Pizza.
Er zijn ook tijden geweest dat ik de dingen nog minder snel begreep dan nu. Zo herinner ik me een etentje op een terras aan de Dageraadplaats met een meisje dat in de Kaaiman werkte en die mij tijdens alle met drank en drugs doordrenkte avonden die ik daar heb gesleten – en dat zijn er godverdomme niet weinig – nooit had zien staan maar enkele weken daarvoor, op een concert in Brussel plots haar ogen in de mijne had gehaakt en niet had losgelaten tot ik haar uit vroeg. En toen zaten we daar, we aten pizza als ik me niet vergis, en ik had erg naar dat afspraakje uitgekeken. Het was een Nederlands meisje, met korte rode haren, ik ken haar voornaam nog, soms kijk ik nog wel eens op Facebook om te zien wat er van haar geworden is maar ik kan haar niet vinden terwijl je toch zou denken: hoeveel Floriskes kunnen er in godsnaam op de wereld zijn?
Het gesprek die avond verliep stroef, om niet te zeggen: niet. Ik stelde vragen maar zij zei niks, of ze vertelde dat ze niks specifieks wilde, of deed, gewoon werken in de Kaaiman, uitslapen en veel lezen. Vooral dat lezen vond ik raar. 
Maar ik deed mijn best, ik wilde haar graag leuk vinden, hetgeen op zich al bijzonder was want in die tijd wilde ik vooral leuk gevónden worden. Misschien was ze gewoon verlegen, dat kan ook. Uiteindelijk gaf ik het op en ik besloot dat alles een vergissing was geweest. De rekening kwam, ik betaalde, zij zei dat ze naar de bioscoop wilde.
‘Dat is goed,’ zei ik. En ik reed haar naar wat toen een nieuw bioscoopcomplex was op een hoek van de Keyserlei en ik zette haar daar af.