Pittsburgh, dag 9.

Vannacht ging de deurbel. Twee korte buzz-geluiden snel na elkaar, zo plots dat het huis leek mee te trillen. Het was kwart voor vijf.
Ik slaap hier al niet best. Het boek spookt door mijn hoofd en de twijfels en euforische momenten lossen elkaar in hoog tempo af. Dan zijn er de Amerikanen. Lieve mensen die graag luid pratend over straat lopen, vooral wanneer de duisternis valt. De eekhoorns die zich vermaken met het bouwmateriaal van het huis naast mij waar werkmannen deze week vloeren leggen, veelal luid pratend. En tot slot de Allegheny River, of ten minste, de boten die er varen, tenminste, ik vermoed dat het meerstemmig geweeklaag dat op gezette tijden vanaf de rivier door de wijk komt waaien, een donkere, droevige drone, alsof er iemand te betreuren valt – en dat valt er altijd – van die schepen afkomstig is.
Gedurende enkele seconden lag ik als een bange wezel in bed, klaarwakker, de ogen wijd open, te luisteren naar verdachte geluiden op straat. Niets. Ik nam mijn iPhone en checkte email. Er zat een bericht bij over een kwestie die al lang aansleept en die mij plots enorm op de zenuwen begon te werken. Helemaal klaar mee. Er moest vaart achter worden gezet, linksom of rechtsom, ik zou die zaak oplossen en wel nu. Ik ging achter de computer zitten en beantwoordde de email op niet mis te verstane wijze, het zou me alleszins niet verbazen als ik van die wijze nog eens spijt ga krijgen. Daarna ging ik weer naar bed en viel in een diepe droomloze slaap.
Om acht uur ging de deurbel. Eén korte buzz. Wie, in godsnaam, en waarom? 
Een kwartier piekeren later, stond ik op en zette koffie. Ik trok een broek en t-shirt aan en liep naar de voordeur die ik opende. Ik keek in de brievenbus – niets. Ik groette één van de werklui – ‘Morning.’ En ik drukte op mijn eigen deurbel – DING! DONG!
Kortom. Twee keer wakker gebeld door een eikel die niet blijkt te bestaan. Bepaald geen geruststellende gedachte.

Pittsburgh, dag 8.

’s Middags skypete ik met Lou Victoria die vandaag 2 werd. De tijd vliegt, zeggen ze dan. Ik weet nog hoe we drie uur nadat we naar het ziekenhuis vertrokken waren, alweer terug thuis op de bank zaten, een beetje verbouwereerd kijkend naar de maxicosi die op tafel stond.
Lou had weinig oog voor papa; te druk met pakjes open doen. Ook Lola deed vrolijk mee en Liefje hield de laptop weg van haar, gericht op die twee dus daar zat ik, te kijken door een vreemd soort raam naar mijn eigen huis en leven.
Daarna ging ik boodschappen doen. Het is warm in Pittsburgh. Het gaat richting de twintig graden – twee dagen geleden viel er nog sneeuw. Bij de liquor store vroegen ze niet om ID. Alweer geen goed teken.
Aan het eind van de dag, na het avondeten, werkte ik nog een paar uurtjes door. Plotsklaps ontdekte ik een zwoele, zinderende zomerse scène midden in een winterse verhaallijn. Die stond daar al een jaar lang. Nooit wat van gemerkt. Een steengoeie scène, weliswaar, dat wel, maar één die echt alleen maar in de zomer plaats kan vinden. Bedtijd, zeggen ze dan.

Pittsburgh, dag 7.

Veel valt er over dag 7 niet te melden. Voor het eerst maakte ik zelfs geen wandeling door de buurt terwijl het schitterend weer was. Wat kan ik zeggen? Het grote hermonteren van Boek 3 is begonnen. Vanochtend zag de vloer er zo uit:

En vanavond zag de vloer er zo uit:

Dus je ziet: dat schiet lekker op.

Pittsburgh, dag 6.

