GAS.

Ik dacht: het zal wel vragen regenen als de uitbreiding van die GAS-boete wordt goedgekeurd. (De GAS-boete, lieve Nederlandse vrienden, is een Gemeentelijke Administratie Sanctie, een boete die Belgische gemeentes kunnen inzetten bij overtredingen op het gemeentereglement, zonder tijdrovende proces verbalen of andere procedures. Ze lijkt van heel ver op het Nederlandse APV. Sinds de invoering ervan leidde dit onder meer tot het keihard aanpakken van belletjetrek, sneeuwballen gooien, fietsen zonder handen, het eten van een broodje in een winkelportaal en andere heftige vormen van openbare overlast.)
Ik dacht: daar gá ik weer. Nog maar eens dat exotische Belgische absurdisme uit proberen te leggen terwijl mijn teennagels door mijn schoenen heen krullen van plaatsvervangende schaamte. Maar nee, niks. Niet één vraag of opmerking.

Ik vroeg me af hoe dat kwam. Op Twitter vroeg ik mijn Nederlandse volgers om mij eens een sléchte eigenschap die zij als typisch Belgisch ervaren te noemen. Een greep uit de meest voorkomende inzendingen: vage en indirecte communicatie, onbetrouwbaar of minimaal onduidelijk in het maken en nakomen van afspraken, aanvankelijk enthousiasme veinzen en dat niet omzetten in daden, (schijnbare) willekeur bij het nemen van beslissingen. Enzovoort. (Verder zijn we nog steeds bourgondisch, gezellig, schattig, taalvaardiger en wordt zelf toegegeven dat ons nationaal elftal beter is dan Oranje.)


Nog niet zo lang geleden constateerde de Nederlandse socioloog Gabriël van den Brink dat we in de privé sfeer steeds liberaler worden. Wat thema’s als abortus, homosexualiteit of euthanasie betreft heerst er een behoorlijk groot maatschappelijke consensus bijvoorbeeld. Maar in de publieke ruimte worden (ook) de Nederlanders steeds minder tolerant. Of het nu om hangjongeren gaat, voordringen in de rij voor de kassa, of het nét even iets te fluks inhalen van de fietser voor je: regelmatig zie ik om mij heen buitenproportionele reacties op futiliteiten die door opvallend veel mensen in verband worden gebracht met ‘de stand van het land’ whatever that may be. Niemand die precies weet wie de vijand is, maar hij is er, daarover zijn ze het eens, en we houden onze hand te allen tijde aan het pistool. We zien overal gevaar, op elke hoek van de straat. We willen het zien. Misschien hebben we het nodig, om samen te kunnen zijn. Ik ontken het bestaan van echte overlast-problemen niet, ik heb vragen bij hoe we er mee omgaan in het dagdagelijkse leven.
Van de overheid zou je mogen verwachten dat zij deze tendensen gaat onderzoeken, nuanceren, duiden met feiten en cijfers en dat zij beleid ontwikkelt dat erop gericht is de echte problemen aan te pakken en de tendens van onderlinge burgerlijke onverdraagzaamheid om te buigen. Maar dat doet de overheid niet, integendeel. De staat moedigt deze laatste houding juist aan. Onvrede bij de burger = potentiële te winnen stemmen die niemand durft tegen te spreken.

In België gebeurt dit dus middels de GAS-boete. Een regeling die naast in betutteling ook uitblinkt in vaagheid en onduidelijkheid en bij voorkeur met een flinke dosis willekeur en schijnheiligheid wordt uitgevoerd. Tiens. Dat lijken wel precies dezelfde kenmerken die mijn Nederlandse volgers op Twitter spontaan noemden. Geen wonder dat niemand in Nederland wakker ligt van de stemming over een wetsvoorstel dat vanuit hun perspectief niets anders doet dan al deze typisch Belgische eigenschappen glansrijk verenigen in één wet – best knap eigenlijk.

Een goed moment.

