Rit.

Net toen de duisternis viel, iets voorbij Lille, en minuten nadat ik had berekend dat ik tegen dit tempo om acht uur in Amsterdam zou arriveren en misschien zelfs nog even richting de Pels kon trekken als ik niet te moe zou zijn, hoorde ik een klepperend geluid onder de motor dat na enkele seconden weg schoot naar rechts, als een ratelslang, en daar verder ging met klepperen.
Nu weet ik helemaal niet hoe ratelslangen klinken en tevens zou het mij verbazen als ratelslangen wisten hoe een kapotte multiriem klinkt maar desalniettemin was de gelijkenis opvallend.
Er sprong een dashboardlampje aan, zo’n lampje waarvan je niet weet wat het betekent behalve dan: onmiddellijk aan de kant. En daar stond ik nu. Te wachten. De hele dag was het zacht geweest, ik had mijn jas nog niet aan gehad, maar nu was het plots erg koud en ik stond te trillen op mijn benen alsof iemand me door elkaar schudde (als u mij deze parafrasering van een mooie zin uit Jennifer Egan’s Visit From the Goon Squad wil vergeven). 
Ik stak een sigaret op en ik dacht aan hoe mijn meisjes me vanochtend hadden uitgezwaaid, in pyama nog, vrolijk lachend met tranen in de ogen in de open garagedeur en Lola die alweer naar binnen sprintte met die spillebeentjes van haar nog voordat papa uit het zicht verdwenen was. En ik dacht aan de rit die tot hier zo vlot was verlopen, en de voornemens die ik onder het rijden gemaakt had, en ook aan de beslissingen en plannen die ik had gemaakt; zo’n rit op zijn tijd is een goede zaak. In principe raad ik het aan.

Op de neus.

We maakten een wandeling. Rechts van ons stroomde de rivier en links lag een woonwagenpark. Het was koud en het waaide ook nog flink maar toch hadden de meeste woonwagens de deur open staan. Aan het hek was een magere hond vastgeketend die nerveus op en neer liep en door het raam van zo’n caravan zag ik een vrouw in een pot roeren met een grote houten lepel. Ergens ging een rotje af en ik moest aan Amsterdam denken. Daar rij ik morgen naartoe. Elfhonderd kilometer, alleen in de auto. En ik dacht ook aan het boek dat ik nu lees: Naar de overkant van de nacht, van Jan van Mersbergen. Die Ralf gaat ook weg bij zijn gezin om nog eens flink te feesten. Nu lijk ik in niets op Ralf en ons gezin lijkt al helemaal niet op het zijne maar het is zo’n boek, wanneer je het begint te lezen word je erin meegetrokken en als je er eenmaal in zit, is er niet veel voor nodig om jezelf zo’n Ralf te voelen, zeker niet als het een beetje koud en guur is en je hebt een paar glazen wijn op en je wandelt tussen een woonwagenpark en een vervuilde rivier in. 
Twee types kwamen ons tegemoet. Zij waren het die de rotjes gooiden en ik merkte dat ons gezelschap alert werd en bleef tot ze ons gekruist waren en daarna keken we allemaal om behalve Liefje en Lola die achteraan liepen. Eén van de twee gooide een rotje zonder kijken achterwaarts over zijn schouder in hun richting. Ik kon niet zien waar het rotje precies terecht kwam en ik voelde een bepaalde agressie in mij opwellen bij de gedachte aan hoe Lola zou schrikken en wellicht zou beginnen huilen, want ze was moe, en ik zag al hoe ik op die mannen afrende en ondertussen mijn handschoenen uit gooide om met blote knokkels uit te kunnen halen maar het rotje ging niet af. Dat was maar goed ook want ik zou niet weten hoe ik zo’n gast zou moeten raken. Op de neus was mijn eerste gedachte, op de neus wellicht, maar hoe?

Dat is voor ons.

Gisteren zond het VPRO Radio 6-programma De Avonden de eerste aflevering van hun serie Donkere Dagen uit. Ik zat in het tweede uur en ik las o.m. een nieuw verhaal voor: Dat is voor ons. Je kan het hier beluisteren, het verhaal zit ongeveer halfweg de uitzending - ervoor en erna werd ik geïnterviewd.

Donker.

