Het glorierijke einde.

Onze schaduwen nestelen zich in de plekken die wij achterlaten, daarom raken we altijd zo in de war wanneer we er terug keren: omdat we de leegheid niet verwachten, het desolate, het verlatene van wat in onze herinnering bruisend en vol was, als de glazen champagne die wij toen nog niet konden betalen.
Ach, wat waren wij meer dan dwazen die een wilde jeugd wilden, hun uiterlijk verwaarloosden in de hoop te worden bewonderd, en hun longen in brand zetten voor de lol? (Dat wij nog leven is een wonder, ook al ademen de meeste van ons met piepende geluiden en maken we beklagenswaardige lijstjes van wie bij ons in bed belandde, of wie we enkel zoenden of anderszins bijna hadden gehad.)
Zo gaat dat met mooie periodes. Wat wij vaak vergeten is: zonder de perfecte start en het glorierijke einde, zou álles er tussenin, ook al beslaat dit het merendeel van wat we in die periode deden of wilden of waar we waren, anoniem tijdverlies zijn geweest. Rijp voor de stortplaatsen van ons geheugen. En in mijn geval vonden dat begin en het einde hier plaats, op de plek waar ik nu sta, in het noord oosten van de stad, een plek waar ik in die tijd zelden of nooit te vinden was.

Onderhandelen.

We bespraken de kwestie ernstig en waardig. Het was uiteindelijk een zware baan, met niet geringe verantwoordelijkheden en daar wil je een passend salaris bij. Dat begrijp ik. Maar afspraak is afspraak – daar ben ik, naar ik vrees, nogal Nederlands in geworden.
Gaandeweg ontstond er een bepaalde spanning. Ik vroeg me af of het wel verstandig was geweest het gesprek te voeren in de gang, die smal en donker is. Mijn argumenten raakten op, en zij ging steeds vaker lachen zonder dat er een grap werd gemaakt. Na enkele minuten merkte ik dat de hielen van mijn schoenen de trap raakten, aan het eind van de gang, terwijl zij nog steeds stond waar het gesprek begonnen was, voor de spiegelkast, waarvan één deur open stond, waardoor haar standvastigheid verdrievoudigd werd.
Ik heb wel eens een cursus onderhandelen gehad. Ik heb wel eens een huis gekocht. Uit beide ervaringen heb ik één zaak onthouden wanneer het op geld aan komt: nooit je bod of prijs inhoudelijk onderbouwen. Dat gaat zo: ik heb iets te koop voor 100 euro. Iemand biedt 80 euro. Ik zeg: dat is te weinig. De ander zegt: ja maar, je waar is in slechte staat. Nu heb ik twee keuzes. Ik kan zeggen: zal wel, maar het is toch 100 euro. Of ik kan inhoudelijk ingaan op het argument. Maar wat voor zin heeft dat? Vanaf het moment dat ik op het argument inga, kan de prijs nog maar één kant op: omlaag. Als ik het bod simpelweg weiger, kan dat bod ook maar één kant op: omhoog. Kortom. Een eenvoudige keuze voor wie niet in geld of tijdnood verkeert. Focus op het bedrag. Alleen het bedrag. De rest is ruis.
Zij beweerde: ‘13 euro.’
Ik zei: ‘Ik betaal niet meer dan 12,50. Zoals afgesproken.’
Zij zei: ‘Dan moet ik even nadenken of ik er voor wil gaan.’
Ik knikte. Ze zweeg. De tanden bloot. Onze beider blikken werden afgeleid, naar de grond, waar een stofsliert zich zachtjes voortsleepte over de houten vloer. Heel even dacht ik aan de huissleutels die zij een week in haar bezit had gehad. Bij de Sleutelkluis maken ze die bij terwijl je wacht, en ik voelde hoe mijn linkervoet voorzichtig  de eerste trede van de trap opzocht.
‘Oké,’ zei ze.
‘Dankjewel,’ zei ik snel. En ik draaide me om, rende de trap op terwijl ik haar ijskoude lach in mijn rug voelde branden en kwam pas tot rust toen enkele minuten later het vertrouwde geluid van de stofzuiger tot mijn werkkamer doordrong.

Munitie.

