Ondertussen, aangaande Dieven van vuur.

Dinsdagavond had meelezer nummer 2 gezegd: ‘Ik heb nog nooit zoiets gelezen.’ Het was positief bedoeld maar ook gaf het mij een gevoel van onbehagen waar ik de vinger niet op kon leggen.
Nu zat ik op de trein van Antwerpen naar Amsterdam. Naast me zat een erg mooie, zuiderse vrouw die naar me glimlachte maar ik klapte professioneel mijn laptop open en begon de opmerkingen van mijn redacteur te verwerken. Het ging traag. Aangekomen in Amsterdam had ik slechts twintig pagina’s geredigeerd. Ik dacht aan de deadline die mij daags voordien was opgelegd tijdens een meeting met de uitgever en de redacteur. Ik heb nooit eerder met een deadline gewerkt. Misschien is het goed voor me, je weet het niet.
Ook de uitgever had over het manuscript gezegd: ‘Ik heb dit niet eerder gelezen.’ Nu dient ter relativering vermeld dat deze uitgever, nochtans een belezen en eerbiedwaardig man, ook wel eens in een bui van overmoed heeft geroepen dat mijn nieuwe roman ‘High Fidelity meets De Tandeloze Tijd!’ is, een uitroep die mij aanvankelijk met angst en schaamte vervulde maar die in de loop der weken in mijn hoofd een hoogst ironische toon heeft gekregen terwijl ik geloof dat hij het op dat moment gewoon meende, alleszins, nu zat ik hier, in een trein die Amsterdam binnen reed, met een deadline, een te redigeren manuscript, en een bloedmooie vrouw naast me die me opnieuw aankeek en naar me glimlachte en ook die glimlach leek plots ironisch, alsof ze me iets wilde zeggen, iets in de trant van: ‘Als niemand dit ooit eerder heeft gelezen, zou het dan niet kunnen dat daar een goeie reden voor is?’

Video interview Sampsonia Way.

Nog één keertje Pittsburgh. Tijdens mijn verblijf daar werd ik geïnterviewd door de lieve mensen van Sampsonia Way. Dat is het online magazine van City of Asylum, de organisatie bij wie ik te gast was. Voor mensen die mij graag een keer zien doen alsof ik heel goed Engels kan, is dit video interview zeker een aanrader. Klik HIER om het te bekijken.

Godverdomme.

Ik kwam keurig tot stilstand vlak voor het zebrapad maar de jongen die net overstak schrok, keek me vies aan en zei: ‘Godverdomme.’
‘Het is oké,’ zei ik. ‘Het is oké.’ Maar het was niet oké want ook bij mezelf bespeurde ik een toontje dat me niet beviel.
Drie weken geleden kwam ik terug uit Pittsburgh, vol positieve energie. Ik heb het hier echt over een haast hippie-achtige state of mind waarvan ik vastbesloten was om hem op mijn medemensen thuis over te brengen. Ik was van plan om van jullie allemaal te gaan houden, open te staan voor alles wat op mijn pad kwam, en geduldig te blijven. Maar nu lijkt het alsof het al maanden geleden is dat ik in Pittsburgh verbleef en elke dag is er wel een moment dat ik zelf ‘godverdomme’ zeg. Dat is niet goed.
Gisteren stond ik bij de kassa in de Albert Heijn. Voor mij was een oude man met een rollator aan de beurt. Hij wilde pinnen. De kassadame zei hem wanneer hij de code in moest toetsen en wanneer oké maar hij wilde te snel gaan, het te goed doen en keer op keer mislukte zijn poging om te betalen. De kassadame startte de pinautomaat opnieuw en bleef dezelfde instructies herhalen en na zeven pogingen lukte het hem eindelijk om de hele procedure tot een goed einde te brengen, en de kassadame gaf hem de bon, glimlachte en zei tegen die man: ‘Mijn excuses, meneer, dat het zo lang duurde.’
Dat was heel goed.


Aanbevelingen voor een nog beter leven.

Deze week ligt in de boekhandel: de bundel Aanbevelingen voor een nog beter leven. Een selectie van de fijnste bijdragen aan deze in Vlaanderen bekende literaire eindejaarshow van Behoud de Begeerte, waarbij schrijvers u van het betere levensadvies trachten te voorzien. Twee jaar geleden had ik de eer en het genoegen daar ook aan mee te mogen doen en de tekst die ik toen in Bibliotheek Permeke te Antwerpen voordroeg, staat nu in deze bundel samen met bijdragen van onder meer Herman Brusselmans, Joke Van Leeuwen, Bart Moeyaert, Ilja Leonard Pfeijffer, Christophe Vekeman, Erik Vlaminck, Christiaan Weijts en de legendarische Vele Anderen. Doe er uw voordeel mee!

Een ochtend als deze.