Wanneer ik zelf terug denk aan de periode waarover ik je nu wil vertellen, om god weet welke reden trouwens, eigenlijk slaat het helemaal nergens op dat ik twintig jaar na datum nog steeds met die historie in mijn hoofd zit, alsof die gebeurtenissen en die schijnbaar eindeloze nachten waarop ze plaats vonden zich indertijd ijlings hebben teruggetrokken in een achterafkamertje van mijn geheugen en geduldig hebben zitten wachten op een geschikt moment, niet een geschikt moment voor mij, geenszins, ik kan me in verband met dat verhaal niet inbeelden dat er een goed moment bestaat om eraan terug te denken, laat staan het te vertellen, maar wel een goed moment voor het verhaal zelf, en voor de gebeurtenissen, en die nachten, een moment dat geschikt is voor hén, wellicht omdat het ’t laatste mogelijke moment is, wellicht omdat ze bang zijn dat als ze nu niet tevoorschijn komen, ze nooit meer verteld kunnen worden, dat zou veel verklaren, ook zij moeten het voelen, mijn angst en tegelijk mijn neerslachtigheid en gelatenheid bij de gedachte aan een jonge dood, en dus komen ze tevoorschijn, want als ik sterf dan verdwijnen zij ook, zoals alle verhalen die nooit zijn verteld vervagen en ten slotte verdwijnen, tezamen met de laatste die hen bewaarde, als de herinneringen van blinden aan wat ze ooit hebben gezien. Alleszins, wanneer ik terug denk aan die periode dus, dan denk ik vooral aan de wijk Antwerpen-Zuid, oftewel ’t Zuid en aan het ritme van de zomerdagen toen ik er woonde, de koele bries van verse koffie op een terras en de zwarte vegen in mijn hand, van de krant, en het opspattend grind in de zon langs het museum wanneer daar weer een stalen bal landt. En dat terwijl het hele verhaal zich afspeelt in het noordoosten van de stad. Maf, hé?

Bloemen.

Ik fiets elke ochtend over de Veemkade naar huis, nadat ik mijn dochters naar crêche en school heb gebracht en ik vroeg me al een tijdje af wat die bloemen te betekenen hadden. Bloemen aan een paaltje in de openbare ruimte. Zelden goed nieuws.
Gisteren hoorde ik het, omdat de vrouw aan haar verwondingen overleden was. De man is weer thuis, met de naweeën van een zwaar hoofdletsel, en twee kleine kinderen.

Wij wonen op het Sporenburg eiland, iets verderop. Ons eiland wordt met het volgende schiereiland, Borneo, verbonden door een fietsbrug. Tot een jaar geleden kon je daar heerlijk oprijden, en zalig af zeilen. Het is een steile brug, met perfect overzicht op de verkeersituatie aan de voet, die zelden druk of dreigend is: in onze buurt spelen de kinderen zorgeloos en veilig op straat.
Toen werden er door het Stadsdeel donkerblauwe hekken geplaatst, die fietsers dwingen af te remmen om er tussen door te slalommen, alvorens de brug op of af te kunnen. Een dag voordat op die hekken fluo strips werden aangebracht, lag er een vrouw bewusteloos op de grond, haar fiets hing verwrongen en onderstboven in die hekken.

Operatie Cover Ass, aflevering 317. Voornaamste wapens: ons mediageil opportunisme en de snelheid van de tijd. Meestal wordt er een zinnetje gehanteerd als ‘Er wordt onderzocht in welke mate het Stadsdeel verantwoordelijk is’, hetgeen betekent: ‘Binnen twee weken vraagt niemand er nog naar’.
Nu staat er ijskoud: ‘Het onderzoek gaat zeker nog de hele maand duren.’ Een hele maand voor een paaltje en slordigheid en lessen die niet ernstig zijn genomen. Een hele maand. EEN HELE MAAND.
Ik kan niet anders dan dit interpreteren als: ‘Fuck off, het kan ons niks schelen.’

Vanochtend bracht ik mijn twee kleine kinderen naar school. Op de weg terug, zeilde ik van de Jan Schaeffer brug en draaide om Pakhuis De Zwijger heen de Veemkade op. Onmiddellijk kon ik ze zien, in de verte, over een afstand van meer dan driehonderdvijftig meter: vier verticale fluo strips die één grillig, donker silhouet flankeerden. Bloemen.

