Gelukkig.

De nieuwe PARK Magazine ligt in de winkel en er staat een lang verhaal in van uw dienaar over de route die mijn leven in de afgelopen tien jaar haast letterlijk heeft afgelegd: Antwerpen – Amsterdam.
In het blad wordt het verhaal 'een literaire roadmovie' genoemd. In werkelijkheid reed ik van tankstation naar tankstation en wachtte bij iedere stop een uur om te kijken wat daar gebeurde. Ondertussen dacht ik na over de voorbije tien jaar. Halverwege was ik depressief.
Ik had een nogal romantisch beeld van tankstations. Ik begrijp nu dat dit beeld is ontstaan omdat ik er zelden langer dan tien minuten vertoef.
Maar bovenal was het fijn om dit te maken omdat ik van PARK Magazine lekker de ruimte en de tijd kreeg en er door de eindredactie veel liefde en zorg aan het verhaal werd besteed totdat het helemaal op punt stond.
Ik publiceer niet zo vaak in bladen. Ik zou het wel vaker willen maar ik ben altijd bang dat mijn verhalen niet de benodigde ruimte, tijd, liefde en zorg gaan vinden. En schrijven is mij te dierbaar om het snel en slordig te doen. Schrijven moet mij gelukkig maken.
Maar goed. Er zijn wel meer dingen die mij gelukkig kunnen maken. Een goed, stevig, stabiel fietsstatief bijvoorbeeld. Om maar wat te noemen.

Ivo Victoria zingt.

Sinds enkele dagen in de winkel en op iTunes te koop: de Sint Willebrord Sessie Vol. 1. - Sporthuis St. Hubert!

Een wieler-cd, mensen, voor het goede doel in casu Tour for Life / Artsen Zonder Grenzen. Met bijdragen van Guido Belcanto, Guus Meeuwis, Gerard van Maasakkers, Alex Roeka, Freek de Jonge, Sam Valkenborgh, Rick de Leeuw, Joost Prinsen & Frank Lammers, Gio Lippens, Tim Krabbé, Peter Winnen, de Kift en ja hoor: uw dienaar. Op één cd met Guus fucking Meeuwis - het is een wonderlijk leven.

Voor het eerst in pakweg zes, zeven jaar schreef ik nog eens een liedje. Nou ja. Ik nam een oude demo van een nummer dat ik in mijn glorierijke bestaan als muzikant nooit had afgemaakt en schreef daar een nieuwe tekst voor, in het Nederlands. Het resultaat heet: Rij, renner alleen. Het een en ander werd op een paar uur tijd opgenomen in het atelier van een oud-wielermechanicien te St. Willebrord met een fijne band onder leiding van JW Roy. U kan het nummer beluisteren door hieronder op het plaatje te klikken.

De héle cd staat trouwens op de VPRO 3voor12 Luisterpaal. Kopen, hoor.



Vergeving.

Twee dagen later zou ik er optreden dus ik had bedacht dat ik die middag wel eventjes naar het Bostheater zou fietsen met Lola – kijken hoe het daar was. Dat vindt zo’n kind leuk.
Het was schitterend weer, het waaide wel wat maar veel langer dan een half uur fietsen kon het niet zijn. Hoe lang kan je in godsnaam over 7 kilometer doen?
Helaas waaide de wind in de verkeerde richting en de route liep door eindeloze weiden en er stonden veel minder pittoreske dorpjes op de kaart dan er in werkelijkheid bleken te bestaan zodat onze hoop er bijna te zijn bij elke groep huizen wegvloog, naar de duinen, net als de zonnestralen – ver buiten ons bereik.
Lola had enkel een zomerjurkje aan. Af en toe tastte ik naar achteren, streelde haar blote benen; kippenvel als een droevig gedicht in brailleschrift.
‘Papaaaa. Ik heb het zo koud.’
‘Echt waar? Hoe koud? Zo koud als een ijsje?’
Dat hield de moed er lang genoeg in om het Bostheater te bereiken. Heel even keken we samen naar een soundcheckende band. Daarna stortten wij ons vol overgave op achtereenvolgens de glijbaan, de trampoline, de schommel, de glijbaan, de wipwap en de trampoline die als bij wonder bij het theater zijn gelegen. De stemming verbeterde aanzienlijk. Tot slot was daar het ijsje. Een disco ijsje.
Ik tilde haar weer op de fiets en daarbij schampte ze haar been aan het kinderzitje.
‘Papa, je doet me pijn.’
‘O sorry, lieve schat.’
‘Het is niets, papa. Ik vergeef je.’
‘O. Nou dat vind ik heel fijn. Vond je het wel leuk hier? Sorry dat het zover fietsen was lieveling, dat had papa een beetje verkeerd ingeschat.’
‘Het is niets, papa. Ik vergeef je.’
‘Nou. Dat is prima, schat. Daar ben ik wel blij om, dat je me zo vergeeft.’
‘Weet je, papa. Altijd als jij mij pijn doet, zal ik jou vergeven.’
Op de een of andere manier ervoer ik dit niet als een geruststellende gedachte, maar ik moest het ermee doen, zeven lange kilometers terug naar het hotel. Wind mee. Dat wel.

