WK-column De Standaard (3): niks op het spel.

Wat te doen wanneer er niets op het spel staat? Die vraag flitste door mijn hoofd toen ik een uur voor de wedstrijd in het oosten van Nederland uit de auto stapte en naar het festivalterrein liep waar ik dit weekend voor vertier mag zorgen. De organisatie sms’te dat er – check! – een televisietoestel in mijn bungalow stond. Wat moest ik ermee? De achtste finale was al lang een feit.
Het festival heet Down The Rabbit Hole. De bungalow kijkt uit op een fabelachtig mooi meer. Men beweert dat er een gezonken bos op de bodem ligt. Ik dacht aan de Zuid-Koreanen die als Alice in Wonderland over dit WK draven: nét te ijverig en een tikje naïef.
De afgelopen dagen had ik het speelschema bestudeerd. Als groepswinnaar en met de VS als tegenstander in de achtste finale, was er slechts één knalprestatie nodig om de laatste vier te halen: de kwartfinale tegen Argentinië. En zo’n wedstrijd, zo’n verbijsterende buitenaardse trip waarbij spelers uit zichzelf treden en supporters versmelten met de waanzinnige rollercoaster der gebeurtenissen als tuimelen zij altegader door een eindeloos diepe konijnentunnel, zo’n wedstrijd zit er altijd bij. Daarna de halve finale tegen een haalbare tegenstander: bij voorkeur Nederland – want die hebben hún Wonderland-wedstrijd al gehad – en anders Griekenland, Mexico of Costa Rica. Kortom. Alleen nog even Zuid-Korea en we zaten in de finale! Ik besefte plots: op dit WK is niets wat het lijkt. Er stond wel degelijk iets op het spel tegen die Koreanen. Wisten de spelers dat wel? Konden zij gefocust blijven, als in de eerste wedstrijden? Maar, dacht ik dáár meteen achteraan: die eerste wedstrijden waren slecht, op de winst na. Wat als ze juist nú, tegen Zuid-Korea, een volstrekt overbodige knalprestatie leverden? Dan konden wij die finale op onze buik schrijven. Kortom. Deze wedstrijd diende zich aan als een mindfuck van de bitterste soort.
Precies om middernacht stond ik opnieuw aan de oever van dat meer. De maan speelde in het donkere water. Aan de overkant werden de lichtinstallaties van het festival getest – een feeëriek stukje technologie, midden in verstilde natuur. Vooraf had het een schier onmogelijke opdracht geleken: groepswinnaar worden zonder het spelniveau van de eerste wedstrijden nodeloos te overstijgen. Maar onze jongens hadden zichzelf overtroffen, om maar eens een eufemisme te gebruiken. Wereldkampioen. Het was alleen nog een kwestie van uitvoering. Maar saai! En irritant! En net op dat moment begon het water in het midden van het meer te bruisen. Ik zag takken en bladeren verschijnen. Daarna hele stammen en struikgewas die door het oppervlak braken totdat daar zomaar een compleet bos dreef waaruit een wit konijn sprong dat met snelle slagen naar de oever zwom, even flink het water van zijn vacht en oren schudde, mij aankeek en vroeg: ‘Wat is de belangrijkste les die dit WK u tot nog toe heeft geleerd?’
Ik zei: ‘Het stelt niks voor als er niks op het spel staat.’
‘Goed geantwoord’ zei het konijn. ‘U gaat door naar de volgende ronde!’

Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn derde bijdrage, van vrijdag 27 juni.

De ring van Alex Turner / Knut Hamsun / Hard Gras 96.

Vandaag verschijnt de speciale festivalbijlage van De Standaard. Daarin staat een vrij lang kort verhaal van mijn hand, getiteld De ring van Alex Turner. Ongeacht of u dat verhaal nu mooi of niet mooi vindt: applaus voor De Standaard om op deze wijze ruimte te (durven) geven aan fictie, dat mag ook wel eens gezegd. U kan het verhaal HIER lezen (betalende link).