Natuurlijk gebeurde zulke dingen wel vaker in die tijd maar dan dacht ik: ach, het zal wel slijten, en achteraf vervaagden de emoties inderdaad, zoals vroeger de gezichten van vakantieliefdes. Mijn lichaam herkende de terugkeer naar het ritme van alledag en mijn hersenen volgden gedwee.
Maar nu liep het net omgekeerd: op de dagen tijdens dewelke wij samen dienden op te trekken, merkte ik niks bijzonders. De gebeurtenissen verliepen soepel en onopgemerkt. Wat zeg ik: de hele operatie was een rimpelloze zee.
Pas toen ik weer thuis kwam voelde ik de onderstroom. Plots herinnerde ik mij momenten – een lach, een hoofd tegen een schouder, de blik van iemand die denkt dat niemand haar kan zien – die mij daar en toen niet waren opgevallen. En het volstond dat ik gedachteloos naar de verkeerde film zapte of dat een onverstaanbare kreet vanop de straat het open staande raam binnen waaide, en ik werd overmand door idiote gedachten en interpretaties van zaken die redelijkerwijs niks te betekenen konden hebben, wat zeg ik, op sommige van die momenten had het geen haar gescheeld of ik was in huilen uitgebarsten.
Blijkbaar hadden de gebeurtenissen van die dagen een pact gesloten met mijn lichaam en mijn geest – munitie die in handen was gevallen van een trouwe strijdkracht en een lepe strateeg die ik al die tijd tot mijn kamp had gerekend en die nu, net op het moment dat ik dacht ze niet meer te moeten surveilleren, ongenadig hard toesloegen.

Genoeg tijd.

De voorbije maanden werkte ik hard en schreef ik gulzig, voortdurend met een half oog op de klok en de woordenteller. ’s Avonds reed ik het land door en pas diep in de nacht viel ik uitgeput in slaap. De wekker ging tussen zes en half zeven, waarna ik de adrenaline naar boven pompte onder de douche en van voor af aan begon.
Maar sinds ik weer thuis ben van een schitterende week op het Oerol festival, merk ik dat er iets veranderd is.
Gisteravond, rond een uur of half negen, begon ik zomaar nog wat door te schrijven aan Boek 3. Ik ben een ochtendschrijver, in principe. Altijd geweest. Maar nu, met een goed glas wijn erbij, in de stilte van een huis waarin kinderen dromen, werkte ik geconcentreerd en ontspannen nog anderhalf uurtje door. Een heerlijk gevoel, waarvan ik besefte dat ik er al een half jaar naar verlang, maar eerst moest er geld verdiend, en die eerste kutversie geschreven, en nu, nu kan het eindelijk gaan beginnen, en terwijl ik zo aan onze lange houten tafel in de woonkamer zat, waar ik anders nooit schrijf, voelde ik hoe de tijd begon te vertragen, als tijdens eindeloos hete zomerdagen, pétanque spelend op de grindbaan naast het museum, hoe de uren zich dan leken te herhalen terwijl wij er bij stonden, tot de tijd in een eindeloos slome loop terecht kwam waaruit zij pas ontsnapte wanneer de nacht viel en de cochonnet niet langer meer te onderscheiden was.
Er hoeft niks meer snel, en niks meer veel. Gewoon rustig tikken. Er is tijd genoeg voor elk woord. Hell, misschien is er vanmiddag zelfs tijd voor koffie, met een buurvrouw, bijvoorbeeld, en misschien wel nóg meer dan dat.

Koningin.