Metafoor.

Ik lag op de bank naar de wedstrijd te kijken en ik had mijn iPad op schoot genomen om het commentaar op Twitter te volgen. Ondanks het spelverloop was het erg gezellig in mijn tijdlijn, met veel goeie grappen en zelfspot. Heel anders dan wanneer een favoriet clubelftal verliest. Van de mensen die ik volg op Twitter zijn de meeste voor Ajax en wanneer die verliezen, dan teert mijn tijdlijn zo ongeveer weg van de zurigheid en frustratie, meestal gericht op de wedstrijdleiding. En als ze winnen is het hoon en spot alom voor de tegenstander. Daar heb ik nooit iets van begrepen, van dat nijdige leedvermaak. Of nee, wacht, er is een tijd geweest dat ik het zelf cultiveerde – ik was toen een jaar of vijftien.
Alleszins. Twee jaar geleden was Oranje een machine die in blok naar voor en achteren bewoog, met de linies kort op elkaar – een oranje tank die haar tegenstander geduldig in een hoek dreef, en dan het nekschot loste.
Gisteren bestond de ploeg uit hulpeloze eilandjes, oneindig ver uit elkaar gedreven door stromingen die niemand begreep. Op een bepaald moment zag ik drie spelers, in balbezit, tegenover vijf Duitse verdedigers rond de zestienmeter. De eerstvolgende Oranjespeler stond ergens rond de middenlijn, te kijken, handen in de zij.
Mijn analyse: de discussie over de individuele kwaliteiten van de spelers heeft het team lamgeslagen. Daarmee is dit nationale elftal best een mooie metafoor voor de staat van het land dat het vertegenwoordigt.

Wat het is met jazz en mij.

Ik werd geholpen door de rastaman – een wat oudere Surinamer met lange grijzende dreads, die lijkt te schrikken bij elke actie die hij moet ondernemen. Hij tikte mijn gegevens in de computer. Het was nog vroeg, er waren geen andere klanten en er galmde jazz uit de stereo. Goeie jazz. Een speelse sax solo ondersteund door een drummer die zijn accenten op de tegentijden legde – eigenlijk heel onnatuurlijk maar nu klonk het alsof het de enige mogelijke manier was om te drummen en op de achtergrond liep een piano onder die sax en die beat door, soepel, als een panter.
Het is een grote, nieuwe fietsenzaak die zonder twijfel het gammele winkeltje verderop binnen luttele maanden weg zal concurreren. Dat eenmanszaakje zit er al tientallen jaren, het is een goeie vent maar hij lult veel en hij kan niet erg goed fietsen maken.
Op het KNSM-eiland zit ook een fietsenzaak. Die is dichterbij. Liefje stapte daar een keer binnen toen ze zwanger was. Ze zei: ‘Kan u mij helpen?’ De fietsenmaker had geantwoord: ‘Volgens mij bén jij al geholpen.’ Sindsdien mag ik daar niet meer komen.
'Wat heb je opstaan?’ vroeg ik aan de rastaman. Opnieuw schrok hij.
‘Miles, Coltrane en Evans,’ zei hij. ‘Dat blijft goed, sterker nog, dat wordt steeds beter.’
Ik knikte en ik dacht aan de derde plaat die ik bij het ontbijt uit het vak jazz had gehaald: Count Basie - Basie’s Beat, op Verve. Ook een fijn album al worden er twee nummers vergald door het irritante scatten van Richard Boone. Op een bepaald moment gaat hij zelfs jodelen. Ik heb nooit goed tegen de nimmer aflatende experimenteerdrift van jazz gekund. Of misschien deed Boone het voor de grap. Maar de combinatie humor en muziek, daar heb ik ook nooit iets van begrepen.
En ondertussen weet ik niet wat het is met mij en die jazzplaten en waarom ik ze nu per se allemaal wil gaan beluisteren terwijl ze al twintig jaar in mijn kast staan, al kan ik je wel vertellen hoe ik eraan gekomen ben.