Rauwe vis.

Ik neem een langwerpige tupperware doos en doe er twee soeplepels bloem in. Daarna neem ik een sliptongetje en leg het in de doos, doe het deksel erop en begin ermee te schudden. (Vroeger deed ik die truuk met een plastic tas.)
Zoveel herinner ik me niet van dat meisje. Een relatie met een beroepsmilitair. Een stage bij een vrouwenblad. Tandpastareclame tanden flikkerend in het TL licht wanneer ze de lift uitstapte en ik toevallig kopietjes maakte in de gang. Daarna een wandeling van de auto naar een festivalterrein waarbij onze handen elkaar bijna raakten, en ik niet opzij durfde te kijken. Een gesprek bij de deur van haar huis, leunend op het stuur van mijn brommer, benen wijd, zij met haar fiets in de hand, drentelend, een gesprek dat net niet lang genoeg duurde. En dat etentje.
Ik stond in de keuken, een open keuken, gescheiden van de rest van de woonkamer door de vinyl vloer, vlekkerig en afgeleefd, een vuil eiland omsingeld door vast tapijt – god, wat ik mis dat appartement soms nóg – en ik opende de verpakking: twee kipfilets. En ik herinner me haar blik, en haar betoog, en wat ik dacht toen ik de deur achter haar sloot, maar uiteindelijk belandde ik toch in Nederland.
Voorzichtig neem ik de vis bij de kop, schud de overtollige bloem eraf en leg hem op de houten snijplank. En zo één voor één, tot daar vier vissen liggen.
Onlangs zocht ik haar op, zoals ik dat soms doe, wie niet eigenlijk? Het was een nette foto. Nog steeds diezelfde donkere ogen, en dezelfde blik, en ik wist: nog steeds geen rauw vlees in haar handen gehad. Van vis zou ik het niet durven zeggen.

De vermoedens.

Ik stapte uit de douche en een vreemde rilling trok door mijn linker bovenarm. Een vliegensvlugge speldenprik. Ik keek in de spiegel. Druppels water gleden over mijn gezicht en borst en armen naar beneden. Ik bedacht dat ik dringend nog eens mijn schaarse borstharen diende bij te knippen – iets waarover ik onlangs nog had gelogen tegen iemand die er al te gretig een opmerking over had gemaakt terwijl hij een zweterige vinger achter de hals van mijn t-shirt had gehaakt. Een schrijver uiteraard, eentje die zelf niet al te vaak in de spiegel kijkt, naar ik vermoed. Dat soort types moet je niet te veel gunnen.
Wanneer ik mezelf naakt in de spiegel zie, denk ik meestal aan twee dingen: mijn borstharen die bijgeknipt moeten worden en alle, talloze, hopeloze, domme, onherroepelijk vervlogen keren dat ik mij als twintiger had voorgenomen naar de sportschool te gaan. Het is waar: wanneer ik naakt ben, leidt dat zelden tot uitbundige taferelen.
Nu viel mijn blik op mijn linker bovenarm waarin de aders plots helblauw oplichtten, zo helder dat ik het bloed bijna letterlijk kon zien stromen en ook in de onderarm werd een ragfijn spinnenweb van sierlijke blauwe lijnen getekend, die allemaal vertrokken van het kaarsrechte kanaal dat naar mijn pols liep. Mijn rechterarm zag er gewoon uit als een rechterarm.
Het was een rustig weekend geweest waarin vrijwel niets gebeurde. Uitzonderlijk en aan mij had het niet gelegen: ik was zelfs met mijn moeder naar een tuincentrum geweest. Maar dat is hoe het gaat. Zo gebeurt er niets, hoe graag je het ook zou willen, en zo is daar het besef dat het niet meer lang kan duren voordat alle vermoedens waar zullen blijken te zijn.

Hond.