Rond drie uur ’s nachts fietsten we terug naar Oosterend.
‘Kijk, hoe donker dan,’ zei Milena. En ze wees naar de weilanden waarin volgens Rob paarden sliepen, rechtop staand. Ach, wij, kinderen van de stad, ze hebben ons het donker en de stilte afgepakt.
Rond kwart voor acht werd ik wakker van een zacht gezoem in de muur van mijn kamer. Ik had het wespennest de eerste dag al gezien, van buiten, net onder mijn raam, maar die nacht had ik prima geslapen. Nu klonk het luider. Dichterbij. Binnen?
Ik stond op. Er zat één wesp op de binnenkant van het gesloten raam. Dat was raar. Met een snelle polsbeweging drukte ik de wesp dood tussen het gordijn en het glas, spoelde het slachtoffer door in het toilet en kroop terug in bed. Enkele minuten later opnieuw gezoem in de kamer. Twee wespen op het raam. Snel en rustig pakte ik mijn spullen in, sjouwde alles naar beneden, nam mijn kussen en dekbed mee, sloot de kamer zorgvuldig af en waarschuwde de receptie.
Het waren bijen, zo bleek. Wellicht een verdwaalde zwerm. Via afwateringsleuven in de muur, hadden ze zich een weg door de houten binnenbetimmering en het raamkozijn gevreten, en daar een nest gebouwd. Iemand vertelde me dat wanneer zo’n zwerm verdwaalt, één van de bijen een letterlijke fysieke metamorfose ondergaat en koningin wordt. En die nieuwbakken koningin had besloten dat mijn kamer hun nieuwe thuis was. Het is een klassieke fout die velen maken wanneer ze op een nieuwe plek zijn gearriveerd: stoppen met zoeken. Denken dat je zelf de eindbestemming van de route bepaalt terwijl die al die tijd al genadeloos lag te wachten op de plek waar je vandaan kwam.
De imker kon niet komen. De verdelger wel. Hij spoot het middel in de sleuven. Het idee is dat de bijen het gif mee het nest in nemen. De koningin sterft, en het nest wordt verlaten. Ik vroeg de man of dat zeker werkte.
‘O ja,’ zei hij. ‘Die koningin gaat hartstikke kapot.’
Die nacht, in bed, kon ik de slaap niet vatten. Het was zo stil, te stil voor wie de stilte van de stad is gewend. Af en toe sloot ik de ogen en probeerde te denken aan wat er die dag allemaal gebeurd was, en waarom, maar mijn gedachten waaierden uit als een richtingloze zwerm die in de duisternis verdween, en wat ik ook probeerde om het beeld te verdelgen, telkens opnieuw zag ik haar zitten: die koningin, alleen, in haar nest, in de muur van ons huis.

Zeehond.

We leunden tegen de reling en staarden naar het water, wachtend tot we de boot op mochten. Rob zag een zeehond en toen zagen we hem allemaal. Het was een goedmoedige rakker, dat kon je zien aan de manier waarop hij zijn kopje boven water hield, een sympathiek, glad, nat bolletje. In gedachten zag ik de soepele bewegingen die zijn lijf onder het water maakte. Toen draaide hij zijn kop en keek ons aan. Ik zou gezworen hebben dat hij zwaaide, sterker nog, ik weet het zeker, we konden het alleen niet zien, daarvoor zijn de armen van de gemiddelde zeehond simpelweg te kort.
Twee uur later stond ik op het podium van Danscafé De Stoep in Midsland. Het zaaltje zat afgeladen vol. Ik vertelde een verhaal en ik heb dat verhaal al zo vaak verteld dat ik precies weet wanneer mensen gaan lachen. Ik kan je vertellen: er is geen betere manier om een verhaal te verknallen dan denken te weten wanneer de mensen zullen lachen. Ik verliet het podium onder beleefd applaus. Terwijl ik backstage een boek las, maakten de mannen van Akwasi zich klaar. Ze speelden zich warm, blowden een jointje, ik hoorde gelach en gefluister, en daarna het giechelende geritsel van kleding. Ik keek op uit mijn boek, en plots zat ik oog in oog met een indrukwekkende billenpartij die bleek toe te behoren aan Akwasi zelf. Ook de anderen waren volledig naakt, op een strategisch handdoekje na, nerveus rond trippelend als kleine kinderen. Ze gingen het podium op. De zaal ontplofte. Vrouwen van middelbare leeftijd haalden mobiele telefoons boven en probeerden dwars door de handdoekjes heen te fotograferen. Ik stond schuin achter het podium, en dus ook achter de handdoekjes. Ik kon precies zien waar die dames vurig naar stonden te gissen en ook zag ik de beelden die zich in hun geile hoofden vormden, en vooral zag ik hoe die beelden in niets leken op datgene waaraan ik zelf onweerstaanbaar moest denken: het gladde, natte kopje van een zeehond.

Dwepen.