Ook vandaag, in weekblad Knack, een groot verhaal van Marnix Verplancke over één van mijn favoriete schrijvers, de Noor Knut Hamsun. Ik mocht enige quotes leveren voor dit prima artikel. Op 6 juli aanstaande neem ik het op voor Knut Hamsun op het Schwobfest in Haarlem, naar aanleiding van de heruitgave van zijn roman Zwervers door uitgeverij De Geus, die overigens eerder al mooie heruitgaves van de romans Pan, Victoria en Mysteriën uitbracht.

Tot slot: er ligt een nieuw nummer van literair voetbaltijdschrift Hard Gras in de winkel. Ik schreef een verhaal waarin ik de generatie van Spanje '82 vergelijk met die van Brazilië '14, inclusief een persoonlijk gesprek dat ik in 1982 voerde met bondscoach Guy Thys. Het verhaal is getiteld Misschien wel wereldkampioen, vrij naar Will Tura. Koop dat blad.

WK-column De Standaard (2): eindelijk samen zijn.

Ik verhuisde naar Nederland vlak voor aanvang van het WK 2002 in Japan en Zuid-Korea. De gehele eerste ronde van dat wereldkampioenschap bracht ik alleen, blowend op de zitbank van mijn vriendin door, met wie ik een kamer van dertig vierkante meter deelde. Om de hoek was een coffeeshop die Rusland heette en daar ging ik in een poging om gunstige voortekenen af te dwingen, hash kopen voorafgaand aan de beslissende wedstrijd, tégen Rusland. Toen Marc Wilmots de verlossende 3-1 scoorde, was ik zo stoned dat ik niet meer kon juichen.
Nu fietste ik naar Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond in een zwart t-shirt waarop een afschrikwekkende beeltenis prijkte van een rode Satan die met de ene hand het standbeeld van Christus De Verlosser greep terwijl hij met de andere zijn drietand in een brandende wereldbol prikte. Het voelde niet goed. Een beetje geforceerd. Eerder deze week had ik in NRC Handelsblad de Rode Duivels-gekte vergeleken met het gedrag van Asperger patiënten. Mét excuus aan alle Asperger patiënten ter wereld maar mijn punt was dat het mij voorkwam dat wij Belgen gedrag imiteerden – de oud-Hollandsche WK-beleving met name – ten einde te kunnen functioneren in een situatie die ons bevreemdde, namelijk: wij hadden een goeie voetbalploeg.
Op het plein voor de Brakke Grond ging ik naadloos op in het duivelse feestgedruis. Ik kende niemand. In de rust haalde ik twee pintjes en gaf er één aan mijn buurman met wie ik af en toe wenkbrauwen fronsend oogcontact had. Er ontstond een spontaan gesprek, ook al zo’n discipline waar wij Belgen niet bovenmatig in excelleren, en we hadden het erover dat wij nooit in de Brakke Grond kwamen. Alleen als het moest, zeg maar. En nu moest het.
Fransen, Engelsen, Oostenrijkers: allemaal vormen ze een levendige, hechte community in Amsterdam. Ik ken hier geen énkele Belg. Wij gaan op in de stad en het land, zeggen binnen de kortste keren dingen als ‘te gek’ en – in dit geval – ‘kutwedstrijd’. En nu stonden we samen op een plein te doen alsof we zwart-geel-rode Hollanders waren.
Het spel werd er niet beter op. Hier en daar gingen mensen weg. Mijn buurman haalde geen pintje voor mij. Wij waren misschien een soort van Asperger patiënten, maar we waren er niet heel erg goed in. Tot Origi scoorde. Het plein ontplofte. Ik sprong als een gek op en neer en bleef minutenlang ‘Ja! Ja! Ja!’ schreeuwen. Mijn buurman hield zijn vlakke hand omhoog en ik knalde de mijne er tegen aan. En het gekke was: het voelde echt. Al die Amsterdamse Belgen waren bang geweest. Iemand had ons in een situatie geplaatst waar wij totaal niet op rekenden. En nu, eindelijk en wellicht juist daarom, kon het: samen zijn.
Drie pinten later fietste ik naar huis langs statige grachtenpanden en groen water waarover smaakvolle houten sloepen gleden. Intuïtief draaide ik een smal steegje in en stond voor coffeeshop Rusland. Ik stapte af, ging naar binnen en kocht twee gram Afghaan van een goed jaar. Volstrekt overbodig: ik was al high.

WK-column De Standaard (1): Het is een begin.

