Libris Literatuur Prijs.

Gelukkig zijn we machteloos staat op de longlist van 18 titels voor de Libris Literatuur Prijs 2012. Heel blij mee. De shortlist wordt bekend gemaakt op 12 maart.

Belang.

Ik nam afscheid en liep naar de taxicentrale even verderop. Bij de open garagepoort stond een struise kale man, met een snor en een oorbel.
‘Goeiemiddag,’ zei hij.
‘Goeiemiddag,’ zei ik. ‘Kan ik hier een taxi bestellen?’
Hij knipoogde en keek half achterom naar de blonde dame die achter de balie op knopjes drukte. Ze keek me aan.
‘Vijf minuten, naar gelang het verkeer.’
Ik knikte. De man knikte. Er kwam nog een man bijstaan, ook kaal, maar met een bril en die knikte ook. Een taxi arriveerde, niet de mijne, en daar stapte een Turkse chauffeur uit met een zwarte lederen aktetas.
‘Hey,’ riep de struise kale man, ‘Zedde daar? Mé oe flikkedoos?’
De mannen begonnen te lachen en de Turk zei iets en de andere kale man zei dat hij zijn flikkedoos in zijn gat kon steken en dat hij er grove suiker op zou doen, voor het glijden, en nu lachten ze alle drie, heel luid.
Bij het huis naast de garage had ondertussen een kleine, magere man aangebeld . Ergens hoog boven hem ging een raam open.
‘Vur wie is’t?’
‘’t Is vur de nief lidkaarten.’
‘Vur de wa?’
‘Lidkaarten, van ’t Belang.’ Het raam ging dicht.
De twee kale mannen richten zich tot de magere man.
‘Zedde gij van ’t Vlaams Belang? Hedde gij de nief agenda’s mee?’
‘Nee, lidkaarten, de’r zén geen agenda’s dees jaar. ‘k em alleen kalenders.’
‘Geen agenda’s? Is Flipke ze geld oep ofwa?’
‘Ja, manne.’
‘Allez doet dan ne kalender.’
De voordeur ging open en een oudere man kwam naar buiten, met zijn jas aan en een sjaal om en hij zei: ‘Mijne zeun is geen lid nie meer.’
‘O,’ zei de Vlaams Belang-vertegenwoordiger. ‘Ja. Dan.’
‘Ja,’ zei de man. ‘Hij is geen lid nie meer. Dus sorry hé.’
‘Nee, nee,’ zei de man.
Ondertussen bestudeerden de twee kale mannen hun kalender, geel-zwart, ter grootte van een visitekaartje.
‘Amai. Get wel een vergrootglas nodig hé.’
‘Ja manne,’ zei de Vlaams Belang-man. ‘Ja.’ En hij liep verder in de richting van de dokken, met hangende schouders, en loste op in een bundel lichtstralen die dwars door hem heen leek te gaan, zonlicht dat werd opgesplitst door de Boerentoren in de verte en ik droomde weg, dacht aan mijn vader, en achter mij gingen de twee kale mannen en de Turkse chauffeur verder met lachen en even later kwam mijn taxi aan – ook een Turk.

Mooie dingen.

