders ook, en ging gewoon door met zingen en fluiten. Naar mijn idee iets luider ook.
Ik rekende af en liep terug naar kantoor. Op de brug stond een stelletje en ze namen een selfie met zo’n stick, je weet wel. Ik bleef staan kijken vanop een afstandje, volgde met mijn ogen de stick die de lucht in ging en ondertussen vroeg ik mij af hoe ik kon vermijden dat ik moe zou worden. Niet uit luiheid maar om te voorkomen dat de wereld te klein wordt. Ik veronderstel dat ik zou kunnen beginnen met iets te doen aan de afvoerpijp boven onze slaapkamer die mij vannacht wakker hield met aanhoudend, angstaanjagend regelmatig druppelen op het zinken dak, alsof de wereld zelf ook wel doorheeft dat hij aan het krimpen is en mij urenlang op de schouder bleef tikken ter waarschuwing maar ik vrees dat dit een al te pragmatische benadering van de kwestie is. We zullen zien.
De stick daalde neder. Je ziet hem tegenwoordig overal in Amsterdam, vooral bij de wat welgesteldere jonge toeristen heb ik de indruk hoewel, later, op de weg terug naar huis, zag ik zelfs een bejaarde vrouw met zo’n idiote selfiestick in de weer, midden op de weg. Nu zullen we het krijgen dacht ik en duwde de trappers stevig naar beneden terwijl ik enige gedrag corrigerende maatregelen in overweging nam. Eenmaal op haar hoogte aangekomen bleek het om een fluo paarse kruk te gaan. En toch.

Bugatti boven water.

Vorige week las ik Bugatti boven water van Dea Loher. Op vakantie had ik een interview met haar gelezen in een oude Vrij Nederland. Daar had ik blijkbaar een notitie van gemaakt en die notitie was ik na thuiskomst weer tegen gekomen.
Dea Loher is een Duitse auteur, vooral theater. Ik was verondersteld haar te kennen, op die toon was het artikel in Vrij Nederland geschreven. Bugatti boven water is erg goed. Nooit voorspelbaar, nergens krampachtig – een combinatie die je zelden tegen komt. Intens ook; soms moest ik aan Hertha Müller denken. Opnieuw maakte ik notities. Opnieuw was het een kort boek. Het ding met korte boeken: ze lijken zo simpel. Achterin Bugatti boven water staat een verantwoording waaruit blijkt dat Dea Loher vreselijk veel werk in dat boek heeft gestoken. Honderddrieëndertig pagina’s (in epub format). Vreselijk veel werk. Het is vaak moeilijk uit te leggen.
Momenteel lees ik De geschiedenis van de liefde, van Nicole Krauss. Ondertussen orden en verzamel ik materiaal voor vier verschillende ideeën. Of vijf. Ik doe het ongeconcentreerd, wip van de hak op de tak, ben ongedurig, wil beginnen schrijven, weet dat dit heel dom zou zijn. Denk: dit wordt een fabelachtige mozaïekvertelling. Denk: dit worden vier aardige novelles waar niemand ene fuck om zal geven. Lees in De geschiedenis van de liefde: accepteer nooit de dingen zoals ze zich aan je voordoen. Denk: wat het ook wordt, dit wordt vreselijk veel werk. Geen probleem.

Totsi.

’s Ochtends zei Lou Victoria: ‘Ik luistert niet naar jou.’
‘Hoezo?’ zei ik.
‘Ik luistert wel naar jou,’ zei Lou. ‘Als jij boos is!’
‘Nou, lekker dan,’ zei ik.
We fietsten naar school en crèche en ergens halverwege begon mijn fiets te piepen. Nog geen twee weken geleden liet ik hem herstellen. ‘Iets in de achterwiel,’ had de fietsenmaker gemompeld en ook nu leek het geluid uit mijn achterwiel te komen, het geluid van metaal op metaal. Mijn fiets kraste en krijste. Vijf jaar oud is het ding nu, ik kreeg hem van mijn toenmalige uitgever, bij het verschijnen van mijn debuut. De fiets was deel van hun contractvoorstel, maar ook zonder die fiets had ik wel bij hen getekend en dat zou ik nu ook weer zo doen. In die vijf jaar schreef ik drie romans. Dat is te veel. Dat zou ik niet meer zo doen.
Krassend en krijsend fietste ik naar de C1000 en kocht er de basisbenodigdheden van elk jong gezin: melk, toetjes, een sixpack Jupiler. De dag op kantoor verliep rustig en zonder noemenswaardige calamiteiten of het moest het tosti-apparaat zijn dat de jongens die verderop in de gang zitten in een klein kamertje schuin tegenover mijn werkkamer hebben geïnstalleerd. Ik weet niet wat voor zaken die jongens doen, maar er moet heel veel over getelefoneerd worden terwijl ze voor mijn deur op en neer lopen en ook moeten er tosti’s bij gegeten worden. Totsi’s, zoals Lou Victoria zou zeggen. Maar de totsi’s die wij thuis maken, op woensdagmiddag, die stinken niet.

