De Morgen.

Vandaag staat er een kort verhaal van mijn hand in de Vlaamse krant De Morgen. Het is getiteld Dat is voor ons, en je zou het kunnen zien als de kiem van Boek 3. Het ziet er geweldig uit, in een uitneembaar katern, met mooie illustraties van Sam Vanallemeersch en een uitgebreid profiel van uw dienaar. (Waarbij onder meer gretig gebruik wordt gemaakt van een quote uit een interview in Focus Knack die zeer cool en goed voor mijn street credibility is maar die helaas ook niet van mij is - ik wens de auteur die deze uitspraak wél heeft gedaan via deze weg te danken voor het uitlenen van zijn intellectueel charisma.)

Kortom, koop die krant!

Ik zeg het toch maar.

Vorige week ergerde ik mij nog aan een debat in De Wereld Draait Door over het idee van Peter R. De Vries om een landelijke DNA database op te zetten omdat de deelnemers aan dat debat geen seconde de mogelijkheid van hackers overwoog.
Zonet ergerde ik mij aan een debat in de De Wereld Draait Door over het Electronisch Patiënten Dossier omdat de deelnemers aan dat debat te pas en te onpas de mogelijkheid van hackers boven haalden en daarbij gretig aan de OV-chipkaart refereerden.
Die OV-chipkaart doet het grotendeels prima, opperde ik op Twitter. Waarop ik een paar anti-OV-chipkaart clubjes over me heen kreeg.
 Gek genoeg hoor je dat soort clubjes nooit over analoge uitvindingen zoals bijvoorbeeld het deurslot of het raam terwijl toch moeilijk te ontkennen valt dat als deursloten voor honderd procent veilig zouden zijn, en glas niet kon breken, wij beduidend minder vaak zelf onze eigen inbrekers in elkaar zouden moeten slaan.
Verder weet ik ook niet zo goed wat ik hiermee wil zeggen maar ik dacht: IK ZEG HET TOCH MAAR.

Koken.

Iedere keer wanneer ik sjallotten snij, en knoflook, denk ik aan een vriend of nee het is geen vriend, het is een kennis maar dat klinkt te ver, ik denk aan hem als een vriend maar het is nooit een vriend geworden. Wat ik wel weet is dat hij goed kan koken. Of is het een zij, dat ben ik vergeten, goed koken blijft hangen maar een vrouw of een man, dat is iedereen. 

Soms wanneer ik ’s ochtends op school ben zie ik ook wel eens iemand van wie ik denk: tien jaar geleden hadden wij maar twee biertjes nodig gehad, vijftien jaar geleden en jij had gegiecheld en ik was dromend naar huis gefietst en daarna zou ik nacht na nacht tien kroegen zijn afgelopen op zoek naar je ogen.
 Ik ben niet de enige die dit denkt of ziet, natuurlijk. Soms krijg ik te horen dat mijn blik en gedachten niet te lezen zijn maar er is niks gemakkelijker. Blind zijn, dát moet je leren. En terwijl iedereen hard oefende, speelde ik in stilte met mijn dromen.
Daar fiets ik, over de brug, hoofd over het stuur gebogen, hoofd achter in de nek, haren in de wind, de dag is nog niet eens begonnen, maar binnen enkele seconden is het avond in de keuken, het licht valt op het aanrecht en ik snij sjallotjes en look, en maar denken aan gemiste kansen terwijl ik kook.

Biertje, sigaret.

Ik had een paar weken niet aan Boek 3 gewerkt wegens andere verplichtingen maar nu kon ik er eindelijk mee verder, ik hoefde alleen nog maar een column af te werken en twee vervelende telefoontjes te doen en dat kostte mij uiteraard enorm veel moeite, met name die telefoontjes, dan zit je eerst een paar uur te bedenken hoe je het slechte nieuws gaat brengen en dan ga je nog even naar toilet en dan nog even eten en dan nog even Facebook checken, want dat moet toch gebeuren en dan bel je: voicemail.
Maar uiteindelijk sprak ik iedereen die ik moest spreken en het viel uiteraard allemaal mee waardoor het tijdverlies nog veel groter leek, en ook die column kreeg ik bijna af, dus ik sloeg hem op, de deadline is pas vijf december, dat red ik wel tussen de soep en de patatten, de soep en de patatten zijnde: Boek 3.
Een overweldigende rust daalde op mij neer. Ik merkte dat ik blij was, op slag vele malen beter gehumeurd dan enkele uren eerder, of zeg maar gerust: dan in de voorbije wéken. En ik besefte dat ik opnieuw in hetzelfde stramien was terecht gekomen waarin ik ook had gezeten tijdens het schrijven van Gelukkig zijn we machteloos, namelijk dat iedereen en alles wat op mijn pad komt en dat niets met dat boek te maken heeft, mij enorm gaat irriteren en ik deze mensen en zaken als hindernissen ga zien die uit de weg moeten worden geruimd, liefst zo snel en zo drastisch mogelijk, allemaal uit de weg godverdomme, ik heb een boek te schrijven. En nu waren ze uit de weg. Alles lag open. Ik had er verschrikkelijk veel zin in. Ik stond zelfs op het punt de eerste woorden te gaan tikken. Kortom, dat moest gevierd worden.

