De keuze.

Gisteren maakte ik op Facebook een grap over Bart De Wever. Een hárde grap, maar een grap. Enkele seconden later ontving ik een email van een N-VA-kiezer.
Mij werd gesommeerd me van zulke grappen te onthouden. ‘U woont hier niet, niet eens in Vlaanderen, laat staan in België…. U hebt voor Nederland gekozen.’
Al meer dan tien jaar woon ik in Amsterdam en nooit, niet één keer, was het in mij opgekomen dat ik voor Nederland had gekozen, laat staan welke gevolgen dat kon hebben voor mijn vrijheid van meningsuiting.
Ik heb gekozen voor mijn lief. Nu ja, keuze. We hadden indertijd welgeteld één jaar weekendverkering achter de rug én een twee weken durende gezamenlijke vakantie die op een complete mislukking was uitgelopen. Dus keuze is een groot woord. Een wankelmoedig onderbouwde gok die fantastisch goed heeft uitgepakt. Dat is een correctere weergave van de feiten.
Wel was haar timing perfect. Ik herinner me dat ik in die tijd het gevoel had dat mijn leven dreigde vast te roesten, en een flinke trap onder de kont kon gebruiken. Ik wilde de kleine denk- en leefwereld waarin ik vertoefde verlaten, ik had het idee dat wat ik jarenlang voor evident en waar had gehouden er misschien wel eens heel anders uit zou kunnen zien wanneer ik er vanop een afstandje naar zou kijken.
Dát was de keuze. Eentje die ik iedereen van harte kan aanbevelen.

Schrijverskroeg.

We kwamen de kroeg uit, en op het bankje voor het raam zaten vier mensen. De frisse lucht deed me goed. (Het was een schrijverskroeg, soms is het er binnen zo warm dat je de condenserende verongelijktheid er in dikke druppels van muren en ramen kan zien stromen.) Ik stak een sigaret op en draaide me naar het bankje toe. Ze keken mij alle vier aan, in stilte. Ik kende ze niet. Een vrouw stak haar hand uit en die schudde ik. Nog steeds werd er geen woord gezegd. Op de hoek van het bankje zat een jongen met invallende kaken en onrustige ogen. Hij begon me uit te schelden. Eerst nog op gewone spreektoon maar alras nam het volume toe. Nu kwamen mijn vrienden erbij staan. Niemand zei wat. De mensen op het bankje niet, mijn vrienden niet, ik niet. Alleen die jongen. En maar schelden. Heel hard, heel lang, met de blik op de grond gericht. Het ging over mijn lederen vestje dat schijnbaar symbool stond voor alles wat er verkeerd met mij was.
Mijn lederen vestje is mij zeer dierbaar. Laat mij u vertellen precies hoe dierbaar. Ik heb het gekocht in Reykjavik, in een kleine winkel van lokale ontwerpers. Ik stond lang te twijfelen voor de spiegel. De algemeen geldende opinie over mijn lederen vestje is dat het mij voor geen meter staat en als u mij treft op één van die zeldzame momenten waarop ik geneigd ben de waarheid te spreken, zal ik u zeggen dat het klopt, dat het mij voor geen meter staat, het is zelfs op het randje van potsierlijk, ik zie het aan de blikken van de moeders op school, elke ochtend, vooral de mooie moeders weten precies hoe ze hun mening over mijn lederen vestje kunnen laten weerspiegelen in hun koude ogen, het is dezelfde mengeling van medelijden en woede die ik zie in de ogen van jonge meisjes wanneer ik een hippe sneakerzaak binnen wandel – zulke blikken verleer je blijkbaar niet. Ook zit er een scheurtje in het leder, op mijn rechterschouder, een minuscuul driehoekje dat ik met secondelijm tegen de voering heb geplakt. Tevens heeft het lederen vestje geen enkele zak waar ook maar een pakje sigaretten in past. Dát is hoe dierbaar dat vestje mij is.
We draaiden ons om en liepen weg. De jongen schold door. Ik vroeg aan een vriend of ik hem had moeten slaan. Een retorische vraag – ik heb nog nooit iemand geslagen. We stapten op de fiets en reden ieder ons weegs, het was een mooie avond geweest en ik vergat wat er was gebeurd. Tot ik ’s maandags de kinderen naar school bracht en de blikken van de mooie moeders op mijn borstkas voelde branden terwijl ik mijn vestje dicht ritste, waarna ik glimlachend als een idioot in een schitterende herfstzon over de kade terug naar huis fietste.

Landkaart.

De voorbije weken was ik overal en de komende drie dagen vertoef ik in Leuven. Daarna wacht de rust en het schrijven. Wat deed je dan de hele tijd? Dat weet ik niet. Het ging maar door, ik kreeg nauwelijks de kans om te genieten, laat staan om teleurgesteld te zijn, of misschien genoot ik wel en was ik het wel maar weet ik het niet omdat ik alleen maar tijd had om te vergeten. Maar waar was je dan? En ik kijk in mijn agenda en ik zoek de datum op, ik scan treinkaartjes en duw bonnetjes in een map. Ik was waar ik wachtte, ik was waar ik at, ik was waar ik las. (In goedkope restaurants tussen stelletjes die naar me keken en dachten: had ik ook maar een boek.) Elke dag van de week was een perfecte single; precies 3 minuten, met een meezingrefrein; ik liep rondjes achter een zwart gordijn, ik tikte met mijn voet het ritme van de basdrum mee terwijl ik de ogen sloot en droomde dat ik vloog tot ik thuis was. En dan – precies op tijd – werd ik wakker, nam een douche en een stap naar voren en zong: mijn leven is een landkaart, net als mijn tong.