Ik weet nog precies waar ik zes jaar geleden was. In die tijd had ik nog een papieren agenda. Ik heb alle jaargangen bijgehouden.
27 januari 2006. Ik was van plan naar een tentoonstelling te gaan van een meisje, een kunstenares-in-opleiding die ik enkele jaren voordien na afloop van een optreden met het bandje waarin ik speelde in Rotterdam had leren kennen. Er was nog geen sprake van Liefje en het is fair to say dat zij mij interesseerde maar op de één of andere manier had het contact nooit een concreet vervolg gekregen. Wel bleef ik haar werk volgen, en die dag, op 27 januari 2006, zou ik naar een tentoonstelling gaan. Maar dat heb ik niet gedaan. Dat weet ik nog omdat ik me al vaak heb voorgenomen om naar een expositie van haar werk te gaan en het is er nog nooit van gekomen, dus ook toen niet, en dat is jammer want ze maakt hele mooie dingen.
In plaats daarvan sprak ik af met een vriend in Antwerpen, die biefstuk met friet en salade had gemaakt en daarna trokken we naar De Nachten, een mooi festival dat niet meer bestaat en als je me toen had gezegd dat ik er drie jaar later zou optreden als schrijver van een roman, dan had ik daar best een paar flessen champagne op durven verwedden als in: no way.
Daaraan moest ik allemaal denken toen ik las dat er een topcrimineel op vrije voeten kwam. Al weken gonsde het in de media en vandaag is het zover en in alle berichtgeving proef je een onuitgesproken verontwaardiging, een Henk&Ingrid-achtige subtext die ook veel zogenaamde kwaliteitsmedia geruisloos heeft vergiftigd de voorbije jaren en die in dit verhaal zegt: schandalig, veel te kort.
Er spelen uiteraard nog andere beschuldigingen, het is een complexe zaak, oké.
Maar op zes jaar tijd kan dus veel gebeuren en ik vraag me af hoe ik me nu zou voelen, wanneer al die agendavullingen, die ik met een elastiekje eromheen heb opgeborgen in een kartonnen doos die in de kast staat van de werkkamer waar ik elke dag mag doen wat ik wil, ja, hoe zou ik me voelen als al die bladzijden leeg zouden zijn?

Bladel.

Ik werd opgehaald op station Eindhoven en vandaar reden we naar Bladel. Ik weet niet of u Bladel kent. Het ligt vlakbij Eersel.
Toen we het dorp binnen reden zag ik twee mensen fietsen met gele fluo hesjes aan. Daarna een voetganger met een oranje hesje. Even verderop nog een. En toen mijn gastvrouw de wagen voor het gemeenschapshuis parkeerde stond er bij de fietsen een man te roken met een geel hesje aan.
Ik stapte uit, de lucht was koud en vochtig maar ook: volkomen stil. Niets in Bladel bewoog. De rokende man was een standbeeld. Mijn gastvrouw zweefde bewegingloos naar de entree, en ik volgde, keek om me heen, genoot van hoe alles en iedereen in Bladel er haast achteloos in scheen te slagen de rust te bewaren terwijl er toch heel wat aan de hand is zou je zeggen, en ik wou dat Rob Waumans dit had kunnen zien.
Toen we binnen kwamen stond de organisator op ons te wachten bij de bar. Door twee open deuren zag ik een vrij grote zaal die helemaal vol zat, met voornamelijk vrouwen die per vier koffie dronken aan tafeltjes.
‘Ja,’ zei de man. En hij zuchtte. ‘Je hebt concurrentie van Hella van der Wijst.’
En dat was alleen nog maar het begin van een mooie avond.

Prachtige ochtend.

Het was opnieuw zo’n ochtend met lange, horizontale strepen oranje licht in de lucht.
Dat soort ochtenden heb je steeds vaker de laatste tijd – of ben ik de enige die deze indruk heeft? Niets zo gevaarlijk als vertrouwen op de perceptie van een individu, vooral wanneer je zelf dat individu bent.
Toen ik nog voor een groot festival werkte, had je elk jaar, onveranderlijk, de posterdiscussie. Die ging als volgt: ik boekte een postercampagne in Amsterdam; frames en grote zuilen. De leverancier bezorgde mij foto’s van alle locaties waar ze hingen en vervolgens was het wachten op de eerste collega die kwam klagen dat ze niet hingen.
‘Nee,’ zei ik dan. ‘Ze hangen wel. Alleen: jij ziet ze niet. Evenwel, out there wordt het gewenste publieksbereik gerealiseerd.’
‘Jamaar,’ zei die collega. ‘Als ik ze niet zie, dan ben ik vast de enige niet. En ik sprak die en die, en die hadden ze ook niet gezien.’
Vervolgens haalde ik de foto’s boven van de plekken waar ze hingen maar zelden heb ik zo’n discussie op dusdanige wijze weten te beëindigen dat beide partijen er zich voldaan uit terug konden trekken.
Wij vinden het niet fijn wanneer onze perceptie niet strookt met de werkelijkheid. En de werkelijkheid op haar beurt, trekt zich van ons niks aan. Wat daarbuiten gebeurt, gebeurt ook zonder dat onze ogen erop gericht staan. Ook wij zijn het meest onszelf wanneer niemand ons kan zien.
Kortom, een prachtige ochtend; je ziet ze steeds vaker, de laatste tijd.