Leidsestraat, kwart voor negen.

De schoonmaakploeg was nog maar net vertrokken toen ik de Leidsestraat in liep. Er hing vocht in de lucht. Bij de tramhalte stond één vrouw te wachten, mascaravegen op haar wang. Alleen Starbucks was al open. Voor mij stonden toeristen, achter mij een gezelschap van vier heren, alle vier in zwart pak met wit overhemd, zonder das en zonder zichtbare vreugde. Ze werden aangevoerd door een vrouw van een jaar of zestig, opgestoken gouden haren, een zwart met beige jurk, type cocktailparty, maar dan een sombere cocktailparty, misschien een cocktailparty van iemand die zijn eigen begrafenis had gepland en bedacht had dat dit leuk was om te doen na afloop van de plechtigheid. Ik werd bediend door mijn favoriete serveerster, een vrouw van mijn leeftijd, schat ik, die alles heeft weten te behouden wat ik nooit heb gehad of ondertussen beetje bij beetje aan het verliezen ben. Charme, een gladde, gebruinde huid, gitzwarte haren, sprankelende, donkere ogen – als je er diep in kijkt, kan je Italië zien. Ze tikte mijn bestelling in op de kassa, rustte met haar rechterhand op het aanrecht, slanke, gespierde vingers, een zeldzaamheid in Nederland, neemt u het mij niet kwalijk, maar Nederlandse dames, pu-lease, verzorg je handen, begin er jong mee, bespeel een instrument, bij voorkeur piano of viool, maar goed haar hand dus, rustend op het aanrecht, ze vroeg ‘Anything else?’ en ik keek naar die hand en schudde mijn hoofd hoewel ik donders graag wilde weten hoe ze de nagel van haar wijsvinger zo lelijk kon hebben gescheurd.

Het mysterie.

Weet je, ik hield van deze loodgieter. Maar nu staat hij hier en ik zie plots dat hij een buikje heeft. Op zijn hoofd een grijs restje wol, uit elkaar getrokken door een poes. Zijn blik op de grond gericht, de groeven in zijn gelaat diep, gevuld met stof. Zijn woorden – ooit glashelder, analytisch, van een welsprekendheid die zelden is vertoond in deze beroepsgroep – slepen zichzelf vermoeid uit zijn mond. Achter hem het balkon, één vlonder staat rechtop, naast het houten bankje waarop de asbak staat; de laatste tijd moet ik hem weer geregeld legen. Een stuk dakbedekking ligt open en bloot in de zon, een zielig plasje water zoekt beschutting in een hoek, onder de houten buitenbetimmering, vlakbij het mysterie. De loodgieter zucht. We kennen elkaar nu al een paar jaar. Ik heb vertrouwen gehad – en hij weet het.

Zachte lucht.