Vandaag wandelde ik voor het eerst de stad in. De voorbije dagen wilde ik absoluut wat problemen oplossen aangaande Boek 3 en daar ging ik zo in op dat ik bijna onherroepelijk vast kwam te zitten of zo voelde het toch. Uiteindelijk besloot ik op vrijdag om het boek eerst maar eens te gaan lezen en – zal je altijd zien – er bleek inderdaad vanalles geruststellends in te staan waarvan ik niet meer wist dat ik het had geschreven. Prima.
Nu liep ik door het park, onder de snelweg, via de Andy Warhol Bridge over de Allegheny river het downtown cultural district in. Theaters, café’s, kunstgalerijtjes. Het was er ontstellend rustig. Ik liep nog wat verder, tot op een plein met nog meer café’s en restaurants en uiteindelijk belandde ik tussen allemaal wolkenkrabbers in dezelfde stijl, enorme kathedralen van zwart glas.
Na een uurtje liep ik terug de brug over, naar huis. Ik ben inderdaad niet het type dat meteen het volle leven induikt wanneer ik ergens verblijf. Stap voor stap, steeds een beetje verder, dat is meer mijn stijl. Misschien durf ik volgende week wél de bus te nemen - je weet het niet.
Toen ik Sampsonia Way weer inliep, passeerde ik de Mattress Factory, dat op zo’n honderd meter van mijn huis is gelegen. Mijn oog viel op een inscriptie in de gevel, een quote uit de roman Invisible Cities van de Italiaanse schrijver Italo Calvino: ‘Arriving at each new city, the traveler finds again a past of his that he did not know he had: the foreignness of what you no longer are or no longer possess lies in wait for you in foreign, unpossessed places.’
Een prima samenvatting, eigenlijk, van waar Boek 3 over gaat. Dus eenmaal thuis, kocht ik het e-book, zette het op mijn reader en begon te lezen.

Pittsburgh, dag 5.

Henry nodigde Yaghoub en mij uit om mee te gaan naar een jazz concert. Randy Weston, een beer van 87 jaar oud. Wanneer hij loopt kan je zien dat alles kraakt, maar toen hij eenmaal zat was het een genot om van hoog in de tribune op zijn enorme handen neer te kijken die soepel over de toetsen dansten, moeiteloos en vrij.
Het waren mooie nummers, met speelse motiefjes en wanneer de band samen speelde begreep ik wat ik zo mooi vind aan jazz. Daarentegen, toen de obligate solorondjes kwamen, begreep ik weer wat ik zo vervelend vind aan jazz. In Boek 3 zegt een personage: Jazz is als redelijkheid, alles wat er goed aan kan worden gevonden is juist wat het zo onuitstaanbaar maakt.
Maar op één moment gebeurde iets wat je zelden ziet, of wat ik zelden voel: de contrabassist soleerde, al scattend, en verdween zo in zijn spel dat hij haast het bewustzijn verloor. De zaal barstte in juichen uit en de bassist stopte abrupt en opende de ogen, wijd en verbaasd, alsof hij wakker werd. Ik dacht: hopelijk kent hij de theorie van de glimpse of god. Wanneer je boven jezelf bent uitgestegen is het voor de creatieve geest beter dit toe te schrijven aan een macht die buiten hemzelf staat – want hoe kan je anders de volgende dag, wanneer je weer een gewoon mens bent, terug aan het werk? (Ik dien erbij te vertellen dat ik dit allemaal maar van horen zeggen heb, hoor.)
Op de weg naar huis moest ik nog even de communautaire kwestie in België uitleggen aan Yaghoub. Altijd wanneer men mij dit vraagt in het buitenland neem ik de gelegenheid te baat om te proberen in zo weinig mogelijk woorden zo snel mogelijk tot de essentie te komen, en al helemaal wanneer het mij wordt gevraagd door iemand uit Iran die daar in een niet zo heel luxueuze gevangenis heeft gezeten omdat hij een boek had geschreven. Deze keer zei ik: “Ah, well, it is a childish debate, that prevents us from doing what really needs to be done.”
Geen onaardige poging, al zeg ik het zelf en godzijdank begon hij niet over Zwarte Piet.

Pittsburgh, dag 4.