Niet leuk.

Alle fietsrekken voor de Albert Heijn waren vol dus ik moest mijn fiets neerzetten om de hoek, achter de fitness, op de kade tegenover de boot van de zeilschool waar ik ooit drie lessen gevolgd heb – die rekken zijn altijd vrij.
Het waaide en het regende net niet of net wel, dat soort weer.
Ik had het IJ nog niet vaak zo gezien. Woest als een zee, schuimkoppen die tegen de woonboten bij de brug naar KNSM kapot sloegen. Ik zette de fiets vast, liep naar binnen en bestelde sigaretten bij de balie. Het was hetzelfde frêle Surinaamse meisje als altijd. Ze wilde het briefje van vijf euro in ontvangst nemen en de sigaretten geven in één keer, met dezelfde hand, en ik probeerde daar in mee te gaan maar het ging natuurlijk mis, het was allemaal een beetje onhandig, haar slanke gespierde vingers raakten verstrengeld in de mijne, het briefje viel op de balie en voor het eerst in al die tijd dat zij mij sigaretten verkoopt, lachte ze me toe en ik lachte terug en zei dag.
Toen ik buiten kwam regende het, deze keer echt. Ik zag een vrouw die haar fiets van het slot haalde en naast haar stond een jongen van een jaar of vijf, op zijn fiets, te wachten en hij zei: ‘Dit is toch niet leuk? Of wel soms?’

Alles.

Ik stapte uit de douche en de spiegel van het badkamerkastje was bedampt. Dat gebeurt anders nooit dus ik moet er lang onder hebben gestaan; ogen gesloten, handen in de nek. Lola werd snel en vrolijk wakker. We liepen naar boven, maakten ontbijt en we aten het op. Daarna mocht ze nog even spelen, terwijl ik snel een ideetje optikte, een beeld van de avond ervoor.
We reden in de auto door de regen naar de school, we waren lekker vroeg. In de klas speelden we nog een hele tijd een memoryspel en Lola speelde vals dus aan het eind was het gelijk. Op weg naar huis belandde ik in de file. Beide bruggen naar het vaste land stonden helemaal vol en zo schuifelden we een kwartier lang, bumper aan bumper, en ergens halverwege de sliert ook nog de tram, totdat ik linksaf ons eiland op kon rijden.
Bij thuiskomst was het nog steeds stil en donker beneden. De katten waren rustig terwijl ze nog geen eten hadden gehad want dat is op. Ik sloop naar boven, nam een sigaret, ging roken op het balkon in de regen en ik sloot de ogen en al die tijd speelden door mijn hoofd: de schemering van een huiskamer, de verwijtende lach van een kind, een zachte gloed die zijn weg over hoge, trotse jukbeenderen vindt.
Er was veel anders dan anders vanochtend. Zo niet: alles.

Hartelijk.