Eenvoudig.

Er is een ludieke actie tegen een vreselijke ziekte. Sterker nog, ze is al bijna voorbij, het moet snel, het is zo’n actie waar niemand tegen kan zijn, dus dat is ideaal, je kan de eerste zijn. Daar ga je, lekker vrij van argumenten, het stukje schrijft zichzelf, het is al bijna klaar, maar! Eerst nog even je moeder vermelden, voor het authentieke en de schijn van objectiviteit en daarna in de slotzin ijskoud het favoriete excuus van de ware exhibitionist serveren door ten overstaan van honderdduizenden lezers koelbloedig te beweren dat je zelf liever in stilte geeft.

Wauw, ik wou, dat mijn leven zo eenvoudig was.

Maar ik twijfel te veel, ik vergis me te vaak, en ik denk altijd dat iedereen mij doorziet en met goed doordachte argumenten onderuit gaat halen, en zoals een doodgewoon mens overschat ik de statistische kans dat dit ook werkelijk zou gebeuren en ik betaal de verzekeringspolis door te zwijgen – waarvoor ik mij dan weer schaam want ben ik geen schrijver dan? Moet ik daar ook niet staan? Planken zagen, kamervragen?!
En met verwondering lees ik het volgende stukje, en ik denk: ik heb altijd gedacht dat bécasse patrijs betekende. Twaalf kerstvakanties na elkaar heb ik door mijn schoonvader legaal geschoten en mijn schoonmoeder heerlijk bereidde Bretoense bécasse gegeten. Blijkt het houtsnip te zijn. En ik weet niet waarom, maar dat klinkt erger, en hup, daar ga ik weer.

DUF.

Graag wil ik de teenager in u wijzen op het verschijnen van de derde editie van het jongerentijdschrift DUF. Een driehonderd pagina's dik magazine, prachtig uitgegeven, overladen met nationale en internationale prijzen en bevattende: bijdragen van bijna 100 schrijvers, fotografen, illustratoren, dichters, journalisten en andere 'creatieve talenten uit heel Nederland', zoals dat heet, rond het thema mediawijsheid. Bekende namen als Maartje Wortel, Arnon Grunberg, Bas Haring, Micha Wertheim maar vooral ook zeer veel minder bekende maar even interessante jonge talenten. Het resultaat is een wilde mix van artikelen, korte verhalen, anti-verveelpagina’s, tips, quizzen, DIY’s, testjes, columns, foto’s en beelden over liefde, vriendschap, kunst, wetenschap, geloof, psyche en seks.

En een bijdrage van uw dienaar, een verhaal rond het thema 'verkeerd verzonden' met de titel Sletje. U kent mij. Er hoort ook een geweldige illustratie bij van Levi Jacobs. Namelijk deze.

Kopen, die DUF.

Borsten.

Ik verblijf in een appartement van het STUK op de Naamsestraat. Het is een karige kamer, en de bedden zijn van het soort dat kraakt en piept en zucht wanneer je jezelf omdraait, maar toch slaap ik hier uitstekend.
Vannacht droomde ik dat ik te gast was in een talkshow op televisie, van het type Reyers Laat, en ik raakte in discussie met een feministe over het recht van mannen om een paar mooie, naakte vrouwenborsten aantrekkelijk tot opwindend te vinden. In mijn droom vaagde ik met een reeks cynische opmerkingen die dame van tafel en in de dagen die erop volgden ontstond een mediastorm die er toe leidde dat tienduizenden Vlaamse mannen hun recht op borsten weer gingen opeisen – in mijn droom was het dus blijkbaar zo dat wij dat recht ergens verloren waren.
Toen ik wakker werd en het licht aan deed, keek ik opnieuw in de ogen van actrice Clara van den Broek. In mijn kamer hangen twee posters aan de muur van de voorstelling Aantekeningen uit het ondergrondse. Clara ligt op een bordeaux rode sofa, met een glas bordeaux rode wijn in de hand, haar lippen bordeaux rood gestift en ze kijkt me aan met een blik die zowel sensueel als achterdochtig is. Het is een vervreemdende foto, ik sta er geregeld minutenlang naar te kijken en dat heeft naar mijn idee niet in het minst iets te maken met Clara’s borsten, die weliswaar naakt zijn en wier tepels parmantig omhoog priemen, noch denk ik dat die borsten iets met mijn droom van vannacht te maken hebben, nee het moet iets anders zijn, wellicht haar handen, eentje rust op haar buik en het is een vreemde hand, met kort geknipte nagels en benige vingers – de hand van een man.

