Dood.

Uiteraard las ook ik dat de Amerikaanse republikeinse presidentskandidaat Santorum had geroepen dat ouderen in Nederland massaal gedwongen worden tot euthanasie. Mijn ervaring met de medische zorg in Nederland is dat ze in de meeste gevallen zeggen dat ‘het vanzelf zal overgaan’ – een uitspraak die uitermate goed van toepassing is op het leven, dat wel.
De Amerikanen zijn schijnbaar zo gewend aan de aanwezigheid van Oost-Europeanen dat naar drastischer middelen gegrepen moet worden om angst te zaaien. Ik vind het lastig te bedenken hoe deze rechtse hobby naar een nog hoger plan getild kan worden. Ze zullen je dwingen te sterven. Alleszins een zaak waarvoor het weinig zin heeft een meldpunt op te richten.
Niemand kent het lijden van wie het einde voelt naderen, behalve de betrokkenen zelf. Elk relaas ervan is wellicht niets meer dan een slap aftreksel van de werkelijkheid.  Zelf kan ik mij weinig voorstellen bij het kiezen voor de dood – zo bang ben ik ervoor. Ik heb mij dan ook al lang neergelegd bij mijn lot als zielig, pathetisch, onvrijwillig stervend hoopje mens. Maar ik zou er geen pleidooi voor kunnen houden, dat niet.

Hotelkeuken.

De hotelkamer had een kleine keuken, met een vaatwasser en een microwave. De koelkast was leeg. Een hotel voor wie geen geld heeft om op restaurant te gaan.
In de nachtwinkel had ik overwogen een pizza mee te nemen. Het was half twee, en we hadden honger. Zin in shoarma. Maar in de buurt waar wij logeerden zagen we alleen nachtwinkels. Vier binnen een straal van nog geen honderd meter. Ik vertelde mijn kompaan dat het op zich een leuke buurt was, met een mooie rommelmarkt op het plein dat nu was opgebroken, kunstgalerijen en bruine kroegen en hij knikte.
‘Zie je dat?’ had hij gezegd en hij wees naar de drie andere nachtwinkels. ‘Als ze er daar nou ’ns eentje van dichtgooiden. Shoarmazaak erin. Buurt klaar.’
Er stonden ook gasflessen in de nachtwinkel. Naast de chips. Hele grote.
Uiteindelijk kocht ik een flesje water en een suikerwafel. Nu zat ik op de rand van mijn bed en ik keek naar die keuken. Ze hadden er zo'n nep natuurstenen aanrecht in gemonteerd. Daar had ik de suikerwafel op gelegd en ik overwoog hem op te warmen in de microwave, een warme suikerwafel, dat kan lekker zijn, dat is waar, maar het is niet hetzelfde als een pizza - om van een broodje shoarma nog maar te zwijgen.


Schmink.

Ik zag haar al van ver. Ze liep ons eiland af, stak schuin de straat en het tramspoor over en liep de vluchtheuvel op waar de halte is. Alles in dezelfde, elegante, zelfverzekerde tred, soepel en geslepen; een grote, wit lederen tas aan de arm. Ze kon niet ouder zijn dan zestien maar ze was geschminkt. 
Ik geef toe dat ik probeerde oogcontact te maken maar ze keek voor zich uit. En ze glimlachte – de glimlach van iemand die een binnenpretje koestert. Zo liep ze het tramhokje en mij voorbij en verdween achter het reclamepaneel; daar ging ze wachten, uit de wind. Toen de tram de hoek om draaide, kwam ze weer tevoorschijn en liep me weer voorbij, nu in de andere richting. De wind blies haar lange, steile haren naar achteren, haar kaken verstrakten, haar ogen leken nog groter en glansden en ook zijzelf leek groter en ik verwachtte elk moment een flitslicht te zullen zien, of de spiegeling van een zoekende lens die een glimp van de schoonheid wilde vangen die de jaren zullen brengen en daarna weer af zullen nemen; nu schmink, dan schmink – de tram stopte en ik volgde haar.

Overwerken.

Gisteren werkte ik door tot tien uur ‘s avonds. Dat was me al lang niet meer overkomen. Sterker nog, het is altijd mijn principiële overtuiging geweest dat mensen die zo laat nog moeten werken simpelweg hun zaakjes niet voor elkaar hebben, projectmanagementgewijs. Dat klinkt wellicht wat arrogant. De schijn van arrogantie is een niet onbelangrijk deel van het immense imagoprobleem waar de waarheid deze dagen mee te kampen heeft.
Sinds een paar maanden doe ik weer veel werk dat niets met schrijven te maken heeft; allerhande klussen voor verschillende opdrachtgevers. Een secure planning van de week is bittere noodzaak. Aanvankelijk had ik erg veel moeite om in het ritme te komen, het ritme dat voor de meeste mensen het ritme des levens is. Maar de laatste weken heb ik het aardig te pakken; ik sta op, ik breng Lola naar school, ik ga aan het werk, ik lunch, ik ga aan het werk, ik ga Lola halen, ik eet, ik lees een boek, val half in slaap voor de televisie, ga slapen, sta op.
En gisteren ging ik dus overwerken.
Hoog tijd om aan een nieuw boek te beginnen.