Ik stond bovenaan de trap te praten. Mijn gesprekspartner stond een trede lager - ik had het overzicht.
Het was een schrijversfeestje. Ik heb ondertussen door: je moet goed opletten wat je doet op een schrijversfeestje. Het eenvoudigst is om iedereen hartelijk te groeten dus dat probeer ik altijd te doen.
Om de een of andere reden zijn er mensen bij wie dat steevast mis gaat. Buiten mijn wil om vergeet ik hen te groeten, groet ik hen niet hartelijk genoeg of ontstaat er een andere vorm van ongemak en ik kan er maar niet de vinger op leggen. Ik haat deze mensen niet, sterker nog, ik sta welwillend tegenover hen en toch gaat het keer op keer mis. Dit kan mij bezig houden.
Nu had ik al enige tijd zo’n individu in de gaten en ik wist dat deze persoon weldra de trap zou bestijgen en mij zou passeren en dat het zaak was om de juiste, hartelijke begroeting te realiseren om voor eens en altijd af te rekenen met het sociale ongemak dat ons tot op heden van elkaar scheidde.
Het gesprek dat ik voerde was erg interessant en ik probeerde op rechtvaardige wijze mijn aandacht en blik te verdelen tussen mijn gesprekspartner en de bewuste persoon daar beneden.
Op een bepaald moment zag ik dat de beklimming van de trap was begonnen en ik zette me schrap. Al snel kon de begroeting niet langer meer dan enkele treden uitblijven, en tot mijn vreugde zag ik dat de welwillendheid wederzijds was en dat ook de tegenpartij zich voorbereidde op spontane hartelijkheid. En net toen, echt nét op het moment dat de eerste toenaderende beweging werd in gezet en onze ogen zich in elkaar vasthaakten, vroeg mijn gesprekspartner me iets – want dat gesprek ging gewoon door terwijl alles wat hierboven staat zich voltrok, nee serieus – en ik had geen enkele andere keuze, u moet mij geloven, echt geen en-ke-le andere keuze dan hem te antwoorden: ‘Nee, dat hoeft niet.’
Terwijl ik dit zei, keek ik recht in de ogen van diegene die op mijn hoogte was aangekomen en de armen liefdevol spreidde maar bij het horen van mijn woorden deze hartelijke beweging bruusk onderbrak en ontzet met gebogen hoofd verder liep en het feest betrad.
Ik keek nog om. Ik riep ‘Hey!’, en lachte, wanhopig veinzend dat ik me niet had gerealiseerd wie het was. Maar ik wist het. Ik wist het goed genoeg. En nu werd ik verteerd door spijt terwijl mijn bedoelingen eerzaam waren geweest, al die tijd.

Maggie.

De Belg is het lachen met zichzelf nog niet verleerd. Ik heb ervoor gevreesd. Wat ooit een van onze basiskwaliteiten was, leek de voorbije 500 en nog wat dagen te zijn versleten en verzuurd. Opgebruikt. Te zwaar op de proef gesteld. Maar nauwelijks is de regering gevormd of we hebben onze zelfspot alweer hervonden. Ze heet Maggie De Block.
Al die tijd was Maggie deze emigrant ontgaan. De eerste google-hits op haar naam: ‘Maggie De Block was een kapitale fout’, ‘Lachen met Maggie De Block is menselijk’, ‘Dehaene was ook geen mannequin’ en ‘Maggie De Block kan mij krijgen | Facebook’.
In haar interview met De Morgen, verwart Maggie op schattige en/of visionair anticiperende wijze jeugdbendes met gangbangs. Een medewerker moet haar erop wijzen dat ze geen 31.000 maar 31 miljoen euro heeft vrijgemaakt voor de opvang van azielzoekers. Even later zegt ze:  ‘Ik ben nog van den buiten. Bij mij is een euro een euro.’ Elders spreekt ze over ‘misdadige dinges’.
Een goed mens. Zoveel is duidelijk. Een goed mens, bovenal. Let op mijn woorden. Maggie De Block is precies wat België nodig heeft. Maggie brengt ons samen. Sterker nog: Maggie is wie wij zijn.

Kassa.