Een uur voor aanvang haalde ik Lola (6) op van de naschoolse opvang. We fietsten langs een pleintje waar jongens van Marokkaanse komaf stonden te voetballen.
‘Wat doen die jongens eigenlijk in Nederland?’ vroeg Lola.
Tijd voor een educatief verantwoord betoog over de zegenen van de multiculturele samenleving maar ik hield het op: ‘Die jongens zijn Nederlandser dan jij.’
Lola begon te huilen: ‘IK BE-HEN NEDERLANDS!’
Even later werd er afgetrapt. Ik had besloten om de wedstrijd in de warmte en veiligheid van het eigen huis te kijken, tussen mensen die van me hielden en mij zouden steunen – geïntimideerd als ik was door de Nederlandse zege van vrijdag, die ik staande in een kolkende Amsterdamse kroeg ternauwernood had overleefd.
Maar nu moest ik vaststellen dat mijn lieftallige Franse vrouw in de keuken stond te koken, mijn oudste Belgische-Franse dochter in een hoek zat te mokken, én dat iemand op de crèche de vingernageltjes van de jongste oranje had gelakt.
‘Algerije, dat was toch ooit van jullie?’ wierp ik nog op, hopend op empathie, maar ik kon hóren hoe mijn geliefde haar schouders op haalde. Mijn vrouw háát voetbal met een fanatisme waar de gemiddelde Syriëstrijder van kan leren. Ik besefte: ik was alleen. En alleen keek ik toe. Hoe de simpelste breedtepass mis ging. Hoe de meest onnozele ballen van Duivelse voeten sprongen. Algerije scoorde. Ik riep: ‘Waarom hebben jullie Algerije niet gewoon gehouden!?’
Maar mijn vrouw was ondertussen buiten. De kinderen speelden op straat, ik rook vaag de barbecue van de buren, ik had honger, ik verlangde naar een lekker onbezorgd knapperig worstje, of naar iemand die zou zeggen dat het maar een spelletje was. Er was niemand. Ik dacht aan vrienden met wie ik in vroegere tijden had gejuicht (Vandenbergh! Demol! Wilmots!) en gehuild (Platt). Wat was er gebeurd? Hoe was ik hier verzeild geraakt, bij die voetbalhatende vrouw, en die landverrader van een oudste dochter, en die andere kleine bandiet die nu vast trots met haar oranje vingertjes een mierenfamilie aan het verpletteren was?
En net wanneer alles verloren leek, kegelde Mertens ons snoeihard naar de drie punten. Diep in mij bevrijdde zich een kreet, een oeverloos lange, oorverdovende schreeuw die door de openstaande balkondeuren de helblauwe lucht opzocht en weg vloog, over al die oranje vlaggen en straten heen, over het IJ en de grachten, dwars door het geronk van de Amsterdamse ring en de droevige drone van vrachtschepen, tot ver in de polders. Vogels schrokken op, katten doken weg. En toen alles weer snijdend, dodelijk stil was geworden, vond ik mezelf terug op mijn knieën voor het scherm met mijn vuisten gebald in de lucht, en ik voelde de ogen van een geschrokken vrouw en twee kleine meisjes enigszins buiten adem op mij gericht en de oudste van die twee zei: ‘Papa, wie zijn de rode?’
‘Dat,’ zei ik. ‘Dat zijn nu eens de Belgen.’
‘Dan ben ik voor de Belgische,’ zei Lola.
‘Logisch,’ zei ik. ‘Je bent ook Belgisch.’
‘Ja,’ zei Lola. ‘Omdat Nederland niet speelt vandaag.’
Het is een begin.


Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn eerste bijdrage, van woensdag 18 juni.

De Groene Amsterdammer.

In onze serie nagekomen recensies van Dieven van vuur, deze week: het Nederlandse weekblad De Groene Amsterdammer. Recensent Kees 't Hart schrijft: 'Deze bloedwarme roman is bij vlagen verrukkelijk sentimenteel en staat vol met café-romantiek en jonge-mannen-verlangens. Maar wat is daar precies tegen als je beschikt over zo'n dringende, dwingende en dromerige pen als die van Victoria?'

Pomtidom, zeggen wij dan in schrijverslingo.