Meer.

Ik heb altijd gedacht dat ik mij nauwelijks iets kon herinneren van mijn tijd in Leuven, waar ik twee jaar heb gestudeerd en dus ook gewoond. Alles wat ik meende te hebben onthouden was dat ik niet heel gelukkig maar ook niet ongelukkig was, dat ik mij zoveel mogelijk onttrok aan het reguliere studentenleven dat ik verafschuwde en dat ik aan die tijd geen vrienden heb overgehouden. (Als u een vriend van mij bent en u meent dat onze vriendschap in Leuven is ontstaan: sorry, ik denk dat u zich vergist, of ik associeer u met een andere plek.)
Ook herinner ik mij de paar meisjes die ik in die twee jaar versierd heb, drie om precies te zijn, wat dus wil zeggen dat ik mijn toenmalige lief bedroog, waarna ik het uit schuldgevoel uitmaakte zonder haar te zeggen waarom, en enige tijd later mij weer met haar verzoende, opnieuw uit schuldgevoel.
Kortom, niet meer dan een paar algemeenheden, nauwelijks concrete gebeurtenissen, laat staan gesprekken, nee, die hele periode in Leuven bestond volgens mij uit niet meer dan een paar vage beelden en gezichten die zelden nog in mijn hoofd opduiken.
Maar nu ik in Leuven ben, blijkt dat helemaal niet waar te zijn. Ik herinner mij veel meer van die tijd. Véél meer.

Licht.

Ik zat aan tafel en de kinderen speelden op de grond, nog in pyjama, en het zou wellicht tot na de middag duren voordat ze kleren gingen aan doen, zoals zo vaak op zondag, eigenlijk altijd, net zoals ik nog geen douche had genomen en met mijn ongewassen kop te veel koffie dronk en muziek luisterde en oude tijdschriften las. Ik keek op omdat het plots licht werd in de kamer, terwijl het toch al een uur of wat dag was en ik al had gezien dat het mooi weer was, mooi, koud herfstweer.
De kleinste had één van de voile gordijnen die voor de ramen hangen om ons van ongewenste inkijk te behoeden, opzij geschoven en ze sloeg met haar handjes op het glas en brabbelde en wees naar een poes die buiten op straat liep. De haren van de oudste leken blonder dan ooit en onze poezen zochten het licht op en gingen samen lekker dicht tegen elkaar aan op de bank liggen en de kleinste keek om en riep ‘kek kek’ en het zonlicht bleef maar de woonkamer instromen, hoe lang wonen wij hier, al meer dan acht jaar en nog nooit op het idee gekomen om die voile gordijnen open te schuiven, maar wel vloeken en vruchteloos experimenteren met de binnenverlichting om dat donkere hol tot leven te brengen, man, er was plots zoveel helder licht, en dan de kinderen, eentje voor het raam, eentje zachtjes zingend, spelend op de houten vloer, het leek godverdomme wel een foto uit een life style magazine, een reportage over gezinsgeluk met dat verschil dat het in onze woonkamer altijd - ook op de gelukkigste zondagochtenden - een complete puinhoop is.

Dire Straits.