Dat is de nieuwe trend, schrijvers die met schrijvers dwepen, liefst schrijvers die nooit zijn doorgebroken maar dat nu, dankzij de dwepende schrijvers, wel gaan doen dus uiteindelijk: hoezee voor de dwepende schrijver. In deze serie, dit weekend: dwepen met James Salter.
Nou ja, dat is een beetje harsh on de dwepende schrijver en het moet gezegd dat de dwepende schrijver bijlange de kwaadste niet is, in vergelijking met pakweg de recenserende schrijver. Het verschil is: de dwepende schrijver belijdt zijn liefde voor de literatuur in de vorm van dat geniale voorbeeld dat in hem alles verenigt wat goeie literatuur zou moeten zijn, hij is waar de dwepende schrijver naar streeft, en hem lezen schenkt de dwepende schrijver datgene terug wat hij verloren heeft toen hij begon met schrijven, namelijk: de onschuld van de lezer. Plus uiteraard dat jaloersmakende snuifje mysterie dat de dwepende schrijver zelf ontbeert en nooit kan bereiken omdat hij de pech had in Nederland te worden geboren en ook nog eens in de meest welvarende periode uit de geschiedenis tot op heden, geteisterd door een vrede die maar blijft duren.
Uiteraard lees ik zelf ook wel eens een boek dat onbereikbaar goed is en mij tegelijk betovert en doet zwelgen in zelfmedelijden. Meestal word ik dan nogal pissig. Op die schrijver, natuurlijk, die de stiel voor mij verpest. Céline schijnt ooit gezegd te hebben op de vraag waarom hij schreef: ‘Om de anderen overbodig te maken.’ Zover zou ik het in mijn geval niet willen drijven, maar dan alleen omdat ik realistisch genoeg ben om te weten dat ik het niet kan. Maar in principe snap ik Céline.

Dit is een raar stukje. Waar was ik?

Ah ja, het verschil met de recenserende schrijver. De recenserende schrijver die, met als excuus de paar tientjes die hij er voor krijgt (‘Ik moet toch ergens van leven’) zijn liefde voor de literatuur belijdt door een waardeoordeel te vellen over het werk van anderen. Ik vind zelf dat zoiets geen pas geeft, dat de ene schoenmaker zijn mond moet houden over de kwaliteit van het werk van de andere schoenmaker, net zoals ik ook een bloedhekel heb aan die venijnige vergelijkende reclames op televisie (dat je ze relatief weinig ziet in Nederland geeft aan dat er nog meer mensen zijn die ze een beetje sneu vinden) en ook vind ik dat je in het leven godverdomme gewoon moet KIEZEN. Daarnaast – indien je zou beargumenteren dat de recensie als vorm zich er toe leent om jouw kennis van en visie op (wat) literatuur (zou moeten zijn) te toetsen aan een specifieke casus, hetgeen ik inderdaad verdedigbaar vind – zou ik willen voorstellen dat schrijvers alleen recensies mogen schrijven die de ruimte bieden om die visie ook in al haar nuances te onderbouwen. Geen honderd woorden die de korte inhoud samenvatten en de benodigde sterren uitdelen, maar volwaardige beschouwingen, een schrijver waardig, die door middel van het bespreken van het boek ook het eigen schrijverschap tegen het licht houden, en liefst een beetje meedogenloos, zodat de lezer er zijn kwetsbaarheid en zijn onzekere zoektocht naar de heilige graal van de literatuur in andermans én eigen werk in terug kan lezen, ter duiding en verrijking van het waardeoordeel. Kortom: niks van onder de 1000 woorden. Die recensies van schrijvers zou ik graag lezen. Ik sluit niet uit dat ik er, op een onbewaakt en zwak moment, zelfs eventjes zachtjes in een hoekje mee zou kunnen zitten dwepen.

Gebaar.

Ik strompel De Kaaiman uit en aan mijn arm hangt een meisje. In het spel van flikkerende spots en uitdovende schaduwen had ik gedacht dat ze Marokkaans was: donkere huid, lange golvende zwarte haren, harde lach. Dat was ook het hele punt. Je mag niet vergeten dat we nu spreken over een tijd waarin er geen avond op café voorbij ging zonder dat wij speculeerden over wie in onze vriendenkring op het Vlaams Blok stemde, een populaire denkoefening onder jonge links denkenden vanwege de entertainende spanning die ontstond uit het taboe dat dit stemgedrag was in schril contrast met de hoge statistische waarschijnlijkheid ervan, dus wanneer een gast als ik een Marokkaans meisje probeerde te versieren in de Kaaiman, ja, dan kon je eigenlijk moeilijk anders dan dit beschouwen als een gebaar van goede wil naar de Marokkaanse gemeenschap toe, en de mythe van De Broers maakte het zelfs tot een licht heroïsche daad, zo moet je het zien en zo’n nacht was het weet je, zo’n nacht tijdens dewelke ik middels de juiste mix van wodka, red bull en wiet de perfecte symbiose van energie en ontspanning had bereikt, en de zaal en de mensen de juiste graad van wazigheid hadden gekregen en ik had kunnen blijven dansen maar nu, in het aarzelende ochtendlicht dat de gedempte Zuiderdokken streelt, blijkt ze gewoon blank te zijn en ze zegt dat ze Sylvie heet.