Het huidige Nederland.

Voor de Groene Amsterdammer schrijf ik een reportage over ‘een plek in Nederland die naar jouw idee veel zegt over het huidige Nederland.’
Dus ging ik mij eerst maar eens afvragen hoe ik het huidige Nederland zag. En zoals zo vaak wanneer ik het niet meteen weet, riep ik de hulp van mijn vrienden op Twitter in en vroeg hen om het huidige Nederland samen te vatten in drie steekwoorden. Een greep uit de antwoorden: voetbal, oranje, angstig, verveeld, verwend, gesloten, vlak, zeikerds, jankerds, chagrijn, in zichzelf gekeerd, nooit goed genoeg.
Alsof ik mezelf over België hoorde praten, anno 2001, met uitzondering van het woord ‘oranje’.
Toch heb ik zelf niet het idee dat Nederland en haar sympathieke inwoners, in de voorbije jaren fundamenteel veranderd is. Noch heb ik de indruk dat het zich aan de rand van de materiële dan wel mentale afgrond bevindt. Hooguit heeft het land het carnavalspak uitgetrokken waarin het sinds de jaren negentig zo vrolijk de polonaise liep, en schrikt het nu enigszins van wat het in de spiegel ziet.

Één ding.

Ik bevrijdde de pick-up van een stapel magazines en dvd’s en – o symboliek – een ipod-oplader en ik nam de eerste plaat uit het vak jazz uit de kast: Art Blakey! – Jazz Messengers! op het label Impulse!
De uitroeptekens waren goedkoop in die tijd.
Het album opent met de track Alamode, een up tempo, big band-achtige deun met een paar rare uithalen en solo’s erin, wellicht ter innovatie van het genre.
Vreemd genoeg deed het nummer me denken aan een vriend van lang geleden, een man die een pak ouder is dan mij. In een bepaalde periode was hij idolaat van zigeuner jazz, een genre dat niks met Art Blakey te maken heeft, of toch niet zoveel. Dan zette hij een plaat op van het Rosenberg Trio, of Django Reinhardt, en terwijl de muziek op vol volume door de kamer galmde, keek hij mij aan alsof hij het allemaal eigenhandig had gecomponeerd en ingespeeld en dan zei hij iets als: ‘Dat gaat nogal vooruit, hé.’
Het was een man die zichzelf buitengewone kwaliteiten toedichtte, en in zekere zin bezat hij die ook. Zo kon het gebeuren dat wij op een avond met hem in Bar Tabac verzeild raakten, op de Vlaamse Kaai, alwaar hij een gesprek aanknoopte met Tom Barman, de zanger van dEUS. Tenminste, dat wisten wij. En ook wisten wij hoe dit soort gesprekken zich kon ontwikkelen wanneer hij eenmaal op dreef was. Dus al snel begonnen wij ons terug te trekken middels subtiele lichaamstaal en onopvallende manoeuvres met barkrukken terwijl het gesprek al even gestaag in felheid en volume toenam en het laatste wat we hoorden, alvorens de deur van Bar Tabac achter ons dichtviel was: ‘Maar jóengen toch! Noemt mij nu ’ns één ding dat gij kunt dat ik geen tien keer beter kan.’

Ontcijferen.