UPDATE: een leesbare versie van de volledige recensie staat inmiddells HIER.

WK-gekte.

De afgelopen dagen werd ik als specialist terzake reeds geconsulteerd door Hautekiet op de Vlaamse Radio 1 en Een Vandaag op de Nederlandse Radio 1 aangaande het wereldkampioenschap voetbal. Ondertussen hangen de eerste oranje vlaggetjes dan toch bij ons in de straat en hoor ik hier en daar een Nederlander dromen van de tweede ronde, dus dat komt goed. 

De komende weken zal ik de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels een column publiceren in de Vlaamse krant De Standaard waarin ik verslag zal doen van mijn persoonlijke WK-beleving in Nederland. Ik word dus betaald om het WK te volgen - a dream come true - en dit zolang de Belgen in het toernooi blijven. Kortom. Ik verheug me er enorm op die zeven columns te schrijven.

Ah, die laatste dagen zonder WK voetbal, dat zijn de ergste.

Nooit meer slapen (5): Kalix Berna.

Tankstation Kalix Berna heeft een kleine, droevige shop. De kassabediende heet Petra.
Ik ben de enige klant, en neem koffie. Vanachter de balie kijkt Petra achterdochtig toe. Buiten stopt een bestelbusje. Er stappen drie mannen uit. De schuifdeuren glijden geruisloos open. Verfvlekken op witte overals. Ze lopen door de shop alsof het een bouwplaats is. Uiteindelijk komen ze bij Petra uit.
‘What’s your name? How many boyfriends do you have?’
Petra giechelt.
De mannen zeggen dat alle Nederlandse vrouwen minstens vier vriendjes hebben.
Petra slaat de ogen neer, frunnikt aan haar Esso-jasje. Wanneer de mannen de shop verlaten, klapt ze onmiddellijk het kogelvrije glas naar beneden dat de bediende van de klanten scheidt.
Ondertussen, voor de schuifdeur, die ongeduldig half opent en half sluit, vegen twee Turkse mannen omstandig hun voeten. Daarna bestuderen ze nauwkeurig elk rek van de shop, nemen dingen vast, keuren ze, leggen ze weer terug. De oudste neemt een keukenhanddoek en toont deze aan Petra.
‘How much?’
‘Daar moet je voor sparen. Not buy. Zegeltjes,’ zegt Petra in haar beste Engels.
Teleurgesteld druipen ze af.
Ik drink mijn koffie. Petra beweegt onrustig in haar glazen kooi, als een depressief dier. Ze maakt gebruik van de snoeprekken die tussen de koffiehoek en de kassa’s staan om zich aan mijn zicht te onttrekken. Iedere keer wanneer ik onverwachts verschuif, kan ik nog net zien hoe ze me bespiedt voordat ze wegduikt en iets onder de balie lijkt te zoeken. Dan weer verschuilt ze zich in een hoek, achter de stickers op het kogelvrije glas en gaat daar iets zitten eten. Een bekende reflex bij bange mensen: eten.
Een kwartier lang komt er niemand binnen. Petra en ik houden elkaars gedachten in bedwang. Ik ben drie uur onderweg, het AC Hotel Meerkerk is niet ver meer en Johnny zal zich vast afvragen waar ik blijf maar ik voel me leeg. Buiten, tussen de bomen, staan vrachtwagens als slapende monsters, hun slagtanden verborgen achter bloemengordijntjes, dromend van trappelende paardenhoeven, stof en geschreeuw, het gerammel van maliënkolders en bulderende kanonnen. Want aan de overzijde van de snelweg liggen ze écht: de kalix berna. Restanten van kogelvangers uit de 18e eeuw. Ik drink mijn laatste restje koffie, leg mijn hoofd in mijn nek tot de drab tegen mijn verhemelte schuurt. Doorrijden. Dit hele domme idee vergeten en doorrijden. Naar huis.

De afgelopen week schreef ik in opdracht van het Nederlandse Radio 1-programma Nooit Meer Slapen, elke dag een fictieverhaaltje geïnspireerd door de actualiteit. Luister hier terug. Dit vijfde en laatste stukje, over mijn favoriete tankstation Kalix Berna, naar aanleiding van een bericht over twee klungelige overvallers.

Nooit meer slapen (4): roken.

