Schmink.
Ik zag haar al van ver. Ze liep ons eiland af, stak schuin de straat en het tramspoor over en liep de vluchtheuvel op waar de halte is. Alles in dezelfde, elegante, zelfverzekerde tred, soepel en geslepen; een grote, wit lederen tas aan de arm. Ze kon niet ouder zijn dan zestien maar ze was geschminkt.
Ik geef toe dat ik probeerde oogcontact te maken maar ze keek voor zich uit. En ze glimlachte – de glimlach van iemand die een binnenpretje koestert. Zo liep ze het tramhokje en mij voorbij en verdween achter het reclamepaneel; daar ging ze wachten, uit de wind. Toen de tram de hoek om draaide, kwam ze weer tevoorschijn en liep me weer voorbij, nu in de andere richting. De wind blies haar lange, steile haren naar achteren, haar kaken verstrakten, haar ogen leken nog groter en glansden en ook zijzelf leek groter en ik verwachtte elk moment een flitslicht te zullen zien, of de spiegeling van een zoekende lens die een glimp van de schoonheid wilde vangen die de jaren zullen brengen en daarna weer af zullen nemen; nu schmink, dan schmink – de tram stopte en ik volgde haar.