Voor het eerst sliep ik slecht. Het was een frustrerende schrijfdag geweest en om half tien was ik uitgeput en al lezend in slaap gevallen op bed. Rond middernacht werd ik wakker, legde het boek weg, en probeerde de slaap te hervatten. Dat lukte niet. Het was koud, ik was onrustig.
Om half zeven werd ik uit mijn halfslaap gewekt door een whatsapp bericht van Rob Waumans waarin hij meldde dat hij vast aan het bier ging. Ik checkte mijn email. Twee berichten trokken mijn aandacht. Allereerst: Waumans & Victoria hebben een prima subsidie ontvangen van het Nederlands Letterenfonds om in 2014 met een avondvullende versie van ons literair spektakel door het land te gaan toeren. Fantastisch nieuws. Ik ging gelijk aan de koffie.
Ten tweede: een dringend verzoek van de Belgische ambassade in Nederland om de ambassadeur te bellen. Allerlei gedachten gingen door mijn hoofd. Werd ik onder diplomatieke druk de US uitgezet? Had men in de gaten gekregen dat ik bij de paspoortcontrole, voor de sport, had gelogen? Was er thuis iets gebeurd – een brand, mijn voltallige gezin omgekomen, een boodschap die met tact via officiële weg moest worden overgebracht alvorens de onmiddellijke repatriëring in werking te stellen? Alles leek beter dan aan het werk te moeten. En het wás ook beter: ik werd uitgenodigd om kennis te maken met het kersverse Belgische koningspaar op een besloten receptie in Den Haag. Ik met Filip en Mathilde. Ik zag mogelijkheden. Maar helaas, ik ben te laat weer terug in Nederland om ze te kunnen benutten.
Ik keek naar buiten, het was grijs, volgens mijn iPhone 1 graad koud. Henry mailde om te vragen of ik voldoende warme kleding bij me had. Met frisse tegenzin printte ik Boek 3 uit. Het begon te sneeuwen. Ik zette nog een pot koffie, legde de eerste bladzijden klaar om te gaan lezen en dacht: alles gaat goed, alles gaat goed, dit is dag vier, en alles gaat goed.

Pittsburgh, dag 3.

Ik maak een lange wandeling door de buurt, op zoek naar bier uiteraard. Nu hou ik er niet van om de weg te vragen. Ik hou er sowieso niet van om dingen te vragen, ik zoek het liever zelf uit en dat verklaart wellicht waarom ik het meestal niet vind. It comes with the job.
De voorbije dagen heb ik me te pletter gedacht over die ene vondst waarvan ik weet dat ik hem nog nodig heb om Boek 3 in een beslissende plooi te leggen. Eén simpele, fijne vondst waarmee ik dat hele boek in een houdgreep kan nemen. Maar hoe harder ik nadenk, hoe meer ik mezelf verlam.
Bier dus. Na anderhalf uur wandelen, door het park, langs straten die ofwel een bibliotheek hadden, ofwel een voedselbank, kom ik terecht bij een beer distributor op vijftig meter van mijn huisje.
Ik wil flesjes Budweiser kopen, maar Sam, de eigenaar van de zaak die al meer dan veertig jaar bier verkoopt in deze wijk, weigert op charmante wijze de door mij begeerde waar te verkopen. Ook al is hij Italiaans, hij kan geen Italiaans en hij denkt ook als een Amerikaan: in kwantiteit. Blikjes. Een krat blikjes kost net zoveel als een krat flesjes, alleen: je krijgt er dan meer.
Nu hou ik alleen van Budweiser, een zeer middelmatig biertje zoals u weet, als ik het ijskoud uit een flesje kan drinken. Dus een kwartier kletsen verder, nadat ik alle foto’s heb bekeken van Sams kinderen – vijf zonen en twee dochters – en in het bijzonder die van de zoon die in Italië profgolfer is op een schiereiland vlakbij Venetië waar Sam eens per jaar twee weken met vakantie gaat, en nadat we het hebben gehad over Hoegaerden, en Heineken, en Grolsch, en het feit dat hij mijn Engels accent maar niks vindt, koop ik een krat met 24 blikjes Budweiser.
Thuis gekomen bekijk ik opnieuw de schematische korte inhoud van Boek 3. Elk hoofdstuk samengevat in een paar lijnen en terwijl ik dat doe en opnieuw nadenk over De Vondst, klik ik zo’n blikje open, gekoeld in de oude koelbox van Sams ouders die de zaak in 1968 begonnen en ik zucht en ik drink en het smaakt naar helemaal niks.