Het is een bio-supermarkt. De kassa’s zijn groot uitgevallen houten statafels waarop de klanten hun boodschappen uitstallen als waren zij de kooplui en de hippe jongens en meisjes die hen bedienen de klanten. Tenminste, zo was het de laatste keer dat ik er was. Nu waren die statafels onbemand en in een hoek stond een nieuwe metalen kassa, eentje met lopende band en al, en achter deze kassa zat een dame met kort grijs haar kaarsrecht op een stoel; klaar om boodschappen af te rekenen. Ze wachtte tot ik de inhoud van mijn karretje over de volle lengte van de lopende band had uitgestald, keek me aan en zei: ‘Zo. We kunnen beginnen.’
Ik schatte haar een jaar of vijftig maar ze had de handen van een jonge vrouw; slanke, gespierde vingers lieten mijn aankopen soepeltjes onder de scanner door glijden. Ergens halverwege stopte ze even, en keek naar een jongen die met een mooi meisje aan het praten was.
‘Milan, als je zo klaar bent met kletsen, ga je dan even de vakkenvullers helpen?’
Milan schrok en beëindigde onmiddellijk het gesprek. Het mooie meisje opende één van de statafels. Maar ook de volgende klanten bleven bij de nieuwe kassa aanschuiven en het meisje drentelde wat rond, herleid tot aantrekkelijk maar technisch werkloos decor. Mijn kassadame keek het aan en glimlachte voldaan. Opeens werd alles duidelijk.
Het was natuurlijk ook een chaos geweest, in feite, al die tijd. En ze hadden háár gevraagd orde op zaken te stellen. Zij had de wanhopige supermarktuitbaters emotieloos aangehoord en het hele verhaal over eerlijke producten had ze voor lief genomen. Eerlijkheid. Het klinkt goed, maar het betaalt de rekeningen niet. Uiteindelijk had ze de baan aanvaard, met de geveinsde tegenzin van wie zich gevleid voelt en ze had haar kans schoon gezien om harde garanties te eisen. Om te beginnen: een normale kassa.

Vrouw.

Nog voor we Schiphol bereikt hadden, begon ze te huilen. De trein reed traag en stil en de persoon aan de andere kant van de lijn was lang aan het woord terwijl zij snikkend dingen fluisterde als ‘Je peux pas te perdre’ en ‘Baby!’.
Ze was na mij de trein ingestapt en achter mij komen zitten en uit haar stem kon ik geen leeftijd afleiden want ze sprak stil, gesmoord, zuchtend. Ik gluurde schuin achter me in de spiegeling van het raam, op zoek naar aanknopingspunten, ik zag een witte lederen handtas, een sierlijke hand met roodgelakte nagels, verscheidene ringen die er duur uitzagen.
Het was nog vroeg en donker. Ik had een onrustige nacht gehad. Toen ik naar de trein fietste had er een gloeiende volle maan boven de koepel van het Centraal Station gestaan dus die had ik maar de schuld gegeven voor de gedachten die door mijn hoofd speelden.
Op Schiphol stapten er een heleboel mensen op en dat gaf mij de kans om met recht en rede eens goed om me heen te kijken maar nog steeds kon ik de vrouw niet goed ontwaren, ze lag opgekruld als een kat in haar stoel, zwarte haren, gebruinde huid, witte jeans, de ogen gesloten.
Er valt niets zinnigs te zeggen over een vrouw die haar ogen gesloten houdt.

Girls Talk.

