Deze nacht.
Tegen het ochtendgloren kwam ik uit De Kaaiman gestrompeld en ik liep naar mijn auto die om god weet welke reden op de Waalse Kaai geparkeerd stond terwijl ik in die tijd nauwelijks driehonderd meter verderop woonde. Wonderlijk genoeg had ik de helderheid van geest om te zien dat de rechtervoorband plat stond. Dus ik strompelde verder naar huis en de volgende middag liep ik terug naar de kaai om die band te vervangen.
Het was warm, ik voelde me niet helemaal lekker, en met de handleiding van de auto opengeklapt op de grond begon ik aan de werkzaamheden. Al snel ging ik zweten en mijn slapen bonsden en ik rook een bepaalde lichaamsgeur die ik de laatste tijd in huis ook wel eens ruik terwijl ik deze dagen toch aanzienlijk minder drink dan toen. Ze zeggen dat mensen die in hongerstaking gaan op een gegeven moment naar aceton gaan stinken omdat ze hun eigen vet verbranden. Ik ben altijd mager geweest.
Nadat ik het wiel eraf had gewrikt, hoorde ik een stem die bleek toe te behoren aan een wat oudere man met een marcelleke aan die uit het raam hing van een huis op de kaai. Hij vroeg of het ging. Ik knikte. Daarop verdween hij en ik probeerde de reserveband erop te draaien en niet veel later stond die man opnieuw in het raam, deze keer met een accordeon omgegord en hij zei: ‘Wacht, ik zal een aireke spelen, dan zal het beter gaan.’
En zonder verpinken zette hij ‘Ik wil deze nacht in de straten verdwalen’ in. Dat is nog steeds een van mijn favoriete nummers over Antwerpen, van Wannes van de Velde en toevallig ook wat ik het liefst van al nog deze nacht zou willen doen.