Er ligt een jongen op de grond, onder een struik, op een lichte glooiing in het terrein, een meter of twintig van de schuur. Hij kan niet veel ouder zijn dan achttien maar zeker wel achttien, anders krijg je die dingen niet – hoewel, er zijn altijd manieren. Hij heeft een helm op die zijn volledige gelaat verbergt maar ik weet vrij zeker hoe zijn ogen staan; leeg en strak en zonder emotie. Hij richt geduldig, hij wacht tot één van de anderen verschijnt. Het is niet de bedoeling om geraakt te worden maar geen enkele van zijn vrienden heeft zoveel geduld als hij. Hij ligt, hij richt, hij wacht, hij verlangt naar de geur van kruit. Hij is niet verrast dat Stijn de eerste is die verschijnt. Stijn is altijd onrustig. Hij wordt liever geraakt dan dat hij wacht – gebeurt er tenminste nog wat, Stijn wil iets om over te praten, onderweg naar huis, op de fiets. De jongen zegt liever niets. Hij ligt, hij richt, hij hoopt op de geur, de klap, de terugslag; hij schiet. Maar er gebeurt helemaal niets. Hij ruikt helemaal niets. Alleen de lucht. De geur van zachte lucht. Zelfs Stijn hoort hij niet.

Broodje.

Ik dwaal door mijn werkkamer, kijk naar de muur, waaraan papieren hangen, waarop woorden staan die ik niet langer begrijp. Rondvaartboten loeien, toeristen vrolijk blatend langs de gracht – iedereen doet maar wat, behalve ik. Ik bestudeer het vast tapijt. Het is een jaar geleden dat ik hier mijn intrek nam. Op de vensterbank ligt een flinterdun laagje stof. In de koelkast staat een lege tupperware doos; aan de overkant is een uitstekende broodjeszaak die ik vanuit mijn raam net niet kan zien. De dame van de broodjeszaak is platinablond, meestal steekt ze haar haren op en dan kan je de kleine, oosterse tatoeage in haar nek zien wanneer ze zich omdraait om een broodje uit de mand te nemen. Haar grote groene ogen bewegen mee op het ritme van haar snelle, kwieke woorden, ik denk dat ze praat zoals ze rent, ik kan ze zien rennen, giechelend door de duinen – de zee bruisend in de verte – met andere jongens, andere jongens dan ik. Straks zal ze naar me knipogen en een grapje maken terwijl ze de klant voor mij bedient, het zal waarschijnlijk een grapje zijn over writers block. Daarna zal ik terug naar hier komen. Bij de deur zal ik de twee verkeerd bestelde enveloppen zien liggen die ik niet terug op de post heb gedaan. Daarna zal ik op en neer lopen, mijn broodje eten, op en neer lopen, rondkijken, iets zoeken, het vast tapijt bestuderen – kruimels, kleine stukje gerookte zalm – niks vinden. Verderop in de gang werkt een modeontwerpster. Ik heb wel eens een stoel van haar geleend en ik geloof dat zij ook een stofzuiger heeft.

De liefde.

Afgelopen weekend vierde ik tweemaal de liefde. De eerste keer in het decor van de slotscène uit een Amerikaanse romantische komedie, met een ceremonie op het gras, badend in het licht, hertjes huppelend in de achterliggende weilanden en een vrolijke hond, op zoek naar schapen. Een lange rij houten tafels op de binnenplaats van de boerderij, een varken aan het spit, gasten die op stonden en zingend zwaaiden met lichtblauwe servetten. Ja, ik heb gedanst.
De tweede keer op een balkon van een flatgebouw in de felle avondzon. We keken uit op wuivend groen, beneden dreef een vervallen boot op zand, een kat liep over een muurtje van stenen dat was gestapeld in de vorm van een omega, wat verderop liepen mensen in en uit barakken. De borstwering was hoog genoeg om niet bang te zijn, maar de neiging bleef. Een van de geliefden streelde mijn arm en ik zei haar dat hij er gelukkig uit zag.
Onderweg naar huis, op het pontje, keek ik uit over het water. In de verte gloeide de stad. Een meisje in een gele jas leunde over de reling, ze steunde op haar armen, tuurde naar beneden in het donkere water, waar het monster schuilt, slaakte korte gilletjes wanneer druppels haar gezicht raakten. Een keer kwamen allebei haar voeten – regenlaarsjes – los van de grond.

Rituelen.