Het waren Lokerse Feesten, Nick Lowe trad op en ik was dronken. Dat was, kort samengevat, de situatie.
Nick Lowe is een vriend van Elvis Costello en wie een vriend is van Elvis is een vriend van mij; dat lijkt me logisch. Ik had mij met name enorm verheugd op de uitvoering van een Costello-song die in de versie van Nick Lowe een grote hit was geweest – Girls Talk. Maar het concert was al flink op weg en Nick Lowe speelde dat liedje maar niet. Dit hield mij bezig.
Waarom zou Nick Lowe zijn grootste hit Girls Talk niet spelen? Was dit weer zo’n typisch gevalletje van misplaatste eigenzinnigheid ten koste van het vermaak waarop wij als publiek recht hadden? En was hij het eigenlijk niet verplicht aan mijn vriend Elvis om dat nummer tijdens elk concert te spelen? Wie was Nick Lowe nu helemaal, zonder Girls Talk? Niemand! Nick Lowe bestónd bij de gratie van Girls Talk en indien hij dit nummer niet zou spelen, zou hij in niet geringe mate mijn vriend Elvis dissen, en wie mijn vriend Elvis dist, nu ja, die dist mij. Nadat dit besef ten volle tot mij was doorgedrongen, begon ik te roepen. Na elk nummer.
‘Girls Talk! Girls Talk!’
Nick Lowe leek dit niet te horen. Daarop besloot ik nog een biertje te nemen en met dat biertje in de hand begaf ik mij naar de eerste rijen voor het podium alwaar ik verder ging met roepen.
‘Girls Talk! Godverdomme!’
Nu hoorde Nick Lowe mij wel en hij keek verdwaasd in mijn richting.
‘Girls Talk! Sukkel!’
Maar hij speelde Girls Talk niet. Het concert verwaterde compleet. Het applaus klonk zwakker na elk nummer, hetgeen mij sterkte in de overtuiging dat enkel een gedegen uitvoering van Girls Talk de avond kon redden. Telkens keek Nick Lowe in mijn richting. Het leek alsof hij mij niet begreep. Maar ik riep toch echt zo hard ik kon.
Na afloop voegde ik mij opnieuw bij mijn vrienden en ik vroeg hen: ‘Waarom speelde die gast nu niet gewoon Girls Talk?’
‘Wellicht,’ antwoordde de grootste muziekkenner onder hen, ‘omdat Girls Talk een hit was voor Dave Edmunds.’
Ik draaide mij om, naar het podium, dat Nick Lowe even daarvoor met gebogen hoofd verlaten had, nam een slok van mijn biertje en mompelde iets in de trant van: ‘Oké. Oké. Fair enough. Maar dan nog.’


Niets gezegd.

We stonden in mijn werkkamer annex washok. De monteur had het formulier ingevuld en keek mij doordringend aan. Hij zei: ‘Ik ga hen twee opties voorleggen. Het een en het ander. En ik zal pleiten voor het een want het ander lijkt me wat drastisch.’
Ik wilde zeggen: ‘Oké, bedankt en tot ziens!’ maar toen dacht ik net op tijd aan het feit dat ik zo dadelijk telefonisch verslag uit zou moeten brengen aan Bretagne.
Het was al de derde monteur. De eerste had binnen dertig seconden geconcludeerd dat de vlekken onmogelijk van de machine afkomstig konden zijn. Maar hij wist niet dat hij tegenover Liefje stond. Wat volgde was een fascinerend gevecht tussen technische expertise en Bretoense koppigheid waarnaar ik in ademloze bewondering zat te kijken en dat met gierend gemak werd gewonnen door Liefje, en wel op zulk een verwoestende wijze dat ik een beetje medelijden kreeg met die monteur. Jaren studeren aan de wasmachineschool en dan genadeloos klop krijgen van iemand die gewoon iets Heel Erg Hard Wil. Maar nu was Liefje in Bretagne en ik had moeten beloven standvastig te zijn.
‘Wat is het één?’ zei ik.
De monteur kreeg plots grote belangstelling voor wat er aan de muren in de werkkamer/washok hing.
‘Dat mag ik dus niet zeggen.’
‘Dat begrijp ik,’ zei ik. En ik leunde met mijn schouder tegen de deurpost van de enige deur van de kamer. ‘Maar ik neem aan dat dit oplossingsgerichte opties zijn.’
‘Ehm, nou, ja,’ zei de monteur. ‘Ofwel moet de machine vervangen worden, ofwel moet de carbid unit vervangen worden. Maar nu zeg ik al te veel. Eigenlijk.’
‘Aha,’ zei ik.
De monteur keek naar zijn gereedschapskist, die achter mij stond, in de gang, die naar de trap leidde, die naar beneden ging, naar een andere gang, die naar de voordeur leidde, weg uit dit huis. Hij probeerde een stap te zetten, als om te vertrekken, maar tussen mijn bureau, het wasrek, de kast en mijn bureaustoel was weinig ruimte voor al te expressieve lichaamstaal.
Er viel een stilte. Ik dacht aan Liefje. Bretagne. De ziedende zee die er op onverwoestbare rotsen inbeukt.
De monteur maakte oogcontact – en brak.
‘Ik zal uiteraard voor vervanging van de machine pleiten. Maar dat heb ik u niet gezegd. Dus.’ Hij klonk vermoeid. Een beetje droevig. Hij stak zijn clipboard onder de arm en keek op zijn horloge.
‘Vanavond heb ik een nieuwjaarsreceptie.’
‘O,’ zei ik. ‘Iets om naar uit te kijken.’
‘Het is verplicht,’ zei hij. ‘Daarna moet ik nog twee uur rijden, naar huis.’
‘Prima,’ zei ik terwijl ik uit het deurgat stapte. ‘Uitstekend. U heeft niets gezegd.’