Alles onder controle.

Dit dreigt een serie te worden en zeker niet de leukste die ik ooit schreef maar ik kan het niet laten.
Gisteren kreeg ik een tweet van Stadsdeel Oost met de mededeling dat de bloemen en de foto bewaard zijn gebleven voor de familie. Ook las ik dat er tijdelijke verkeersregelaars komen op de plek waar de paaltjes stonden, in afwachting van een definitieve oplossing. Nu is die kade één lange rechte lijn, en autovrij, het is moeilijk jezelf in te beelden dat daar iets mis kan gaan, zolang er maar niemand op het idee komt om er – pakweg – paaltjes te plaatsen of zo.
Maar vanochtend stonden ze er. De eerste verkeersregelaar op de plek waar de dodelijke paaltjes verdwenen waren, in een fel geel-oranje fluo jas. Hij sprak druk in een portofoon. Aan de kant stond een elektrisch autootje geparkeerd, de kofferbak stond open, ik zag diverse materialen liggen om het verkeer mee te regelen waaronder een rood-witte verkeerskegel. Kortom. Alles onder controle. Ik fietste door.
De tweede verkeersregelaar zat tweehonderd meter verderop, waar paaltjes hadden gestaan die de kans niet hadden gekregen hun dodelijke potentieel waar te maken, op een bankje, luisterend naar wat haar portofoon vertelde. Ze lachte. Ik keek achterom. De gezichtsuitdrukking van de man kon ik niet meer onderscheiden maar ik beeldde mij de voldoening van een geslaagde grap in.
En toen kwam er een auto de autovrije kade op rijden. Helemaal vanaf het begin van de kade. Vrolijk reed hij uiterst links en zij aan zij met de fietsersstroom ouders en kinderen die net op gang was gekomen, en kwam tot stilstand op ongeveer vijf meter van het bankje waar de tweede verkeersregelaar op zat te lachen, vlak voor de bocht die al die fietsers nemen om de kade op of af te rijden. De verkeersregelaar stond recht. De man zette zijn vier pinkers aan. De verkeersregelaar ging weer zitten en zei wat in de portofoon. De man wandelde met zijn kind de kade af, naar school. De motor draaide. De fietsersstroom gleed langs de wagen heen. De verkeersregelaar keek de man na en schudde het hoofd. Kortom. Alles onder controle.

Huis.

Gisteren maakte ik lamsschenkels. Een heel eenvoudig en overheerlijk recept. Niet meer dan een half uurtje werk, wat geklooi met boter en kruiden en zilverpapier en daarna gaat het twee en een half uur in de oven en kon ik gewoon verder met mijn werk. Terwijl ik tikte, vulde het huis zich langzaam met de geur van lamsvlees, rozemarijn, tijm, look. Ze zeggen dat als je je huis wil verkopen, je een cake moet bakken voordat de potentiële kopers komen kijken. Ik denk zelf dat dit recept ook zou kunnen werken maar ik wil mijn huis niet verkopen, het is een geweldig huis, in al zijn gebrek aan logica en opslagruimte, en de voorbije dagen realiseerde ik mij plots – ook al door dat gedoe met die paaltjes – dat ik enorm van dit huis ben gaan houden en van de buurt waar het staat terwijl ik hier toch al bijna tien jaar woon, in zoverre dat ik besloten heb dat huis op te voeren in Boek 3 ook al omdat het een structuur en indeling heeft en bepaalde details waar ik veel mee kan, en die ook een andere betekenis kunnen krijgen dan enkel een kenmerk van een huis, en vooral omdat ik dit huis en het gevoel dat wordt opgeroepen door bijvoorbeeld een sigaret op het balkon met zicht op het aanrecht in de keuken en het licht van de ingewerkte halogeenlampjes, zo goed ken dat ik weet dat ik het heel goed kan opschrijven, sterker, ik denk dat ik het zo goed kan opschrijven dat ik straks, wanneer Boek 3 af is, stikjaloers zal zijn op het personage dat in dit huis mag wonen.

Paaltjes weg.

