Boek 3.

Vandaag rondde ik een verhaallijn van Boek 3 af. Ik heb nu één verhaallijn helemaal afgeschreven en twee andere voor ongeveer de helft. De teller staat op 53692 woorden. Dat is bijna zoveel als Gelukkig zijn we machteloos. De komende twee maanden hoop ik die twee andere verhaallijnen af te schrijven. Eind april zal ik dan wellicht zo’n 75000 woorden met me meezeulen naar Bretagne, alwaar ik gedurende tien dagen in complete afzondering zal proberen een eerste versie van de roman te monteren in de wetenschap dat er nog allerlei zijverhalen mankeren. Dat wordt een dik boek, zou je denken. Maar dat weet ik nog niet zo zeker. Ik weet eigenlijk nog niks zeker. Behalve misschien dat het een verhaal is dat ik pas kan beginnen vertellen nadat ik alles wat er in gebeurt heb opgeschreven.

Vermoeid.

De buurvrouw kwam een fietspomp lenen. Ze zag er enigszins vermoeid uit. Sommige vrouwen worden dan mooier – gek hoe dat werkt. De vermoeidheid maakt hun huid doorschijnend en daardoor kwetsbaar, en kwetsbaarheid is schoonheid. Althans, in mijn wereld.
Er kwamen twee dames aan, joggend, jaartje of 30. Ze oogden fit. Geenszins vermoeid, alleszins. In het midden van de straat speelden de overbuurjongetjes. Tegen een boom stonden vijf fietsen, eentje met een wiel op de straat.
‘Ho wacht ‘ns even dit gaan we eens even regelen,’ riep de kortst geknipte van de twee. Ze stevende recht op de fietsen af en terwijl ze de overbuurjongetjes toesprak alsof ze hun juf was, begon ze de fietsen te herschikken. 
Ondertussen zwoegde de buurvrouw met de pomp.
‘Ik heb het ventieltje er helemaal af gedraaid.’
‘Aha,’ zei ik. ‘Dat is niet zo best.’
‘Nee,’ zei ze. En ze glimlachte, waardoor ze nog vermoeider oogde.
‘Want anders kunnen de auto’s er natuurlijk niet meer langs, hé jongens,’ zei één van de topfitte dames.
De buurvrouw en ik richtten onze blik op de overkant. Het leek alsof hetzelfde gevoel ons bekroop. Ik kon er de vinger niet op leggen. Een klein vervelend wormpje dat zich een weg vrat door de achterkant van mijn hoofd (waarvan ik me inbeeld dat het de locatie is van ons geweten, ik weet ook niet waarom ik dat denk), het was niet meer dan een lichte, irritante kriebel – die zijn het ergst.
Ondertussen namen de joggende dames hun zelf opgelegde taak ernstig. Het kwam allemaal net niet uit en na enig beraad besloten ze dat er een fiets te veel tegen die boom stond, en die zetten ze op de stoep tegen een huis. Daarna groetten ze opgewekt de overbuurjongens en jogden verder.
De buurvrouw zei dat ze de tram ging nemen. Ik knikte en keek de dames na. Ik zat nog steeds met dat gevoel. Ik zette de fietspomp weer in de garage, liep naar binnen en terwijl ik dat deed, hield ik mezelf voor dat die dames iets goed hadden gedaan. Die dames hebben iets goed gedaan, Ivo. En zo een keer of vijf. Het hielp niet.