Er waren ook momenten dat Ilona straalde. Dan leek haar huid glad en gebruind en haar donkere haren glansden. Alsof ze op vakantie was geweest – hetgeen ze nooit deed. Zelfs haar tanden konden dan de schijn opwekken wit en gezond te zijn en haar lach had op de een of andere manier dat nare cynische ondertoontje van zich afgeschud en klonk warm en oprecht. Het waren kortstondige flitsen van wat een heel andere vrouw had kunnen zijn en wanneer ik haar op zo’n dag of avond tegenkwam, op straat of bij de voordeur, terwijl we allebei simultaan onze sleutels in het slot staken, konden we het prima met elkaar vinden en ik betrapte mezelf erop dat ik soms ’s nachts, in bed, stiekem over haar fantaseerde en mezelf voorstelde hoe het zou zijn om seks met haar te hebben – iets wat over het algemeen ondenkbaar was want meestal was ze lelijk en ongeïnteresseerd.
Toch mocht ik haar graag. En op één van die avonden, ik weet niet meer waarom, we stonden op de stoep en er was plots zo’n stilte gevallen, zo’n stilte die je naar de grond doet kijken terwijl je met je voeten denkbeeldig stof wegveegt, vroeg ik of ze zin had om een hapje te gaan eten in het eetcafé om de hoek. Dat had ze. En dat was de avond dat ze me vertelde dat ze Barbiepoppen verzamelde. Niet om mee te spelen, nee, ze zei dat ze ze zelfs niet uit pakte maar gewoon in een kast opborg, om af en toe naar te kijken.
‘En je moet niet denken dat ik dat voor de lol doe, hoor,’ voegde ze daaraantoe.
Nadat ik had afgerekend voor het eten, nam zij beide lolly’s van het schaaltje zonder te vragen of ik er ook één wilde. Buiten stak ik een sigaret op. Ilona keek van de lolly’s naar mijn sigaret. Ik moest even hoesten.
‘Kanker?’ vroeg ze.
‘Ilona.’
‘Nou ja, dat zou me niks verbazen hoor,’ zei ze. ‘Hoe oud ben je nu?’
‘Drieënveertig,’ zei ik.
‘Misschien nog een beetje jong maar lang kan het nu toch echt niet meer duren. Hoeveel rook jij?’
‘Moet jij niet met je poppen gaan spelen?’ zei ik.
Met korte, nijdige rukken, scheurde ze de plastic folie van een lolly, stak hem in haar mond en begon te lopen. Ze zei niets meer, en de expressie op haar gelaat was neutraal maar toch voelde de sfeer plots een tikkeltje vijandig aan. Dat vond ik jammer.
Toen we thuis kwamen keek ze me aan. Ik dacht dat ze me misschien wilde bedanken voor het eten en ik vroeg me af of ik haar naar binnen moest vragen, voor een borrel, om alsnog met een goed gevoel afscheid te kunnen nemen, toen ze zei: ‘Sinds ik die Barbies verzamel, rook ik ten minste niet meer.’

Deze week schrijf ik in opdracht van het Nederlandse Radio 1-programma Nooit Meer Slapen, elke dag een fictieverhaaltje geïnspireerd door de actualiteit. Luister hier, of lees het de dag erna op deze plek. Dit stukje naar aanleiding van de arrestatie van een Finse vrouw die de in plastic verpakte lijkjes van vijf baby's in haar kelderkast bewaarde.

Nooit meer slapen (3): Zielig.