Reader.

Eerst werd ik een beetje boos toen ik De avonden niet kon vinden als e-book bij de reguliere digitale boekenboer. Daarna begreep ik dat de erven van het Reve niet willen dat De avonden als digitaal boek wordt uitgegeven en dat uitgever de Bezige Bij daar niks aan kan doen. Wauw.
En jammer. Ik kreeg met kerst mijn eerste e-reader en De avonden leek mij een wel heel toepasselijk eerste aan te schaffen e-book.
Huh?! Ivo Victoria?! Gij grote voorvechter van het digitale lezen, gij had nog geen e-reader?!
Dat is een misverstand. Ik ben geen voorvechter van digitaal lezen. Net zomin als ik een tegenstander van het gedrukte boek ben. Ik wil gewoon lezen, waar en wanneer en op de manier waarop ik dat wil. Net zoals iedereen.
Het meest verheug ik mij erop dat ik nu te allen tijde mijn favoriete boeken bij me heb om daar op elk gewenst moment even een paragraafje of bladzijde uit te kunnen (her)lezen. Iets waar ik vaak behoefte aan heb, maar wat er veel te weinig van komt. Er staan nogal wat boeken in mijn veel te kleine boekenkast waarvan ik in de komende tijd ook de e-book versie zal aanschaffen.
Maar ondertussen zag ik in mezelf de tijdsgeest weerspiegeld: als je ‘de markt’ niet bedient, bedient de markt zichzelf. Torrensites wereldwijd zullen de erven van het Reve dankbaar zijn.

(Overigens: op 13 februari organisteert productiehuis Wintertuin ism de SLAA een debatavond over de toekomst van het boek in de Rode Hoed in Amsterdam. Dit in het kader van het project en de bundel RAMSJ waarvoor ik een essay schreef.)

Oog.

Ik was al vroeg wakker, een uur of elf of zo, nauwelijks vijf uur geslapen en toch voelde ik me oké. Alleen mijn rechteroog deed pijn. Wanneer ik gedronken heb, en ik geloof dat wij gevoeglijk kunnen stellen dat ik dat gisteren heb gedaan, slaap ik wel eens met één oog open.
Ik bakte een ei, liet een croissant aanbranden en daarna liep ik door het huis. Ik dacht aan iets om te doen en ik liep naar de woonkamer en toen ik daar aankwam wist ik niet meer wat ik wilde doen en liep ik terug naar de keuken in de hoop dat ik het me zou herinneren. Ondertussen zei ik luidop dingen tegen mezelf als ‘Zo. Wow. Wat was dat zeg?’ en dat vind ik dus niet gek. In tegenstelling tot het gezelschap waarin ik gisteravond verkeerde – die vonden dat zonder uitzondering heel gek, luidop tegen jezelf praten, maar ik doe het de hele tijd. Het helpt me om mijn gedachten te ordenen en ik kan me geen periode uit mijn leven herinneren dat ik niet op regelmatige basis tegen mezelf sprak. Dus dat deed ik ook vanochtend weer en ik liep naar de woonkamer, en weer terug naar de keuken of naar boven of beneden. Af en toe moest ik halt houden en mijn ogen dichtknijpen omdat mijn rechteroog opspeelde, hele heftige priemende pijn alsof iemand met 10 naalden tegelijk in mijn oogbal prikte. Veel tranen ook. Soms vraag ik me af wat dat oog allemaal ziet, in zo’n nacht nadat ik veel gedronken heb, en of dat de reden is dat het ’s ochtends zo’n pijn doet.