Ik fietste verder over de kade, onder de brug, en op de kop van Java zag ik nu de mensenmassa bewegen, tussen de tenten door, als één vleeskleurig organisme. Een soort van modderstroom in feite, stug, maar vloeibaar, die zich langzaam een weg probeerde te banen maar geen doorgang vond om zichzelf af te voeren in het IJ. Jammer, eigenlijk.
Meestal staat op dit punt, op de kade, het personeel van restaurant Fifteen te praten en te roken maar nu was er niemand, wellicht waren ze gesloten. Wel stond er een fotografe samen met een forse dame met rode haren, hoge rode hakken en een blinkend rode rolkoffer en die gingen samen iets doen, zoveel was duidelijk. Ook een koppel waarvan het meisje haar gezicht verborg tegen de borst en in de jas van de jongen, haar armen om hem heen geslagen alsof ze hem nooit meer los zou laten, zoals ook kleine kinderen kunnen doen. Ik ken dat gevoel en de jongen lachte naar mij. Tot slot, vlak voordat ik de kade verliet en aan de beklimming van de brug bij het Muziekgebouw zou beginnen, zag ik een man van het securitybedrijf, zo eentje met een V op zijn borst gespeld, en een snor, uiteraard. Ook hij keek naar het koppel, en de dame, en de modderstroom op de kop van Java, en naar mij, hij keek alsof hij ons allemaal verdacht van iets en wij geluk hadden dat hij niet ingreep terwijl de hond hem voorttrok, ongeduldig, met zijn natte neus de grond scherend. Het was een boxer, zo eentje met een platte snuit die altijd kwaad en triestig lijkt, en dat was ook nu het geval, eigenlijk keek hij precies zoals zijn baasje. Het was een gelijkenis die zich bruusk opdrong, in het moment zelf; in mijn hoofd hoorde ik de klik van de camera.
En terwijl ik verder fietste bekeek ik de foto: ze waren identiek. Alleen had die hond geen snor en leek hij met opzet naar niemand te kijken.

Dobberen.

Er vloog een duif over het water, parallel met de kade en met mij, in een perfecte rechte lijn, zo’n tien centimeter boven de kopjes die het IJ verhinderden een spiegel te zijn.
Vreemd, dacht ik, voor een duif.
De vleugels wijd gespreid, haast roerloos, hooguit hier en daar met een slag de koers corrigerend en ook niet heel erg snel eigenlijk, gewoon precies zo snel als ik fietste.
Benieuwd hoe lang die duif dat volhoudt, dacht ik.
Nou, niet lang dus. Na een meter of honderd, hooguit honderdvijftig, vlak voor de Jan Schaefferbrug, waarachter ik de witte tenten kon zien die de school bijna volledig verborgen en waaruit harde, koude beats opstegen die de lucht nog killer maakten dan ze al was en waarop de twee mannen die de duif en ik hadden ingehaald – één kortgeschoren, de ander met haren als zwarte klei waarin een kam en gel strepen hadden getrokken, allebei een blikje bier in de hand – straks onhandig zouden bewegen, hun ogen gericht op een te jong meisje dat denkt dat het al werkelijk zomer is, precies daar dus, maakte de duif een feilloze buiklanding en ging rustig liggen dobberen.
Dat kan natuurlijk niet, zal u zeggen. Duiven dobberen niet.
Dat is ongetwijfeld waar.
Maar wie ben ik om hen het recht te ontzeggen?
Het was een duif, oké? En ze dobberde.

Mijn leven is mooier dan literatuur.

Ik kan me niet meer precies herinneren wanneer ik Jannah Loontjens voor het eerst ontmoette. Ik weet wel dat ze enorm stond te dansen in een felrode jurk op de boekpresentatie van Gelukkig zijn we machteloos en onze eerste koffieafspraak ontstond uit een gedeelde interesse en liefde voor soft drugs. Kortom.

En aldus doe ik nu volgaarne mee aan een zogenaamde blog tour, deze week, waarbij elke dag een ander blog in de virtuele wereld aandacht besteedt aan Jannah's nieuwe boek, geen roman, maar een non-fictie werk over het schrijverschap: Mijn leven is mooier dan literatuur.