Het was een zomerse zondag, alles was vochtig en loom en leeg. Vanuit een verlaten winkelgalerij klonk een cover van Just The Way You Are. In die tijd waren er signalen die op een mogelijke Billy Joel revival wezen. Ik had het er nog over gehad met een vriend die dat soort zaken, net als ik, nauwlettend in de gaten hield om redenen die ik mij nu niet meer voor de geest kan halen maar alleszins: onze conclusie was geweest dat er in principe niks op tegen was. Zolang de mensen zich maar realiseerden dat zulk een revival een verhoogd risico met zich mee bracht op een daaruit voortvloeiende comeback van de saxofoon solo. Wellicht heeft dat besef ervoor gezorgd dat die Billy Joel revival nooit echt van de grond is gekomen.
Vroeger wou ik Billy Joel zijn. Of Joe Jackson. Ik haalde die twee regelmatig door elkaar vanwege de piano waarop ze allebei in een bepaalde fase van hun carrière graag mochten trommelen. Zo’n liedje als Always A Woman To Me heb ik mezelf in gedachten vaak zien spelen voor een meisje op wie ik in mijn dromen zwaar verliefd was. Maar ik ben er nooit in geslaagd die pianopartij te ontcijferen en dat meisje bleek achteraf gezien het ontcijferen niet waard - maar ik kon het natuurlijk weer eens niet laten.

Saus.

‘Ja, maar papaaa. Er zit saus op. En ik lúst geen saus.’
‘Schattebout. Onzin. Dat is tomatensaus.’
‘Ja, maar papaaa. Ik lúst geen tomatensaus.’
‘Schattebout. Onzin. Jij hebt al zeker honderd keer tomatensaus gegeten.’
‘Echt niet.’
‘Echt wel.’
‘Echt niet.’
‘Gisteren nog!’
‘Ja, maar papaaa. Dat was met pasta!’
‘Lieveling. Nu moet je eens goed luisteren, want ik ga je wat vertellen. Wist je dat heel ver hiervandaan, zover als Afrika, kindjes wonen die nooit te eten krijgen?’
Lola keek mij ontsteld aan.
‘Kan niet.’
‘Echt waar. Die kindjes zijn zó arm dat ze geen centjes hebben om eten te kopen. En dus hebben ze al-tijd honger. En ik kan je verzekeren: die zouden heel blij zijn als ze balletjes met tomatensaus en gekookte tarwe zouden mogen eten. Héél blij.’
‘Niet waar,’ zei Lola.
‘Echt waar,’ zei ik.
Lola sloeg de ogen neer. Het was een moment van loutering en inzicht, ik zag het meteen. Er viel een lange, intense stilte gedurende dewelke zij ingetogen contempleerde over de vers verworven kennis die zonet haar kijk op de wereld had verrijkt en onderwijl beroerde ze met haar vork wat tarwe in haar bord, zacht en teder, alsof ze het voedsel streelde.
Daarna richtte ze het hoofd op en keek mij opnieuw aan. Haar blik was wijs en droevig geworden. Ze wees met haar vinger naar de tarwe waar nu haar vork op rustte en haar onderlip begon te trillen.
Ik knikte haar bemoedigend toe.
En ze nam diep adem en zei: ‘Ja. Maar papa. Kijk. Hier zit óók nog saus.’

Totale duisternis.

We waren zo goed als op. En van een vriendin hoorde ik dat het nog slechter met ons ging dan we zelf al dachten. Slaaptekort is een sluipmoordenaar. Je hebt niks in de gaten, tot je steeds vaker bezorgde blikken ontmoet die je achterom doen kijken.
Er diende actie te worden ondernomen. En dus werden er gordijnen gemonteerd met het oog op de totale verduistering.
Om half zes ’s ochtends hoorde ik haar de gebruikelijke, vrolijke geluidjes brabbelen. De totale verduistering had ons een half uur extra slaap opgeleverd. Ik liep naar de kamer en daar lag ze: lekker sabbelend op het voeteinde van haar slaapzak die ze stevig in haar handjes klemde, de ogen open, helder en klaar voor de dag. In de andere hoek van de kamer lag Lola, in dromen verzonken.
Ik legde haar beentjes weer neer op het matras, gaf haar speentje, duwde haar armpjes zachtjes neer, langs haar lichaam en begon over haar bolletje te aaien. Ze heeft nog niet veel haar, het is niet meer dan een zachte dons, als van een kuikentje. De hele tijd keken we elkaar recht in de ogen en ik zei niets, ik aaide alleen maar over haar bolletje en ik dacht aan de ambulances en de traumahelicopter die Lola en ik twee dagen eerder bij de speeltuin hadden zien landen, en de verschrikte gezichten van moeders bij de schoolpoort de volgende ochtend, die de droevige geruchten hadden bevestigd. En ik beeldde me in wat zij nu zag, die grote man in zijn onderbroek die boven haar hing. Ze werd stil en na een minuutje of vijf was ook haar lichaam rustig en bleven haar armpjes naast haar liggen en ik glimlachte, gaf haar een zachte zoen, ging weer terug naar bed en pas om kwart voor zeven, toen ik op moest staan, hoorde ik haar weer.