Gisterochtend voelde ik het stuur van de auto steeds naar links trekken toen ik de kinderen naar school en crêche bracht. Lekke band, dacht ik, en eenmaal op de parkeerplaats aangekomen bleek dat half waar te zijn. 
Ik zette de kinderen af en reed naar het tankstation bij de Gooyer molen waar ik de band oppompte, en daarna reed ik naar huis. ’s Avonds leek de band nog steeds hard, zij het misschien iets minder hard dan eerder, ik wist het niet zeker en ik vloekte want moest ik die band nu laten herstellen, of niet? Straks stond ik daar met een perfect hele band bij de Kwik-Fit, ik kon mij het gesprek alweer levendig inbeelden en de blik die ik zou krijgen, die blik die garagisten bewaren voor mensen die niet weten hoe je koelvloeistof bijvult of wat een distributieriem is, het is een onuitstaanbare blik, meestal zijn die garagisten ook met zijn tweeën en dan werpen ze die blik eerst even over en weer tussen elkaar en dan tesamen, met het bijpassende glimlachje om de lippen, gooien ze hem keihard naar jou, als een rugbybal, vol in je maag.
Vanochtend evenwel was de band goed plat. Dit stemde uitermate vrolijk. En ik was al vrolijk, want gisteravond en vannacht had ik een niet onaanzienlijk aantal briljante invallen gehad die ik voorwaar nog allemaal had onthouden ook en die, naar het zich liet aanzien, ervoor zouden zorgen dat het schrijven van Boek 3 van een lachwekkende eenvoud werd, een inzicht waarvan ik ook wel weet dat het binnen naar schatting 1 tot 2 dagen dan wel uren of minuten volledig zal zijn verdampt en ongrijpbaar geworden maar voor nu was het genieten, een boek schrijven, hoe kon het zo makkelijk zijn?
Bijna net zo makkelijk als het vervangen van een lekke autoband, hetgeen ik nu ga doen, en ik zou er maar niet raar van op kijken wanneer ik daarbij mijn oude radio-cassetterecorder boven haal en er een bandje van Dire Straits insteek, wellicht het dubbele live-album, en dat keihard door de straat laat blèren terwijl ik het doe.

Stagiaire.

Op woensdag werk ik in het restaurant van een groot en hip hotel, hier vlak om de hoek, dus daar vertrek ik zo naartoe. Eigenlijk zweer ik bij stilte wanneer ik schrijf, maar het geroezemoes van gasten en personeel, en het zachte gekrijs van meeuwen dat om de zoveel minuten opstijgt vanuit een getimmerd ehm ding (waarvan ik niet weet wié het hotelmanagement heeft wijsgemaakt dat het kunst is maar ik zou die persoon graag als mijn zakelijk waarnemer willen inhuren) heeft hetzelfde effect, en ondertussen kan ik mensen kijken en afluisteren. Vorige week zaten aan de tafel naast de mijne twee mannen van middelbare leeftijd, het ging over klassieke muziek, theater, er werden ronkende namen gedropt van grote kunstenaars die blijkbaar door beide heren getutoyeerd konden worden en dat leidde tot een geestig soort van wedijver – ‘Ja oké maar ik kan hem óók bellen hoor als je wil, heb je zijn mobiel?’
Ik kende één van die twee mannen, ik zie hem wel eens door onze straat fietsen, ik dacht altijd dat hij timmerman was, maar nu viel er een stilte en de ene man keek opzij en volgde met zijn ogen de mooie, hoogblonde serveerster op wier aanblik ik mij nu alweer verheug, en de timmerman zei: ‘Maar goed. Waar waren we. Stagiaire wordt geneukt op de bar.’

Verder alles goed.

Ondertussen schrijf ik sinds een week of twee aan Boek 3 en dat gaat moeizaam of wat dacht je zelf? Het is zoeken naar het ritme, zoeken naar wat ik eigenlijk wil zeggen, ook al weet ik dat natuurlijk wel, en ook al vullen de woorden in hoog tempo bladzijde na bladzijde, toch is het moeizaam.
Vorige week bijvoorbeeld, schreef ik dag na dag scènes met in de hoofdrol een personage waarvan ik bij iedere zin dacht: ‘Maar gast toch, jij gaat helemaal niet in dit boek voorkomen, wat kom jij hier toch mijn kostbare tijd verprutsen, weg jij, weg!’

Hij wilde niet luisteren.
De voorbije tijd schreef ik een paar korte verhalen: eentje voor het halfjaarnummer van De Revisor, dat in december verschijnt als ik me niet vergis. En eentje voor De Morgen – dat staat morgen 28 november in de krant. De komende weken werk ik nog aan een verhaal voor Hard Gras en eentje voor Lulverhalen, en eentje voor Schrijvers uit Oost. Dat moet allemaal na half drie ’s middags want voor die tijd werk ik dus aan dat boek. Zoals je merkt.
Daarnaast heb ik hoofdpijn. Hetzelfde soort hoofdpijn dat ik precies een jaar geleden had nadat ik van de trap was gevallen. Ook in Boek 3 valt er iemand van de trap. De laatste paar jaar zijn er veel mensen in mijn omgeving van de trap gevallen. Sommige van die mensen zijn nu dood. En dus heb ik dat vervelende personage van vorige week ondertussen ook maar laten sterven, zij het niet door een val van de trap. Ik heb evenwel niet het idee dat dit op hem veel indruk heeft gemaakt.