Enige tijd geleden had ik de eer om één van de sprekers te zijn op de Amsterdamse boekpresentatie waarbij ik middels een column reageerde op hoofdstuk vier 'Schrijvers en waarheden' en dan meer bepaald op dat deel van het hoofdstuk dat ingaat op het autobiografische element in romans, en het feit dat of iets wel of niet echt zo gebeurd is, heden ten dage de waarde van de tekst voor de buitenwereld lijkt te beïnvloeden. Nou, daar weet ik wel het één en ander van af, kan ik je vertellen.

En dus lijkt het me toepasselijk om ter meerdere eer en glorie van Mijn leven is mooier dan literatuur, een terecht alom geprezen boek trouwens, waarvan u ook prima kan genieten zonder een schrijver te (willen) zijn, de integrale tekst van de column die ik toen voordroeg hier te publiceren. Eenvoudigweg te downloaden middels een KLIK!

Dansen.

Het stelde natuurlijk niks voor, al was het maar omdat ik in de loop der jaren het vermogen ben verloren om zulke dingen iets te laten betekenen maar ze zei: ‘Kom we gaan dansen.’ En ze liep voor mij de zaal in en stak haar hand naar achteren uit, zonder om te kijken, en ik keek naar die hand, niet goed wetend wat ik ermee moest doen, alsof ik teruggeworpen werd in de tijd. Black lights, bamba, slows en het stille verlangen naar dingen waar ik het fijne niet van wist.
Ze hield halt, keek nu wel om, maakte een hoofdbeweging naar de dansvloer, keek naar haar eigen hand die daar nog steeds hing, en uitnodigend wapperde, en ik stak de mijne uit, liet haar vingers over mijn vingers glijden, of moet ik zeggen: durfde eindelijk. Zo liepen we verder tussen niet eens zó heel drukke drommen mensen door, het was donker, iedereen was een silhouet en het aangename besef overviel mij dat ook wij dat waren, twee silhouetten, hand in hand, en dat niemand ons werkelijk kon zien, een genoegen – dat kan ik je wel vertellen – dat voor een man van mijn leeftijd akelig zeldzaam is geworden bovendien. Verder stelde het niks voor, zoals gezegd, ze wilde dansen en ook ik kreeg er zin in, dansen, zoals de donkere krullen op haar schouders en rug, en het licht dat versprong van gezicht naar gezicht, en de stemmen om ons heen, het klateren van de lach in haar spiegelende ogen, en de gedachten in mijn hoofd, snel en kwiek en zacht, maar ik zweer je: ik volgde slechts en niemand kon ons werkelijk zien, die nacht. 

Nogal wat.

Vroeger, langer geleden, kinders, toen ik nog dacht van enige muzikale relevantie te kunnen zijn, maakte ik wel eens opnames in daartoe bestemde studio’s, samen met mijn toenmalige kompanen. Wat me het meest bij staat van die opnames is dat wij bij het beluisteren van de eindmix, door de grote speakers, knalhard, altijd bijzonder tevreden waren met onszelf en de onomstotelijke vaststelling dat die dikke hit ons niet meer kon ontglippen. Maar zodra een vreemde de ruimte betrad en met ons mee luisterde, had ik onmiddellijk door wat er aan het nummer schortte, wat er te veel was, te weinig, te gezocht, te gewild, plots en onverbiddelijk blootgelegd door de aanwezigheid van iemand die gewoon luisterde en niks zei, iemand naar wie ik niet eens keek, meestal sloot ik de ogen, maar ik voelde hem of haar in de kamer staan en dat was genoeg.
Precies zo werkt het met schrijven, moet ik wederom vaststellen, nu er een ruwe versie van Boek 3 bij de beëdigde meelezers ligt. Ik weet niet wat die mensen ervan vinden, ik zie of spreek ze niet, maar ik weet dat ze lezen en terwijl ik de dagen in lamlendigheid doorbreng, plots dodelijk vermoeid en ziekig, meen ik alles te zien wat ik voorheen niet zag, en alles te weten wat ik al die tijd ontkende. En dat is nogal wat.

Amstel hotel.