Het verwijderen was net afgerond toen ik er langs fietste. Een motoragent hield verveeld toezicht op vijf cirkelvormige littekens in het wegdek. Een gele vrachtwagen manoeuvreerde piepend achteruit. Ik ging rechtop staan, bolde reikhalzend langs de laadbak. Daar lagen ze. De paaltjes.
Een noodzakelijke maatregel, zo heeft gedegen onderzoek uitgewezen. Joh. Er was van alles niet in orde met die paaltjes. Geen aankondiging, geen licht, geen ribbelmarkering. Dat had allemaal gemoeten. Wist ik niet. Ik ga erop letten. Paaltjes aller landen en dan met name in Amsterdam Oost, kunnen per direct op mijn onverdeelde aandacht rekenen.
Ik vraag me af wat ze met de foto en de bloemen hebben gedaan. Ik vraag me af wat de arbeider dacht toen hij de touwtjes en de tape verwijderde. Of hangen ze er nog aan, gaan ze samen zo het stort op. Wat gebeurt er eigenlijk met dat vervloekte paaltje? Staat het straks elders in de stad, anoniem te wezen, terwijl fietsers en scooters er langs zoeven, vaders en moeders met kinderen, nietsvermoedend, zoals ieder mens, zonder het te weten, ook wel eens achter een moordenaar of verkrachter in de rij staat bij de kassa in de supermarkt?
Ik ben zeer benieuwd wat het stadsdeel de buurtbevolking als alternatief voor die paaltjes gaat aanbieden. Vast geen excuses. (Sterker nog. Voorlopig komt er helemaal niets. Een prima oplossing. Je vraagt je af hoe de verantwoordelijke wethouder, wiens intelligentie toch moeilijk kan worden overschat, niet eerder in staat is gebleken om daar aan te denken: niets.)

Invitaties.

Vanochtend dienden er invitaties te worden uitgedeeld voor het verjaardagsfeestje. Een delicate kwestie waarover het schoolreglement zegt dat het beter is dit buiten de klas (en het zicht van de ongelukkigen die de gastenlijst niet gehaald hebben) te doen. Enigszins spontaan besloot ik dat dit een wat overtrokken maatregel was. Dus wij de klas in met zeven roze enveloppen. Nou. Met de kennis van nu, zou ik de maatregel bepaald niet overtrokken meer willen noemen, al bij al.
Toen ik de klas verliet zag ik gasten en niet-gasten gretig over de uitnodigingen gebogen staan, gade geslagen door de gastvrouw, knagend op haar vinger, alleen, wachtend op haar stoel, aan haar tafel, en in haar grote blauwe ogen speelde een vreemde mengeling van opwinding en vrees voor wat ze had ontketend. Ik had het zelf ook een merkwaardige selectie gevonden waarin een stuk of twee van haar allerbeste vriendinnen ontbraken maar ‘allerbeste’ is in al haar absoluutheid een bijzonder relatief begrip in het leven van een bijna zesjarige, zo heb ik al meermaals mogen vaststellen.
Daarna fietste ik naar huis, zoals altijd, u weet het nu wel, over de kade. De bloemen dunnen uit. Je kan nu de tape en touwtjes zien waarmee ze aan het paaltje waren bevestigd. Sinds een week of wat hangt er ook een foto aan, van iemand die ik niet ken maar die ik zeker heb gezien. Zo groot is ons eiland niet.

Het motief.

Ik kreeg een smsje van iemand die droevig was geworden van een blogje van mij. Ik dacht aan de email van een collega auteur die vond dat die blogs de laatste tijd steeds donkerder leken te worden. Ik ging zitten aan mijn bureau en schreef:

Natuurlijk, natuurlijk. Alles is heimwee of het groeiend besef van het gebrek eraan. Ik bedoel: hoeveel jaren heb ik nog Tigra-sigaretten geïmporteerd? Wanneer ben ik gestopt met het nakijken van de uitslagen in tweede klasse? Waarom denk ik, terwijl de zon het water streelt, en de motor rustig bromt en wij beurtelings naar elkaar en naar die twee oranje bandieten achterin de sloep kijken, waarom denk ik dan: excellent weer voor een potje petanque? Waarom? Waarom. Hoe vaak heb ik dié vraag niet gesteld? Soms voel ik mij een rechercheur die zich de haren uit het hoofd trekt en zijn nagels afbijt tot zijn vingertoppen stomp en lelijk zijn, uit niets anders meer bestaan dan dik, ruw eelt van het verbeten tikken van verslagen, de kaakspieren vermoeid en uitgezakt van het kauwen op frustratie en het eindeloos stellen van de verkeerde vragen in de vruchteloze zoektocht naar de ware toedracht van de zaak en vooral: het motief van de dader.