Oost.

Nu uit: de verhalenbundel Oost. Afgelopen jaar organiseerde Schrijvers Uit Oost een aantal literaire middagen in Amsterdam Oost waarbij schrijvers die in dit stadsdeel wonen werd gevraagd een verhaal te schrijven geïnspireerd door hun woonplaats. Ik schreef het verhaal IJ/Ei. Met ook bijdragen van o.m. Gustaaf Peek, Anton Valens, Maartje Wortel, Tjitske Jansen, Huub van der Lubbe en de legendarische Vele Anderen.


Pittsburgh, dag 2.

Yaghoub Yadali woont drie huizen verderop in Sampsonia Way. Hij komt uit Iran. We zijn beiden uitgenodigd om een presentatie over City of Asylum bij te wonen, thuis bij stichter en directeur Henry Reese. De presentatie is bedoeld voor potentiële mecenassen. Een tiental mensen is op komen dagen. Een dame, groot, iets te zwaar en helemaal in het zwart, reageert verheugd wanneer ik haar vertel dat ik uit Antwerpen afkomstig ben.
‘Daar ben ik wel eens doorheen gereden.’ Ik glimlach. Uiteraard is Brugge mooier.
Ik heb het vaker op deze plek gehad over mijn gebrek aan sociaal engagement, dat ik niet kan verklaren en dat mij, sinds ik schrijf, steeds meer dwars begint te zitten. Je zou zeggen dat daar makkelijk iets aan te doen is. Wat minder over jezelf schrijven bijvoorbeeld, en wat meer over andere mensen. Het is geen desinteresse. Het is meer de angst een domme mening te formuleren – soms denk ik dat ik daar vanaf moet.
Alles wat je als artiest in Iran maakt, moet langs het ministerie van cultuur, dat je werkplan, script of wat dan ook preventief censureert. En als je het eenmaal gemaakt hebt nóg een keer.
Yadali's roman Adaab-e Bi-Gharari (The Rituals of Restlessness) was goedgekeurd voor publicatie en werd een bescheiden bestseller. Drie jaar na verschijnen stond hij – na klachten van lezers over een al te expliciet liefdesverhaal – alsnog voor de rechter en werd veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf. Dat schijnt vaker te gebeuren: dat de Iraanse regering kunstenaars veroordeelt voor werken die door die regering zelf zijn goedgekeurd. 
Na veertig dagen werd hij vrijgelaten onder internationale druk op voorwaarde dat hij vier essays zou schrijven over onderwerpen die de regering zou bepalen. Dat weigerde hij. Uiteindelijk kwam hij alsnog in Pittsburgh terecht.
Ik zeg tegen Yaghoub dat elke schrijver kampt met de wetenschap dat zijn werk gelezen zal worden, en dat ik probeer die gedachte dagelijks te ontvluchten omdat ze een rem zet op mijn schrijven, dat de schrijver die rekening houdt met de buitenwereld, gedoemd is te stoppen met schrijven. Eigenlijk.
‘In Iran heb je drié vormen van censuur. De regering. De lezers. En jezelf,’ zegt Yaghoub Yadali op dezelfde zangerige toon als hij net een kort verhaal voordroeg, en hij glimlacht dromerig terwijl hij van zijn glas rode wijn nipt. Bijna alsof hij het mist.
Drie vormen van censuur. Eerlijk is eerlijk: er zijn ook mensen die ik het toewens.

Pittsburgh, dag 1.