De voorlaatste dag op mijn boerderij in Bretagne, realiseerde ik mij dat die avond de Libris Literatuurprijs werd uitgereikt. Ik geloof niet dat ik ooit iets over die avond in 2012 heb geschreven. De dag erna was ik leeg en moe en ik verkeerde in een bui die ik eens in de zoveel tijd heb, het is een complexe bui, met a lotta ins en a lotta outs, in essentie dezelfde bui die ik heb sinds ik gisterochtend een eerste ruwe versie van Boek 3 naar mijn redacteur mailde en ze komt hierop neer: WAAROM, in godsnaam, wil ik dit allemaal. Daarna kwam het er niet meer van.
Verder was het een prachtige avond, ik ben prima in staat mij enige égards te laten welgevallen en daar zijn ze tijdens zo’n uitreiking niet zuinig op, ook als je niet wint. Maar wanneer ik er nu aan terugdenk, dan denk ik in de eerste plaats aan het fietsritje ernaartoe. Het was een mooie dag geweest, en ik fietste in één lange rechte lijn vanaf het Alexanderplein tot aan het Amstel Hotel. Ik had lichtjes wind mee, hoefde de trappers nauwelijks aan te raken, de avondzon viel op mijn gezicht en wanneer het verkeersveiligheidsgewijs maar kon, sloot ik de ogen.
Bij de tramhalte aan het Weesperplein zag ik een ex-collega die ik lang niet meer had gezien en die ik erg graag mag. Ik stopte, en zij liet een tram gaan. En zo, op een meter of honderd van dat Amstel Hotel stonden we een kwartiertje bij te praten, over werk, en kinderen, en nieuwe bandjes en aan het eind van het gesprek vroeg ze waarom ik in pak was. En toen kon ik naar het Amstel wijzen.
Daarna fietste ik het laatste stukje. Bij de entree van het hotel stond een cameraploeg. Ik parkeerde mijn fiets aan de overkant van de straat, zag hoe Miguel Bulnes aan kwam en geïnterviewd werd, keerde mijn gezicht naar de zon en stak een sigaret op.

Docteur Moa.

Ik werd uit mijn schrijfretraite gehaald om met zieke Lou naar de dokter te gaan. Mijn schoonvader reed ons ernaartoe. Het was een zondag en de dokter van dienst woonde in Eliant, het dorp waar ik verbleef in de boerderij waar mijn schoonvader is opgegroeid.
‘Ik ken die dokter niet,’ zei mijn schoonvader toen ik instapte. We reden naar het dorp.
‘Docteur Moa,’ zei mijn schoonvader. ‘Naam zegt me niks. Ik zal even moeten zoeken waar het precies is.’
Zonder problemen vonden we het huis van de dokter. Hij was er nog niet. We wachtten in de auto. Lou viel in slaap.
Na tien minuten arriveerde Docteur Moa. Een lange, magere man van een jaar of zestig.
Mijn schoonvader groette hem en de dokter groette terug en wenkte ons binnen te komen.
‘Ga jij maar,’ zei mijn schoonvader. ‘Ik wacht hier op jullie. Ik ken hem toch niet. Nooit gezien. Ja, één keer misschien. Maar dat is drieëntwintig jaar geleden.’

Waumans & Victoria Extravaganza in de Brakke Grond op 7 juni: het programma!

Waumans & Victoria's Groot Internationaal Literair Variété Spektakel is terug van heel even weg geweest: op 7 juni starten wij een reeks try-outs in theaters en op festivals die, als het even wil meezitten, moeten leiden tot werelddominantie in het theaterseizoen 2014-2015 en dit alles in samenwerking met Literair Productiehuis Wintertuin.

Op 7 juni aanstaande is de eerste try-out in De Brakke Grond te Amsterdam. Zijn aldaar te gast: Saskia De Coster! (Ik lees momenteel haar bejubelde roman Wij en Ik - moet u ook doen.) Joris van Casteren! (Met wederom een fenomenaal non-fictie boek onder de arm.) Andy Fierens! (De beste performer ter wereld, ongeveer.) Alex Boogers in de Kutrecensie! (Rob en ik doen al weken een beginnerscursus gevechtsporttraining.) En de melancholieke muzikale pracht van Spilt Milk! (Check dat album op de VPRO Luisterpaal.)