Toen Louis Stevens en zijn vrouw die nacht thuis kwamen stelden zij tevreden vast dat samen met de zon, ook Danny was verdwenen. In de zwoele zomerlucht echoëden zijn trappen nog na. Toek. Toek. Toek.
Elke ochtend en elke middag, stond Danny beneden op de stoep in zijn oranje trainingspak de bal tegen de gevel te schieten. Toek. Toek. Het hele huis trilde mee. En dan moest dat verdomde WK nog goed en wel beginnen.
‘Het is ook onze gevel,’ zei Louis Stevens' vrouw dan.
Nu hield Louis wel van voetbal – in tegenstelling tot zijn vrouw die zelfs niet voor de gezelligheid meekeek, en ook niet het type was dat plagerig opmerkte dat 'het toch maar een spelletje was', nee, zijn vrouw haatte voetbal. Oprecht, en met een fanatisme waar de gemiddelde Syriëstrijder nog wat van kon leren. Voetballiefhebber of niet, Louis Stevens moest toegeven dat hij dit wel in haar waardeerde.
Ze kwamen thuis van een etentje met vrienden, de wijn had rijkelijk gevloeid. En terwijl Louis Stevens onhandig aan het deurslot morrelde, wees zijn vrouw hem op de vlaggetjes die er bij vertrek nog niet gehangen hadden. Een sliert Oranje vlaggetjes die vanaf de lantaarnpaal aan rand van de weg naar de regenpijp aan de gevel liepen.
‘Dat is ook onze regenpijp,’ zei de vrouw van Louis Stevens met onvaste stem. Hij kon het niet ontkennen. Zijn vrouw stommelde doelgericht naar boven en snel daarna weer naar beneden.

De volgende ochtend sliepen Louis Stevens en zijn vrouw uit. De klok wees half elf en buiten was het nog steeds ijzingwekkend stil. Ze wisselden een slaperige blik uit. Op de grond, half verborgen door een stapel haastig uitgetrokken kleding, fonkelden de messen van een schaar. Louis stond op en liep naar het raam, zijn vrouw volgde hem. Daar, beneden op de stoep stond Danny, in zijn trainingspak, naast een trapladdertje waarop zijn vader zich wankelend overeind hield in een poging de eindjes van hun oranje droom weer aan elkaar te knopen.
‘Zielig,’ zei Louis Stevens.
‘Zielig,’ beaamde zijn vrouw. Ze keek niet naar de vlaggetjes. Ze keek naar de bal die Danny onder zijn arm geklemd had en haar blik was, net als gisternacht, vol van verlangen.

Deze week schrijf ik in opdracht van het Nederlandse Radio 1-programma Nooit Meer Slapen, elke dag een fictieverhaaltje geïnspireerd door de actualiteit. Luister hier, of lees het de dag erna op deze plek. Dit stukje naar aanleiding van het aankomende WK - vandaag vertrekt het Nederlands elftal met uitzonderlijk lage verwachtingen naar Brazilië.

Nooit meer slapen (2): samen zijn.

Wanneer de vrouw van Louis Stevens aan zijn oudste dochter vraagt of ze mee gaat wandelen, antwoordt Lisa steevast: ‘Waarom?’
Dat vindt Louis Stevens een prima antwoord, ook al is het welbeschouwd een vraag.
Zijn vrouw zegt: ‘Gewoon. Dat is gezellig. En gezond. Lekker in de gezonde buitenlucht. Dat zal je goed doen.’
En dan slaakt Lisa een diepe zucht die Louis Stevens kent. Hij heeft zelf, als kind, vaak zo gezucht. Hij heeft alleszins vaker zo gezucht dan hij gewandeld heeft in de gezonde buitenlucht.
Nu, terwijl hij Lisa’s hand in de zijne voelt, klein en breekbaar en vochtig, kijkt Louis Stevens om zich heen naar de veelkleurige vrolijkheid die opgewonden anticipeert op het voltooien van de laatste avondvierdaagse tocht.
Hij herkent heel wat gezichten, moeders vooral, moeders die hij bij het afzetten van Lisa op school vaak tegen komt. Elke ochtend. Moeders, moeders, overal moeders. Louis Stevens wordt er soms een beetje moe van, van die moeders, met brede passen door de gangen, met ernstige blikken die zoeken en roepen: waar is het overleg, wie heeft het belegd, waar spreken we af wanneer onze kinderen zijn afgezet? Met andere moeders, moeders onder elkaar, bij de fietsen of bij het hek? Er dreigt gevaar, er gebeuren dingen die wij niet moeten willen, onze kinderen zingen liederen die wij ons niet herinneren en moet je kijken hoe ze rennen – en de moeders schudden hun hoofden, kijken schichtig om zich heen, bij de pilaar of op de speelplaats, zorgen ruilend als voetbalplaatjes, terwijl Louis Stevens samen met de andere vaders tussen hen door naar buiten loopt, langzaam, lijzig, als door een woestijn – niemand die hen ziet.
De groep komt in beweging. Lisa laat zijn hand los en vindt een vriendinnetje. Ergens weerklinkt een lied. Louis Stevens bestudeert opnieuw de gezichten van de moeders, verlangend naar gezonde buitenlucht, hun hoofden fier rechtop, grote ogen onder praktisch haar, dat ene type in een fluo hesje dat straks het verkeer met verwijtende blik zal tegenhouden en hij kan nu zien wat hij altijd al vermoedde: dat verlangen naar gezonde buitenlucht, het is in feite niets meer dan het verlangen naar angst – de mensen hebben het nodig om samen te kunnen zijn.

