Zo waren wij niet.

‘Zo waren wij niet.’ De nieuwe docent keek me aan – stellig en verbijsterd. Ondertussen gingen de tweedejaars studenten verder met zich voor te stellen aan de eerstejaars. Nou ja, voorstellen. Ze stelden zich áán. Uiteraard. Dat is nu eenmaal wat onzekerheid met jonge mensen doet. Om van de combinatie onzekerheid en drank nog maar te zwijgen.
‘Zo waren wij niet.’ Ze herhaalde het, meer tegen zichzelf nu, meer als een vraag. En ik probeerde mij te herinneren wanneer ik voor het eerst iets écht durfde te menen, en dan niet één of andere jeugdige verliefdheid of hobby, maar echt iets essentieels, iets wat ik wilde in Het Leven en al snel kon ik me dat moment precies voor de geest halen en ik weet ook nog waarom ik er al snel mijn mond over hield: omdat mijn omgeving zei dat ik me aanstelde.
En ik vertelde de nieuwe docent hoe we vorig jaar, na afloop van de introductieavond, met de andere docenten in de trein naar Amsterdam hadden gezeten, even stellig en verbijsterd, in diepe stilte een goedkope fles wijn delend. En hoe het schooljaar vervolgens was verlopen – dat leek de nieuwe docent enigszins gerust te stellen.
De eerstejaars studenten mochten de tweedejaars vragen stellen. Eentje vroeg: ‘Waarom lijken jullie allemaal op elkaar?’ Typisch zo’n vraag die geen antwoord behoeft.
En even later liepen we met de docenten naar het station, we kochten een goedkope fles witte wijn, en die dronken we samen op. De sfeer was uitgelaten, en ook de nieuwe docent dronk vrolijk mee.

Prachtdichtheid.

Ik fietste terug van de school naar huis, over de kade, met de zon frontaal op mij gericht en geen zonnebril op. Uit de andere richting kwam een eindeloze stroom van ouders, het overgrote deel afkomstig van ons eiland, ouders die hun kinderen wél naar de school op de hoek van onze straat brengen – iets wat Liefje en mij indertijd een veel te voor de hand liggende keuze had geleken, en een te praktische vooral. Vele van die ouders ken ik maar omdat de zon maar weer eens een keer frontaal op mij gericht stond, kon ik hun gezicht pas op het laatste moment onderscheiden en om burenruzies en achterklap te vermijden besloot ik de hele kade af te fietsen met een goeiemorgen-grijns op mijn gezicht gebeiteld, onafgebroken knikkend.
De zomer was lang en zonder ritme of regelmaat en ook dat was fijn, maar nu verlang ik naar de herfst. De komende maanden zal ik elke dag van negen tot half drie aan boek 3 werken. Daarna verricht ik enige eenvoudige huishoudelijke taken en probeer ik twintig bladzijden te lezen in John Updike’s Memories of the Ford Administration. Als het me lukt. Ik lees het boek in het Engels en dat vergt aandacht. Comedians hebben het wel eens over de grapdichtheid van hun set en dat die hoger moet. In het geval van een roman als Memories of the Ford Administration zou je kunnen spreken van prachtdichtheid; ik dwing mezelf traag te lezen.
Tenslotte ga ik de kinderen van school en crêche halen, en ook dan fiets ik tegen de stroom in, met de zon aan de andere kant van de stad en zelden zo fel als in het begin.

Tiplijst AKO Literatuurprijs.

Gelukkig zijn we machteloos is één van de vijfentwintig boeken die uit een grosslist van vierhonderdnegen titels is geselecteerd voor de tiplijst van de AKO Literatuurprijs 2012. Blij en vereerd.

Eerder stond Gelukkig zijn we machteloos ook al op de shortlist voor de Libris Literatuur Prijs.