Ik verblijf in het noorden van Pittsburgh, vlakbij het baseball stadion van de Pittsburgh Pirates, een notoir losers team dat dit seizoen verrassend goed presteerde, en het football stadion van de Pittsburgh Steelers, een kampioenenploeg die dit seizoen vooralsnog teleurstelt. Het lijkt hier wel de eredivisie.
Sampsonia Way is gelegen in een wijk die Mexican War Streets heet. Er is niks Mexicaans aan. De wijk dateert uit 1848, ten tijde van de oorlog tussen Amerika en Mexico. Ik wist niet dat er ooit een oorlog tussen die twee landen was geweest maar nu wel dus daar ga je al. Het is er erg mooi. Prachtige gerestaureerde Victoriaanse huizen. Twintig jaar geleden was dit een slechte wijk maar de grens met de armoede en criminaliteit verschuift jaar na jaar verder noordwaarts. Het lijkt hier wel Amsterdam.
City of Asylum, de organisatie die mij ontvangt, heeft een vijftal huizen op Sampsonia Way gekocht en gerestaureerd. Ze zijn beschilderd met gedichten en street art. De belangrijkste missie van City of Asylum is om onderdak te bieden aan schrijvers die in hun eigen land niet meer welkom zijn. Ik ben niet één van die schrijvers, geloof ik, hoop ik, ik ben een ‘gewone’ writer in residence.
Op de glazen voordeur van één van die huizen staat een gedicht gekalligrafeerd van een Chinese dichter. Het gedicht gaat over hoe hij in de gevangenis zijn geest ‘vrij’ probeerde te houden. Dat deed hij door ingewikkelde wiskundige problemen op te lossen – hij schreef ze uit op rollen wc-papier, in inkt die hij fabriceerde uit voedselrestanten en god weet wat al niet meer.
Verder zag ik vandaag drie eekhoorns in de straat. Toen ik even later boodschappen ging doen, kwam ik een man tegen met een hond die zich voort bewoog met behulp van een soort omgekeerde rollator: zijn achterste, kreupele pootjes rustten op het vehikel, met zijn voorste pootjes trippelde het dier vrolijk achter zijn baasje aan. Geinig.

Pittsburgh, dag 0.

De vlucht heeft vijf uur vertraging. Achter mij in de rij staat een vrouw van staal die naar een compensatieregeling vraagt en zucht en zegt: ‘Het is ook een waardeloos toestel.’
Ik geloof haar, ik denk dat deze dame weet wat ze zegt maar eerst nog vijf uur wachten. Ik lees De weg naar zee van Elke Geurts. Het is goed, heel goed, ongemakkelijk maar ook heel grappig, een beetje als Elke zelf maar donkerder hoop ik, voor Elke en al wie haar omringt.
Wanneer ik halfweg ben, word ik gebeld door Rob Waumans. Hij zegt: ‘Heb je het gehoord van Thomas Blondeau?’ en ik weet onmiddellijk dat Thomas dood is en Rob zegt: ‘Hij is dood.’
Waarom weet ik dat onmiddellijk? Wellicht is het de toon waarop Rob het vraagt die ik herken van alle andere keren dat mensen mij aan de telefoon hebben verteld dat iemand dood was. Wellicht is het mijn eigen angst om dood te gaan. Wellicht zijn het de tranen van Lola toen we daarstraks afscheid namen en de blik in Liefjes ogen toen ik zei dat ik van haar hield.
We praten wat. Ongeloof. Diepe zuchten. We kennen Thomas geen van beiden erg goed. Wel was ik op zijn boekpresentatie begin september. De keren dat ik hem in het vermaledijde literaire circuit tegen het lijf liep kon hij afstandelijk overkomen, bijna té erudiet ironisch en gemaakt beschaafd maar op die boekpresentatie was hij anders. Nederig haast. Kwetsbaar. Waarom vond ik dat? Wellicht was het de manier waarop hij de ogen neersloeg toen Suzanne Holtzer sprak. Het gemak, grenzend aan mededogen, waarmee hij de plaagstoten van Ramsey Nasr opving. De trots in zijn ogen toen ik hem vroeg wie dan zijn nieuwe liefde was en hij ze aanwees. Dat vond ik mooi. Maar dat heb ik natuurlijk weer niet gezegd.
Ik zit te wachten bij gate B13 in Philadelphia Airport terwijl ik dit tik. Met wat geluk ben ik binnen een uur of twee in Pittsburgh. Over het toestel dat ons vanuit Amsterdam hierheen bracht kan ik weinig zeggen, ik heb geen verstand van vliegtuigen. Maar het was een waardeloze vlucht – dat is zeker.