Deze week schrijf ik in opdracht van het Nederlandse Radio 1-programma Nooit Meer Slapen, elke dag een fictieverhaaltje geïnspireerd door de actualiteit. Luister hier, of lees het de dag erna op deze plek. Dit tweede stukje gaat over het Nederlandse fenomeen De Avondvierdaagse.

Nooit meer slapen (1): de pet van Mehdi N.

Waarom? Dat is de eerste gedachte wanneer ze het politiebusje naderen en hij de hand van de agent op zijn hoofd voelt. Onmiddellijk alles dumpen. De opdracht was glashelder. En hij hééft ook andere kleren aangedaan en die stoppelbaard geschoren. Alleen de wapens. De wapens moesten naar Marseille, en die pet… tja. Hij draagt hem al drie jaar.
Sinds september 2011, om precies te zijn. Een lang weekend New York. Hij had het zelf best een goeie grap gevonden toen de douanier bij aankomst vroeg wat hij in Amerika kwam doen: ‘Birthday party’. En nog dezelfde dag was hij inderdaad naar Ground Zero gewandeld en had hoofdschuddend toegekeken hoe de Amerikaanse arrogantie alweer naar nieuwe hoogtes reikte.
Op de tweede dag had hij de metro naar de Bronx genomen. Het was een hete nazomer zaterdag. Hij had een goedkoop kaartje, hij wist dat hij de hele middag in de brandende zon zou zitten dus toen hij bij het stadion aankwam was hij naar de eerste de beste merchandise-stand gelopen en had een New York Yankees baseball cap gekocht. 
Vijfentwintig dollar. Veel geld voor een pet.


Waarom. Waarom heeft hij dat verdomde ding niet weg gegooid? Toen al, meteen na de wedstrijd, waarom niet? Het was een aangename middag, een beetje sloom. Het spel had hem niet bovenmatig kunnen boeien en dat leek voor het hele stadion te gelden, dat voortdurend in beweging was geweest: mensen haalden biertjes, garlic fries, wandelden over de terrassen, keken een stukje van de wedstrijd, lachten om de spelletjes die op de grote schermen met het publiek werden gespeeld. En zo waren de uren gemoedelijk voorbij gegleden. Daar zat hij, Mehdi in de Amerikaanse zon, met zijn pet op. Waarom? Waarom dat ding niet samen met de andere kleren verbrand?
En precies op het moment dat de agent met zijn hand zijn hoofd naar beneden duwt om te voorkomen dat hij zich bij het instappen van het busje zal stoten, ziet hij het gezicht messcherp voor zich. Het was die man bij de entree, die de kaartjes scande, hij herinnert zich het naamplaatje op zijn borst: Mr. A. Cohen. Maar vooral herinnert hij zich de brede, vuile glimlach op diens gelaat, zijn donkere ogen op Mehdi’s pet gericht terwijl hij blind dat kaartje scande en het weidse handgebaar dat daarop was gevolgd in de richting van een grote stapel openstaande kartonnen dozen achter hem in de entreehal waarna Mr. A. Cohen had gezegd: ‘Welcome to Yankee Stadium – go grab your free hat!’


Deze week schrijf ik in opdracht van het Nederlandse Radio 1-programma Nooit Meer Slapen, elke dag een fictieverhaaltje geïnspireerd door de actualiteit. Luister hier, of lees het de dag erna op deze plek. Dit eerste stukje gaat over de vermoedelijke dader van de aanslag in het Joods Museum te Brussel, en waarom hij bij zijn arrestatie nog steeds dezelfde pet op had die op de videobeelden van de actie te zien was.