Hat.
We wisten dat we de hele middag in de brandende zon zouden zitten dus toen we bij het stadion aankwamen liep ik naar de eerste de beste merchandise-stand en kocht een New York Yankees baseball cap.
‘25 dollar,’ zei de verkoper. Veel geld voor een pet die ik nooit meer zal dragen maar een zonneslag kost meer.
Voor ons zat een rijtje seizoenkaarthouders waaronder eentje die de anderen vrolijk pestte want hij kwam uit Cincinnati en de Reds stonden al snel 0-2 voor. De hele wedstrijd lang was het stadion in beweging: biertje halen, garlic fries halen, beetje wandelen over de terrassen, stukje wedstrijd kijken, lachen met de spelletjes die op de grote schermen met het publiek werden gespeeld.
Naast ons zat een Latino gezin: een moeder met drie zonen. Een van hen bood me popcorn aan – een enorme emmer die zijn broers en hij gestaag leeg aten – en ik kon zien dat hij schrok van de hartelijke manier waarop ik zijn aanbod afsloeg.
De uren gleden gemoedelijk voorbij, de hotdog was knapperig, het bier ijskoud. En terwijl het stadion halfleeg liep bij een 3-6 achterstand, bleven wij gespannen zitten om te zien hoe de Yankees in hun laatste slagbeurt tot 5-6 terugkwamen en met de eerste en derde honk bezet, alles of niets speelden – en verloren. Niemand was teleurgesteld. Niemand vloekte. Niemand gaf de scheidsrechter de schuld. En ook de Reds-fans, die gewoon tussen het thuispubliek hadden gezeten, waren niet triomfantelijk of denigrerend.
Nee, het was gewoon een prachtige zaterdagmiddag geweest. Zo prachtig dat ik bijna vergat wat de man die de kaartjes scande bij de entree tegen ons had gezegd terwijl hij met een wijds handgebaar in de richting van een grote stapel openstaande kartonnen dozen in de inkomhal had gewezen: ‘Welcome to Yankee Stadium – go grab your free hat.’