Kortom. Bestel uw kaartjes nu. Online zijn ze namelijk 2 euro goedkoper dan aan de kassa (8,- ipv 10,-). En u wilt er bij zijn uiteraard.

Next up: Oerol festival op Ter Schelling (maar liefst 4 avonden na elkaar) en M-Idzomer festival in Leuven (2 avonden.) Alle data in de agenda. Of: like onze pagina en stay keihard tuned.

Schuur.

In de andere helft van de boerderij woonde een jong gezin. Af en toe stond ik buiten te roken en dan kwamen zij net aanrijden of ze vertrokken en dan knikten ze, zoals iedereen in Franse dorpen je toeknikt maar ik zag ook hun blikken die ze terluiks de woonkamer inwierpen en ik moest denken aan dat liedje van Tom Waits. What’s he building in there?
Mijn laptop stond op twee telefoonboeken in het midden van een grote tafel waarop een plastic tafelkleed met bloemetjesmotief lag. Wellicht een actie van mijn schoonmoeder die graag het romantische beeld van de zuipende schrijver cultiveert, en aldus ook dat van kleverige kringen in het tafelblad.
Tegenover mij stond een houten kast uit 1874 – het jaartal met goudkleurige spijkers in twee van de vier deuren genageld. Door het raam keek ik uit op een schuur die er ouder uit zag, opgebouwd uit grote ongelijke stenen, wellicht afkomstig uit de oude steengroeve, een kilometer verderop. Er waren honden, koeien, paarden. Het was schitterend weer. Veel zwaluwen. Wanneer ik zat te tikken voelde ik hun schaduwen vinnige cirkels draaien boven het erf en wanneer ik op keek, zag ik ze nog net verdwijnen in de gaten tussen de dakpannen van die oude schuur.

Heb ik weer.

Ik ging op schrijfretraite naar Bretagne met 65.000 woorden en het plan te schrappen en te ordenen. Ik kwam terug met een kleine 80.000 woorden en een structuur die verdacht veel op chaos leek. Zo kan het dus ook.
Ik had zeven dagen en die dagen waren lang en ononderbroken. Wanneer ik niet schreef, keek ik films: Short Cuts, Slaughterhouse 5, Happiness. Zoek zelf het verband.
Na vijf dagen printte ik alles uit en legde het op een stoel.
In de twee dagen erna herlas ik fragmenten van Het leven een gebruiksaanwijzing van George Perec en gaf mezelf toestemming om eender wat te schrijven. Om de paar zinnen Perec stond ik op en begon te tikken en dan ging ik weer zitten en las verder.
Die laatste twee dagen schreef ik nog ruim 5000 woorden bij. Ik heb geen idee waar in Boek 3 deze stukken passen. Straks moet ik nog een heel nieuw boek verzinnen om ze een plek te geven. Heb ik weer.

Ongelukkig.

Eerder die middag had ik nog tegen het vriendinnetje van Lola gezegd dat als ze die kauwgom zou inslikken, haar maagwanden aan elkaar zouden blijven plakken. Nu aten de papa’s en mama’s steak en pizza en Lola hing op een picknicktafel aan de andere kant van het terras, samen met het vriendinnetje in kwestie. Ze kletsten. Hun kin in de palm van hun rechterhand, de ellenboog rustend op het tafelblad, hun knieën op de zitbank, en hun billen ongedurig wiebelend in de wind. Dit alles kauwgom kauwend. Een naar ik vrees klassiek gevalletje van voorwaartse time slip, een fenomeen waarin ik in het kader van Boek 3 bovenmatig ben geïnteresseerd de laatste tijd.
Aan het eind van de middag speelden Lola en het vriendinnetje weer als kinderen, klimmend op en in een stellage van metalen bakken. Precies op het moment dat wij weer naar huis wilden vertrekken ontstond er paniek. Dat was tevens het moment waarop wij in retrospectieve moesten vaststellen dat mijn eerdere uitspraken aangaande het inslikken van kauwgom nu ‘ietwat ongelukkig’ dreigden uit te pakken.