Kortom. Dat pakte al meteen een stuk vrolijker uit.

Quote.

Gisterochtend was ik bij mijn agent op bezoek en ik kreeg Pels cadeau, het verhalendebuut van Naomi Rebekka Boekwijt. Ik kijk al lang uit naar die bundel. In 2011 zat ik in de jury van Write Now! Haar verhaal was het beste, bij verre het beste, wat ik toen te lezen kreeg, ook al won ze de finale uiteindelijk niet.
Ik had er een blogje over geschreven. Ik tipte zo ongeveer iedereen die ik kende. Eerst mijn agent, uiteraard, loyale hond die ik ben. Die bezorgde haar een uitgever. Veel moeite kan dat niet gekost hebben.
Uit dat blogje van toen heeft de uitgeverij nu een quote gehaald. Ik had het eerder al gezien in de aanbiedingsfolder voor de winkels. Niemand had mij wat gezegd maar ik ontvang die folders want mijn liefje werkt (deels) voor die uitgeverij. En nu staat die oude quote achterop het omslag van het boek. Ook zonder mij iets te laten weten of te vragen. Heb ik ook wel eens met tweets. Dan roep je wat op Twitter en de volgende dag wordt er een hoekje van de krant mee gevuld omdat er niks belangrijkers gebeurd is, hetgeen onmogelijk dient te zijn.
Ach. Ze zullen wel verondersteld hebben dat mijn liefje het me zou zeggen, of zo, en dat het wel goed zou zijn omdat… etcetera… iedereen veronderstelt alsmaar dingen, je doet er niks aan. Dus ik zal ook maar niet nadenken over welke veronderstelling er vooraf is gegaan aan de werkelijk schandalige prijsstelling van Pels. Achttien euro voor 100 bladzijden. Het gaat kennelijk nog niet slecht genoeg in het boekenvak.
Ik merk nu dat dit een mopperblogje wordt, een beetje in de stijl van sommige blogs van Gerbrand Bakker (dat vindt ie vast niet leuk dat ik dat schrijf). Dit verdient Naomi Rebekka Boekwijt niet. En het zou me verbazen als Gerbrand sommige van deze verhalen niet ook heel mooi vindt. Zoals het eerste verhaal uit de bundel, Buiten. De intensiteit ervan, de natuur, de dieren, de stiltes, alles wat er niet in gebeurt en er niet in wordt verteld. Zo staan er nog een paar in. Ontzettend goed. Nee. Angstaanjagend goed. Dat is beter.
‘Bij wijlen angstaanjagend goed.’ Prima quote, lijkt me. Die mag je hebben.

Al lang blij.

Wanneer ik zelf terug denk aan 1981 – zo vaak gebeurt het niet maar toevallig wel gisteravond, terwijl ik stond te roken op het balkon – dan denk ik aan mijn schoolgaande jeugd tijdens dewelke mij en mijn lotgenoten een toekomst werd voorgespiegeld waar wij al lang blij mee mochten zijn. (‘Ge moogt al lang blij zijn als ge een job hébt.’)
Maar toen ik de school verliet was de crisis voorbij en de jobs lagen voor het oprapen. Dat was raar. Wij werden losgelaten uit de jaren tachtig als een stel angstige kippen uit een donker hok en plots keken wij recht in een verblindende zon terwijl ze ons altijd hadden gezegd dat het daarbuiten donker was, en regende. En toch deed ik wat men mij gezegd had: ik was blij met een klotejob.
Bekijk het als een verlammend virus dat rond waarde in mijn bloed en op ieder beslissend moment in mijn leven door mijn hart overvloedig naar mijn hersenen werd gepompt. Pas nu, in mijn veertiger jaren, met het alsmaar rondzingende vermoeden in mijn hoofd dat ik misschien niet lang meer te leven heb, een pathetische veronderstelling waar medisch gezien nauwelijks aanwijzingen voor zijn, toch blijf ik het denken, met iedere sigaret op dat balkon dat ik vruchteloos blijf verfraaien met bloemen en planten, als om het aanzicht van de dood aantrekkelijker te maken, pas nu dus, eindelijk, ben ik al lang niet meer blij om wat dan ook.