Deze week lees ik Rituelen van Cees Nooteboom. Ik ben nu ongeveer op drie kwart van het boek. De hoofdpersoon bevindt zich in een flat met ene Philip Taads. Die flat is volledig wit, en kaal, en die Taads praktiseert een bepaald soort Zen of Tao en daar praten ze over. Het is niet echt een verhaal, of beter: het verhaal is een excuus om omstandig te filosoferen – tenminste, zo lees ík Rituelen – en daar is in principe uiteraard niets op tegen. Bij die scene in die flat moet ik denken aan het appartement van een schrijver waar ik eens belandde na een feest, rond een uur of vier in de ochtend. Dat appartement was allesbehalve leeg of wit maar wel was over alles wat er zich bevond nagedacht en ook de ontvangst in die vroege ochtend was haast formeel en leek te verlopen volgens bepaalde tja rituelen. Er zaten kunstige meisjes op de grond rare dingen te zeggen, en twee andere meisjes, met een meer sensuele uitstraling, lagen op de sofa alsof de schrijver hen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid had uitgekozen en aangeschaft en na lang wikken en wegen uiteindelijk had besloten hen op die bank te draperen. Het resultaat, toegegeven, mocht er zijn. Ik ging zitten in een uitzonderlijk comfortabele fauteuil en de vriend met wie ik was ging recht tegenover mij zitten. De rest van de gasten liepen langzaam op en neer en wees dingen aan. Er speelde klassieke muziek, een hoge, androgyne stem gleed door de ruimte. De gastheer vroeg aan iedereen, een per een, wat men wenste te drinken en keerde telkens terug naar de keuken om het drankje in kwestie te prepareren en vervolgens hoffelijk aan te bieden.
Mijn vriend en ik zeiden niets, we zaten simpelweg tegenover elkaar, keken elkaar recht in de ogen en ik kon zien dat we allebei helemaal niets van deze situatie begrepen. Ofwel waren wij in een kunstwerk beland, een perpetuum mobile, dat voor eeuwig en altijd zo zou blijven bestaan en waar wij in en uit konden lopen zonder enig verschil te maken. Ofwel wachtten alle anderen in deze flat tot wij zouden vertrekken waarna de boel onmiddellijk zou ontaarden in een vreeswekkende orgie. Na een uurtje, precies op het moment dat onze gastheer een zeldzame soort artisanale worst in fijne plakjes sneed, vertrokken we. Kortom. We zullen het nooit weten.

Zo ongeveer, maar niet helemaal, lees ik Rituelen.


De val.

Voor mij rijdt een man op een scootmobiel, zijn rechterhand in de rug van zijn vrouw op de fiets naast hem. Haar zijden, roze blouse bolt op in de wind, haar goudkleurige haren zijn hoog opgestoken. Op de achterkant van de scootmobiel zit een sticker waarop een muzieknoot staat afgebeeld. Zijn kruk steekt uit het bagagevak als een preistok.
Voor ons wordt het licht groen. Een fietser zet af, zwalkt even van links naar rechts. De scootmobielman toetert en geeft zijn vrouw een extra zetje zodat ze langs de fietser kan zweven, zonder een trap te geven, de scootmobiel erachteraan, zijn arm alweer uitgestrekt, zijn handpalm gespreid, een dikke gouden zegelring blinkend in de zon, en dan weer verder, samen.
Ik denk aan mijn eerste grote liefde, de Honda Camino die ik toen had, haar hand op mijn schouder, op weg naar huis van een feestje. De val, de schaafwonden over de volledige rechterzijde van mijn lichaam en hoe het hare onverklaarbaar volmaakt gaaf was gebleven. Daarna de borrel die haar vader mij gaf, om te bekomen, waarna hij weer naar bed ging en wij samen in de woonkamer achterbleven en in stilte uitkeken over het terras waarop we het weekend ervoor nog hadden gelegen, haar rug schurend over de ruwe stoeptegels, boven ons het raam van de ouderlijke slaapkamer dat zachtjes kreunde.

Wennen.