Pittsburgh, dag -1.

Het weekend verloopt alsof ik morgen dood ga. Alles voor de laatste keer. Dat heb ik wel vaker wanneer ik voor een verre reis sta, dat ik denk, nog één keer heerlijk ontbijten, nog één laatste zoen, en: wat zullen ze op de harde schijf vinden, zijn er nog dingen die ik moet wissen?
In 1993 studeerde ik vier maanden in Londen met een Erasmusbeurs. Dat was de laatste keer dat ik gedurende langere tijd alleen was, zonder mensen uit het normale dagelijkse leven om mij heen. Toen was ik dus twintig jaar jonger, en druistig, ongeduldig om zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen te leren kennen en dat alleen zijn te verdrijven. Ik weet nog hoe ik bij aankomst van de sneltrein stapte, Londen in, en hoe bang ik toen was.
De oudste is naar zwemles met haar moeder. De kleinste zit Max & Ruby te kijken. Dadelijk ga ik inchecken, mijn koffers pakken en een paar films op de iPad zetten om op het vliegtuig te bekijken. Eentje staat er al een hele tijd op, een tip van mijn redacteur, die geduldig heeft gewacht op een gelegenheid met de juiste symboliek: Once Upon A Time In America.

Meise.

Gisteren speelden we voor de laatste keer in 2013 Geen Pijn Of Wat Dan Ook, in GC De Muze te Meise.
Arne ging op en begon te spelen. Ik wachtte in de coulissen tot Eva het juiste beeld op het scherm had gezet. Er weerklonk wat geroezemoes in de zaal. Ik dacht: het publiek zit net, ze zeggen nog een paar woordjes tegen elkaar voordat het echt begint – dat kan gebeuren. Ik ging op, vatte post achter de microfoon en pas toen zag ik dat het om twee mensen ging, een koppel van respectabele leeftijd die als enige op de eerste rij zaten, recht tegenover mij.
Ik begon voor te dragen. Zij gingen door met praten. Ik was pas enkele zinnen ver, toen de man zuchtend verkondigde ‘Hebt ge nu ooit al zo iets gezien?’ Luid, je moet best luid spreken als je vanuit de zaal, over de elektronische muziek van Arne heen, tot op het podium letterlijk verstaanbaar wil zijn. Maar het lukte hen. Meer dan een half uur lang, tot ze eindelijk vertrokken. Lachend, minachtend, geërgerd, verveeld. Hun onbeschoftheid bevatte verrassend veel schakeringen. Ze zaten daar, de jassen en sjaals nog aan, de verontwaardiging diep in het gezicht gedrongen, terminaal ontevredenen, vastberaden een slechte avond te hebben.
Ik voelde dat ik kwaad werd. Dat is goed. Dat wil zeggen dat ik trots ben op Geen Pijn Of Wat Dan Ook, ook al weet ik dat de voorstelling weerstand op kan roepen - uiteindelijk verlieten nog meer mensen, veelal rustig, de zaal. Maar boven alles raakte ik gefascineerd. Ik kende deze mensen wel. Ik heb ze vaker gezien, maar het blijft me verbazen. En ik probeerde me in te beelden hoe die twee zo elke avond thuis op de bank naar het journaal zaten te kijken, de thermostaat op 17 graden, en hoe dat ooit zo gekomen was. Hoe hadden ze elkaar leren kennen?
Er zit een scène in de voorstelling, over een eerste date, de man ziet zijn toekomstige vrouw, bovenop de trappen van een bibliotheek, ze staat daar met opzet zodat hij al die treden op moet ‘om haar op te eisen’. En ik keek naar die twee op de eerste rij en ik probeerde me in te beelden dat hij die man was die daar stond, en zij die stralende brunette. En hoe zij naar elkaar verlangden. De opwinding gierend door hun lijven, de hoop gloeiend in hun borst. Ik probeerde het, echt.