De voorbije drie dagen sliep ik in totaal 35 uur. Zo gaat het altijd wanneer ik in Bretagne ben, ook wanneer er baby’s in het spel zijn. Er maakt zich een enorme vermoeidheid van mij meester, een niet aflatende drang om te gaan liggen en wanneer ik niet lig dan lees ik of drink ik wijn en daarna ga ik alsnog liggen.
Zelf denk ik dat het komt omdat het hier zo donker is. In Gelukkig zijn we machteloos zegt Ome Lex: ‘Ze hebben ons het donker afgepakt.’ Of iets dergelijks. Nou, niet hier. Hier heb je nog een duisternis zoals onze voorouders die gekend moeten hebben vóórdat ze het vuur uitvonden.
Wanneer ik ’s nachts wakker word om te plassen, kan ik geen hand voor mijn ogen zien – letterlijk. Dat maak ik in Amsterdam nooit mee, om de een of andere reden is daar altijd licht. Ook ’s ochtends blijft de duisternis ongewoon lang hangen, alsof ze geen enkele reden ziet om op te lossen, en welbeschouwd is die er ook niet. Bretagne is een land van steen en bokkige heuvels, grauwe mannen en schichtige vrouwen, zieke honden die rechtop met twee poten tegen het tralies staan, blaffend, schor. Achter elke hoek lijkt een verhaal te schuilen, een reden om te zwijgen zoals het landschap zwijgt en het licht zwijgt, alles en iedereen is hier donker of minimaal grijs.
Amsterdam daarentegen is een stad van licht en spiegelend water, van luid gelach en altijd prijs.
En nu ik dat zo opschrijf vraag ik me gek genoeg af of ik niet liever hier blijf.

Lachen.

Ik ben voor de negende keer in tien jaar in Bretagne met kerst maar heel goed ken ik hier de weg niet. Ik weet wel dat als je de straat waar mijn schoonouders wonen uitloopt, en dan rechtsaf gaat, je eerst een Renault garage passeert en dan, een paar honderd meter verder, een paar winkels waaronder een Tabac waar ik wel eens sigaretten koop en nog even verderop is een tankstation.
Ik had een nieuw lampje voor een koplamp van de auto nodig, én sigaretten, en mijn lieve schoonmoeder zei dat de Renault garage niet open was op tweede kerstdag en dat het tankstation geen winkel had en dat ik beter linksaf kon, richting het centrum van de stad, en dat wat verderop een winkel was waar ze allerlei spullen voor de auto verkochten en dat alles herhaalde ze een keer of drie.
Dus aan het eind van de straat, sloeg ik rechtsaf, stak over en liep de Renault garage binnen. Achter de balie zat een strenge dame, en naast haar stond een jonge man in een overal van Renault en voor de balie stond een kleine gedrongen man in gewone burgerkleding. De feiten zoals ze zich aan mij presenteerden, gaven geen enkele aanleiding om niet te concluderen dat deze man gewoon de klant vóór mij was. Er viel een stilte van enkele seconden tijdens de welke de twee achter de balie mijn blik ontweken en de kleine man mij recht in de ogen keek en ik wist meteen: hij is de baas, dit is zijn garage en ik ben een klant die hij niet kent. 
Daarna, op een teken dat mij ontging, zei iedereen ‘bonjour’ en de kleine man stak zijn hand uit. Ik was verrast, en vanuit wat ik een oer-Hollandse reflex zou willen noemen, schudde ik zijn hand en zei: ‘Je suis Ivo.’ Daarop begon iedereen te lachen.

Soep.

Vanavond treed ik op in Antwerpen en de volgende dag rijden we naar Frankrijk. Ik treed niet zo vaak op in Vlaanderen – geen idee hoe dat komt eigenlijk want mijn boeken doen het daar beter dan in Nederland waar ik wel met regelmaat (en met veel plezier trouwens) mag opdraven. Maar deze week dus twee keer en gisteren en eergisteren kwamen de eerste aanvragen binnen om lezingen te houden in Vlaamse Bibliotheken en begin januari mag ik een woordje doen op het congres van de Vlaamse Auteurs Vereniging. Daar ben ik blij mee. De komende tijd wil ik vaker in Vlaanderen zijn. Vlaanderen, het noordelijk deel van mijn thuisland België, that is. Het is genoegzaam bekend dat ik niks met het Vlaamse gedachtegoed of de Vlaamse identiteit heb maar ik kan niet ontkennen dat wanneer ik in Antwerpen rond loop, zoals afgelopen zondag, ik mij zonder aantoonbare reden enorm goed voel, rustig en sereen, alsof ik een natuurlijk deel ben van de omgeving, terwijl ik in Amsterdam nog steeds rondloop als een vreemde – een gelukkige vreemde, dat wel, maar een vreemde.
Die ochtend had mijn goede vriend Bart De Wever het onder meer over de ‘Belgicist’ Daan, die regelmatig fulmineert over het Vlaamse gedachtegoed en de N-VA maar die toch de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde Vlaamse Cultuurprijs accepteerde. Bart De Wever noemde dat ‘spugen in de soep die je vervolgens opeet.’
Alsof Vlaanderen geen onderdeel van België zou zijn.
En verder ken ik weinig mensen die vies zijn van hun eigen speeksel.

Fucked.