Nieuwe auto.

‘Heb je eigenlijk een proefritje gemaakt?’
‘Nee hoor,’ zegt Liefje.
‘Maar je hebt er wel even in gezeten?’
‘Kijk schat,’ zegt Liefje tegen Lola terwijl ze naar de foto’s op haar laptop wijst. ‘Onze nieuwe auto. Een zwarte. Mooi, hé.’
‘Lieveling. Heb je er even in gezeten?’
‘Ehm. Neen. Eigenlijk niet.’
‘Heb je erin gekeken?’
‘Jaha, duh,’ zegt Liefje. ‘Natuurlijk. Daarom heb ik ook gevraagd om dat nep houten dashboard van onze auto in deze te monteren. Is toch mooier.’
‘Mooier.’
‘Ja toch?’
‘Zeker. Heb je hem verder nog vragen gesteld?’
‘Nou ja. Ik heb gevraagd: wat moet ik weten over deze auto? En dat heeft hij mij verteld.’
‘Oké. Is het een benzine of een diesel?’
‘Ehm. Het is een turbo. Die rijden beter. En kijk, hier: “nieuwstaat!”’ Ze wijst opnieuw naar de laptop
‘Helder.’
‘O ja en hij heeft de motorkap open gedaan. Alles was heel schoon.’
‘Schoon.’
‘Ja. Maar hij is mooi, hé? Kijk nou.’
Ondertussen, in de hoek van de kamer, zit Lola op de grond met haar armen gekruist voor haar borst. Ze huilt en ze zegt: ‘Ik wil een ZILVEREN auto!’

Gedag.

Het was eigenlijk een fijne avond met fijne mensen maar ik was moe – er was veel gebeurd, ik was twee dagen voordien al op een goed feestje beland en ik was bang dat ook deze avond zou uitlopen op een goed feestje. Dus ik deed mijn jas aan en verliet de kroeg. Ik zei lang niet iedereen gedag, eigenlijk maar één persoon en als die niet toevallig naast mij had gestaan had ik hem wellicht ook niet gedag gezegd. Gedag zeggen: ik vind er niet veel aan.
Ik liep door de kou naar het Marnixplein en daar wachtte ik op tram tien. Zoals altijd wanneer ik in de buurt van het Marnixplein ben moest ik aan dat jongetje denken en ik keek naar het bewuste huis aan de overkant en daar lagen nog altijd bloemen, kapot gevroren, in het schijnsel van twee kaarsen. Hoeveel jaar is het nu al geleden? Terwijl het verdriet om wie ik wel echt heb gekend een plaats heeft gekregen, of is vervaagd, uitgewist door het voorbijgaan van de dagen, blijft dat jongetje in de achterkamers van mijn hersenen zweven samen met andere mensen die ik niet heb gekend, als geesten, of demonen die eens in de zoveel tijd verschijnen aan de binnenkant van mijn ogen, zoekend, alsof ze niet weten waarnaartoe. Ik zou willen dat ik ze kon vergeten terwijl ik best wel weet dat het goed is dat ik aan ze denk.

Vriend.

Mooie column van Bert Wagendorp vandaag in de Volkskrant over Contador: ‘…de zege is niet meer dan een aanloop naar het verlies.’
Naast de column, hebben ze het artikel over de teloorgegane tourzege geplaatst. Aan het einde ervan staat het weer, dat zinnetje over het stukje vlees: ‘De renner heeft altijd beweerd het slachtoffer te zijn geworden van een vervuild stukje vlees dat door een vriend uit Spanje was meegebracht.’
Ik visualiseer. Ik zie hem zitten op zijn hotelkamer, er wordt geklopt.
‘Miguel! Jij hier!’
Miguel heeft de hele nacht gereden. Hij ziet er moe uit maar zijn ogen stralen. In zijn rechterhand, hij houdt het omhoog als een trofee: een wit pakje bevuild met wat opgedroogde druppels bloed. Net een bolletjestrui.
Zo schijnt het te zijn gegaan. Je beste vriend staat op het punt de Ronde van Frankrijk te winnen; ik zou niet eens durven sms'en. Noch hoop ik vrienden te hebben die, net op het moment dat ik aan het sleutelhoofdstuk begin van wat mijn magnum opus moet worden, plots voor de deur staan met een stuk worst in de hand.