Zinnetje.

Af en toe schiet er weer een zinnetje door mijn hoofd, ’s ochtends, in de douche. Zo’n zinnetje waarvan ik meteen door heb dat het een hele reeks andere zinnen in beweging kan zetten. Helaas weet ik ook dat dit alleen maar kan indien het zinnetje in kwestie in precies de juiste formulering wordt opgeschreven. En de juiste formulering, dat is in zulke gevallen meestal de allereerste vorm waarin dat zinnetje mijn gedachten kwam binnen geslopen. Kortom, het is zaak om die formulering te onthouden en dus herhaal ik het zinnetje eindeloos in mijn hoofd tot ik het kan opschrijven en dat is meestal tevens het moment waarop ik het zo vaak heb herhaald dat ik enorm begin te twijfelen. Heb ik wel de juiste formulering zitten herhalen of is het zinnetje tijdens al dat herhalen niet geruisloos van vorm veranderd? Zoals dat spelletje dat we vroeger bij de scouts rond het kampvuur wel eens speelden, waarbij je een zinnetje door moest fluisteren in elkanders oor, de kring rond, waarna het, wanneer het weer bij de oorspronkelijke afzender was beland, totaal veranderd bleek te zijn. Zo fluister ik in die douche, in feite. Eindeloos in kringetjes tegen mezelf. 
Ik zit met smart te wachten op een uitvinding waardoor ik in één beweging afgedroogd, aangekleed, geschoren, tanden gepoetst, kinderen naar school gebracht en liefst ook nog met een kop koffie in de hand uit die douche zou kunnen stappen en aan mijn bureau zou kunnen gaan zitten om dat zinnetje meteen op te tikken in precies die juiste vorm.
Maar dat er af en toe weer zo’n zinnetje door mijn hoofd begint te spoken, dat is op zich een prima teken.

Kussen.

Ik kan mij niet herinneren sinds wanneer precies de mannen in Antwerpen elkaar kussen ter begroeting maar ik weet wel dat ik een tijd heb gekend dat ze dat niet deden. Een tijd waarin wij simpelweg onze hand opstaken, en ‘Joe’ zeiden of we nu afscheid namen of elkaar begroetten – dat maakte niks uit.
Maar op een dag, ik vermoed halfweg de jaren negentig, ik woonde pas in Antwerpen en die Steinerschooltypes begonnen her en der op muziekpodia op te duiken in de slipstream van het beginnende dEUS – ook al mannen die qua mannen kussen in de frontlinie hebben gelopen – op een dag dus, werd ik verrast door een jongen die ik tot dan toe tamelijk serieus had genomen maar die mij nu zonder aanwijsbare reden op de wang zoende, gevolgd door een onhandige knuffel. Ik wilde vragen wat er aan de hand was, welk onheil hem had getroffen, wat was de reden om dewelke hij troost behoefde? Maar ik zag al snel dat hij geenszins droevig was. Hij kuste mij alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Daarna brak een onzekere tijd aan gedurende dewelke het kussen van mannen zich in een overgangsfase bevond. Ergens tussen ‘alleen voor homo’s’ en ‘alle mannen’ en het was moeilijk te zeggen wie van mijn vrienden en vage kennissen in deze tot de early adaptors behoorden. Vergissingen konden faliekant uitpakken.
Nee, het was geen gemakkelijke periode, vooral niet omdat vrij snel dáárna het plots hip werd om woorden als ciaokes en salukes te gebruiken. Dat hebben die jongen en ik nooit gedaan.