Revisor.

Morgen verschijnt het halfjaarboek nummer 5 van literair tijdschrift De Revisor. Ik had nog nooit gepubliceerd in een literair tijdschrift. Ook nooit wat opgestuurd trouwens. Dat schijnt gek te zijn - de meeste auteurs begínnen met in literaire tijdschriften te publiceren of dat te proberen - maar de waarheid is, dat toen ik begon met schrijven, ik helemaal niet van het bestaan van die tijdschriften af wist. En toen ik eenmaal gedebuteerd was, kwam het er niet van. Op de een of andere manier. Afijn, gekkigheid. Dus toen Jan mij vroeg of ik een verhaal wilde schrijven voor De Revisor, heb ik snel ja gezegd en daarna bedacht ik het korte verhaal Safari Lodge Blues, dat zich afspeelt op een camping vol Nederlanders in Frankrijk. Kortom, koop dat blad. (Er staan nog heel veel andere schrijvers in.)

Dikke.

We hadden al veel dokters gezien maar dit was de eerste die eruit zag als een tweedehands autodealer, zwaar ademend in een bruin fluwelen pak, en die ook nog zo sprak. Hij begon met een joviaal grapje over Antwerpen en Belgen; het is best moeilijk om mij sneller achterdochtig te maken.
Meteen in de daaropvolgende zin zei hij dat onze jongste dochter weliswaar nog niet genezen was maar dat eten, en dat drinken, dat kwam vanzelf wel weer terug, dat had hij vaak genoeg gezien, dus dat was het probleem niet, wat een gekkigheid, zijn moeder, die, die voerde vroeger de kalveren en lammeren met een lepeltje, maar die tijden waren voorbij, en voor die monitor die het zuurstofgehalte in haar bloed controleerde, daar moesten we het ook al niet voor doen want dat was flauwekul, die stond er voor de show, dat wist iedereen, en bovendien: hij had de kamer nodig.
Het waren vijf vervelende dagen geweest. Arme Lou aan het zuurstof, haar borstkas moeizaam op en neer piepend, haar haartjes nat van de koorts. Goor ziekenhuisvoer, elke dag andere dokters die weer net iets anders niet wisten, Lola die haar zus miste. Kortom, wij konden niet wachten om naar huis te gaan. 
Maar nu verschoof er iets in mijn hoofd, een zachte klik, die mij op deed schrikken: het ouderalarm werd aangezet. De onzalige mogelijkheid ontstond dat men ons iets wilde flikken, en dat liet me niet meer los, het doorkliefde de rest van zijn woorden, ritmisch en hard, als stalen stokken die op asfalt tikken, terwijl ik dacht: ‘Wij blijven hier, dikke’ en terwijl ik zei: ‘Aha. Dus ú heeft de kamer nodig.’

Een groot probleem.

Vannacht verbleef ik in een stemmige bed & breakfast tegenover het Begijnenhof. Houten vloeren, dikke steunbalken tegen het plafond, een groot zacht bed, diepe stilte. Bij het ontbijt vroeg de uitbater, een vriendelijke, wat verlegen man, of ik een eitje wilde.
‘Als er eitjes zijn...’ antwoordde ik.
‘Er zijn eitjes,’ zei hij, zonder oogcontact te maken. ‘Dankzij onze kippen.’ Even later kwam hij koffie bijschenken, en hij bleef wat bij mijn tafeltje staan drentelen.
Voorzichtig informeerde hij naar wat mij naar Leuven had gebracht en ik vertelde over de theaterproductie die ik samen met Eva Mouton en Arne van Petegem maak.
‘Waarover gaat het?’ vroeg hij terwijl hij de koffiepot streelde.
Ik vertelde dat het was geïnspireerd op korte verhalen van Richard Yates, de bundel Eleven Kinds of Loneliness.
‘Het gaat dus over eenzaamheid,’ zei ik.
Hij keek naar zijn schoenen en knikte.
‘Eenzaamheid,’ zei hij. ‘Ja. Dat is een groot probleem.’

Hard Gras 87.

Hard Gras 87 is uit. Ik was vereerd dat ik een bijdrage mocht leveren aan het mooiste voetbaltijdschrift van de lage landen. Ik schreef het verhaal Het Verraad van Vitosha, over Royal Antwerp FC in de tweede helft van de jaren tachtig, culminerend in het mirakel van Vitosha. Veel lol gehad met het schrijven, ik hoop van u hetzelfde bij het lezen.

Afspraken.

De dag begon met een uitstekend idee voor een verhaal waar ik niet aan ging werken. Dat was lekker. Maar ik had die afspraak nu eenmaal met mezelf gemaakt, die dag zou ik aan iets anders werken. 
Buiten viel de eerste sneeuw en nu ik dit tik moet ik aan Jan De Wilde denken, die ik ooit eens programmeerde in het roemruchte café Het Varken, te Edegem, alwaar Jan opdaagde met zijn vrouw die als ik me niet vergis bas speelde en met de schijnzachtheid en vriendelijkheid die zoveel ex-hippies beheersen duidelijk maakte dat zij in charge was en dat wij beter konden doen wat ze zei, net als Jan.
Ik heb veel afspraken met mezelf gemaakt het afgelopen weekend. Zaterdag was ik op een denkfestival in de Beurs van Berlage, dat bestaat ja, en zondag reed ik op en neer naar Antwerpen, kortom, tijd zat om alle input om te zetten in goede voornemens. Ik denk ook echt dat dit gaat lukken, ik heb er veel vertrouwen in, en het zal lastig worden om dat vertrouwen te ondermijnen, dus probeer het maar niet.
Ik dacht aan het idee, voor dat verhaal, dat ik nu niet ten uitvoer kon brengen en ook dacht ik aan al die voornemens en afspraken en plannen die mijn leven beter zullen maken als ik er mij maar aan hou. Ondertussen staarde ik uit het raam, de sneeuw viel steeds harder, heel even bleef hij zelfs liggen, als ik mijn ogen half toekneep was alles wit, zuiver en nieuw, alle oneffenheden verdwenen, alle vuil verborgen onder een donzige laag oneindige mogelijkheden en heel even, misschien maar een fractie van een seconde, maar het moment was er wel degelijk, sterker nog, voor het kind in mij leken het uren, héél eventjes vergat ik dat dit alles uiteraard niet kon blijven duren.