Ik zat aan tafel met koffie en klikte de krant open. Op pagina 3 stond het bericht over Steven Sotloff. Ik wist het nog niet. Nochtans wel gewoon online geweest gisteren, en ook televisie gekeken. Kijk, dacht ik. Het begint al een beetje te wennen.
Twee kinderhanden trokken zich op aan de tafelrand en het bijpassende hoofdje kwam meegluren. Snel scrolde ik de foto buiten beeld.
‘Papa, ga jij ook naar dansles?’ vroeg Lou Victoria (bijna 3) die vanmiddag voor het eerst op dansles mag.
‘Nee toch,’ zei ik. ‘Ik ga toch niet naar de dansles van Lou?’
‘Neehee.’ Ze giechelde. ‘Papa gaat naar dansles voor de mensen, toch?’
‘Maar ik weet niet waar de dansles voor de mensen is’ zei ik.
‘Dan moet je dansles voor de mensen zoeken.’
En weg was ze. Ik las verder. De volgende wordt een Brit, stond er. Goed voor voorpagina’s in Groot-Brittanië. Hier? Pagina 4, of 5. Het valt niet uit te sluiten – want dit zal nog lang doorgaan, er zit nog een tiental Westerlingen vast – dat het op een bepaald moment berichten in de marge worden. Een moment waarop wij niet meer onder de indruk zijn. Daarna zal IS mogelijk iets nieuws verzinnen. Iets nog wreder. Daar zullen wij opnieuw aan wennen en zo verder tot we nooit meer onder de indruk zullen zijn van wat dan ook. We zullen blind zijn, dacht ik. Blind omdat we het ware gezicht van de mensen hebben gezien, en als we eenmaal blind zullen zijn, zal er geen verschil meer zijn tussen hen en wij, tussen niemand eigenlijk, elke tegenstelling die nu nog iets lijkt te betekenen zal haar relevantie hebben verloren en dáárna zullen wij, als alle aardse dingen, oplossen en verdwijnen in het grote zwarte niets. Kortom.
Lou Victoria tikte op mijn schouder. Ik keek op. Ze had een roze tutu aan, zette haar voetjes tegen elkaar en plaatste de vingertoppen van haar beide handjes boven haar hoofd tegen elkaar. Daarna draaide ze een rondje.

Reactie.

Gisteren zag ik op Twitter een bericht van iemand die zei: 'Lees veel defensieve reacties op Elly’s Choice. Dan zal het wel een succes worden.’ Dat bericht werd dan weer gefavorited door mensen betrokken bij Elly’s Choice.
Nu voelde ik me niet aangesproken want volgens mij had ik een best genuanceerd stukje geschreven maar dit gezegd zijnde is defensief reageren natuurlijk in het algemeen heel populair op sociale media. Er is maar één soort reactie populairder en dat is de bovenstaande variant die eigenlijk zegt: ‘Wat reageer je defensief, hier ga ik inhoudelijk niet op reageren.’
Kortom. De defensieve vicieuze cirkelreactie. Je ziet ze vaker. Eerst was de Ice Bucket Challenge tof, daarna was hij overdreven ego-gedoe, daarna kwamen de ‘zeur niet zo over dat ego-gedoe’-tweets, daarna de ‘zeur niet zo over dat zeuren over dat ego-gedoe’-berichten en nu moet ik me al sterk vergissen als we de laatste 48 uur niet alweer begonnen zijn aan de herwaardering van de Ice Bucket Challenge want moet je zien hoeveel geld hij heeft opgeleverd. In al dat gekakel las ik hooguit 1 of 2 relevante artikels die hun best deden om iets zinnig te zeggen over waar de Ice Bucket Challenge-hype uiteindelijk, zij het ongewild, wérkelijk over gaat namelijk: welke overwegingen zijn van belang wanneer je kiest welk goed doel je steunt en welk niet (want kiezen moeten we, helaas). Sociale (media) druk lijkt me het minst wenselijke argument, zowel waar het de Ice Bucket Challenge betreft, als waar het gaat om enthousiast doen over Elly’s Choice ‘omdat zij tenminste iéts ondernemen.’ Rustige rationele redeneringen daarentegen.
Ik ben altijd een groot fan van sociale media geweest en ik heb veel aan het fenomeen te danken. Maar steeds vaker bedenk ik dat het een goeie zaak zou zijn als wie zijn mening gehoord wil krijgen, daarvoor weer eens wat meer moeite zou moeten doen. Zoals vroeger. Krijg je die gedachte nu pas, Victoria? Ja. Eigenlijk wel. En ze is even simplistisch en naïef als de gemiddelde defensieve reactie, dat weet ik ook wel.