Zoals elke ochtend zwengelde ik iTunes aan maar er kwam geen muziek uit de stereo. Gedurende een minuut of tien probeerde ik alle mogelijke opties uit, onderwijl krachtig vloekend, en pas daarna ontdekte ik dat Lou de mute-knop had ingedrukt. Hoog tijd voor koffie. Het espresso-apparaat liep vast. Tot driemaal toe. En terwijl ik voor de vierde maal de filter uitspoelde, merkte ik de geur van verbrande croissant op die langzaam de keuken vulde. Het viel niet langer te ontkennen: het was een ochtend als deze. Ik wist wat mij te doen stond. Rustig blijven. Niks forceren. Gewoon mee gaan in de flow, haar schijnbaar gelaten accepteren en zo slinks wegleiden van het pad dat deze ochtend dreigde op te gaan. En vooral: mezelf niet afreageren op de kinderen. Die konden er per slot van rekening niks aan doen.
Kortom. Een half uur later stond ik nat van het zweet op straat bij de fiets te schreeuwen dat ze GODVERDOMME op moesten schieten WANT DAT WE LAAT WAREN. Even later zeilden we de helling naar school af. Daar parkeerde ik de fiets, en zoals te verwachten viel brak bij dit manoeuvre het statief af en wel op dusdanige wijze dat het er nog wel aan hing, maar te stevig om er met de hand af te schroeven, en te gevaarlijk om nog mee te fietsen. En ik weet dat je niet kut of godverdomme mag roepen voor de entree van een school rond half negen. Ik weet dat.
De kinderen liepen vrolijk crèche en school binnen. Er zat niets anders op dan met de fiets aan de hand terug naar huis te lopen, en het dient gezegd: het was een heerlijke ochtend voor een wandeling, dat wel. De koele herfstlucht deed me goed. Het water glinsterde in de zon. Sporen van vliegtuigen vervaagden alsof de hemelsblauwe lucht een magnetisch tekenbord was en iemand tergend langzaam alle lijnen wiste. Ik vatte moed. Af en toe durfde ik één voet op een trapper zetten en zo voorzichtig een bruggetje afglijden, en thuisgekomen schroefde ik het statief van de fiets, ging naar binnen, zette mezelf aan tafel met een kop koffie en besloot alles wat te gebeuren stond daar rustig verder af te wachten.


Duf / Sport / Dieven van vuur.

News flash. Lang voordat sletvrees hip werd, schreef ik het verhaal Sletje voor DUF, een prachtig vormgegeven tijdschrift voor jongeren waarvan tot op heden drie nummers verschenen. Weinig, zal u zeggen. Totdat u ziet hoe dik, en hoe geweldig vorm gegeven en knap gemaakt dat blad is. Een mens zou het nog vergeten maar: iets écht goeds maken, kost tijd. Nu is er het Dufste uit Duf, uit bij Nieuw Amsterdam en daar is Sletje ook in opgenomen. Een rijkelijk late Sinterklaastip of een prima getimede kerstkadotip voor wie pubers in huis heeft.
Dan is er ook nog Sport – een bloemlezing van de beste 142 Nederlandse en Vlaamse sportverhalen, aldus samensteller Arthur van den Boogaard. Liefst 1040 pagina’s dik, hoppa. In dat boek staat ook mijn eerbetoon aan de laatste Belgische Tourwinnaar Lucien van Impe: Altijd dansen, tegen de hellingen op. Dat verhaal verscheen oorspronkelijk begin 2009 in het onvolprezen De Muur en was tevens het allereerste verhaal dat ik ooit publiceerde.
Tot slot: aan het eind van deze dag hoop ik op de send-knop te drukken en daarmee Dieven van vuur naar de beëdigde meelezers te sturen. Niet dat het af is hoor, maar je moet toch wat.

Ik hartje Amsterdam.

Toen ik de Jan Schaeffer brug op reed was ik plots helemaal alleen met het kabbelende water onder mij. Ik kon geen gebouw of mens zien, alles om mij heen was dik en vochtig en grijs en ik genoot van de gedachte dat ik nu zelf ook onzichtbaar was. Even later dronk ik een appelsapje en een espresso met Leon en Paul, zoals we een ochtend of drie per week doen in een koffiebar waarvan ik de naam niet zal noemen want anders zit het er morgen vol met mensen die komen kijken of wij er ook weer zitten als u mij deze parafrase even permitteert, en vervolgens zette ik koers naar kantoor. De mist trok weg, de zon kwam piepen, het water was roerloos. Condenswolkjes verlieten mijn mond en losten op in de lucht, als gedachten.
Ik kocht brood bij de bakker op de hoek van de Leidsestraat en even later, toen ik door de brede gangen van het Paleis van Justitie naar mijn schrijfkamer liep, speelde het stille water van de grachten, en de zon, en de mist nog steeds door mijn hoofd en net voordat ik de trap naar boven nam, kwam ik één van de bewoners van dat pand tegen, een stille, gesloten jongen; hij deed zijn deur op slot en naast hem stond een meisje dat ik hier nooit eerder had gezien en ook zij was ijzingwekkend mooi.