Op de terugweg  zat ik in dezelfde wagon, op dezelfde stoel. Alleen reed ik nu achteruit.
Een tijd geleden was ik onderweg naar Nijmegen toen een landelijke treinstoring mijn reis onderbrak. Na enkele uren samen met duizend anderen naar een groot leeg scherm te hebben gestaard op Utrecht Centraal, konden we weer verder. De trein was vol, alleen in eerste klasse was nog één plekje over maar dan moest ik achteruit rijden. Omdat het een zaak van groot belang betrof ben ik daar gaan zitten. Na enkele minuten voelde ik mijn hoofd draaien en duizelen en moest ik ook nog ‘ns mijn eeuwige angst om in het openbaar vreemde mensen aan te spreken overwinnen om de jongen tegenover mij te vragen van plaats te wisselen.
Maar dit was geen normale trein, dit was de Thalys. Met gereserveerde plekken en al. Door een gecancelde meeting had ik in Brussel onverhoopt twee uurtjes kunnen werken en ik had me erop verheugd om op de trein nog wat te schrijven. Zo zit mijn leven in elkaar: elk uur dat ik werk, levert geld op om een uur en liefst langer te schrijven. Maar nu dreigde ik twee uur te hebben gewerkt, om twee uur niet te kunnen schrijven, en ook niet te lezen, of iets anders te doen; achteruit rijdend kan ik niets.
Ze kwamen langs met broodjes, en bier, en wijn, en andere versnaperingen. Die waren gratis, zoals op een vliegtuig. Zelf had ik op het station een broodje martino gekocht en een blikje Jupiler. De hostess naderde mijn stoel met haar karretje. De man schuin voor mij bestelde een blikje Grimbergen. Ik staarde naar buiten zoals iemand die niet gestoord wil worden, draaide mijn hoofd naar achteren – of dus eigenlijk naar voren, en in de spiegeling van het raam keek ik pardoes in het decolleté van de dame achter mij en het was mij meteen duidelijk dat ik voor de verdere duur van de reis niet meer die kant op kon kijken.
Ik was, kortom, fucked.

Thalys.

Vanaf het moment dat ik de Thalys betrad bekroop mij het gevoel dat er iets niet in de haak was. De vorige keer zaten we tegenover elkaar in een vierzits – grijze stoelen die net te krap zaten, met een onhandig tafeltje in het midden. Nu zat ik alleen in een brede, comfortabele rode zetel met een groot uitklapbaar werkblad waar mijn laptop wél op paste. Er waren nauwelijks andere passagiers terwijl het de vorige keer erg druk was geweest. Ik herinner me een oudere blonde dame die mij om de een of andere reden Oost Europees had voorgekomen, met een bontmantel en dikke rood gestifte lippen; de uitstraling van iemand die ooit erg mooi was geweest en zich daar naar was blijven gedragen, vrolijk en met veel praatjes de tijd negerend. Die dame was tijdens de reis in gesprek geraakt met een vroom uitziende vrouw in praktische kleding en in Brussel hadden ze afscheid genomen met drie kussen alsof ze goede vrienden waren geworden terwijl ze elkaar wellicht nooit meer zouden zien.
De wifi was gratis stond op de glazen schuifdeuren van onze coupé, vorige keer was hij betalend. Maar mijn laptop slaagde er niet in verbinding te maken. Achter mij zat een man die Russisch sprak en in Rotterdam stapte een vader op met zijn dochter. Hij sprak afwisselend Engels en Nederlands met haar, het was een jong meisje, op de drempel van de puberteit, met een mooi egaal gezicht. Ze kwamen op mijn hoogte aan de andere kant van het gangpad zitten en toen ze eenmaal neerzaten tikte ik de vorige zin en deze zin en onmiddellijk ging de vader opzichtig op mijn scherm kijken alsof hij voelde dat ik over hen schreef. Ik keek opzij, waarop de vader voor zich keek, en het meisje ook opzij keek, brutaal, recht in mijn ogen en ze bracht haar handen naar haar achterhoofd en schudde haar haren los. Het was een mooi meisje, echt. Als je zo’n meisje vanop afstand zou zien, een meter of honderd of zo, zou je zeggen: een jonge vrouw.
De conducteur kwam langs. Er was iets met hun kaartjes. Hij haalde zijn zakcomputer boven en noteerde hun namen.
‘Hoé schrijf je dat precies?’ vroeg hij aan de vader.
De vader glimlachte. Nu vielen mij de groeven in zijn gezicht op en de vlekken op zijn huid, die bruin getaand was; de huid van iemand die veel reist. Hij keek even naar mij en richtte zich dan weer op de conducteur en zei: ‘L, o, l, a.’

Jongetje.

De voorbije weken las en hoorde ik allerlei zaken over Connie Palmen. Gelukkig is het mijn voornemen voor 2012 (en alle daaropvolgende jaren) om mij niks meer aan te trekken van wat andere mensen vinden want tijdens haar interview bleek ze geestig en slim en gaf ze sereen en fris dezelfde antwoorden op dezelfde vragen die ik de voorbije tijd in interviews had gelezen. Dat moet je kunnen.
Zelf merk ik dat ik stilaan klaar ben met het praten over Gelukkig zijn we machteloos. Dat bedoel ik niet blasé maar het blijkt een roman te zijn waarvan iedereen voortdurend wil weten waarom en hoe-zit-dat-dan en ik blijk zo’n goedzak te zijn die dat dan nog gaat proberen uit te leggen ook. Dat moet je niet doen.
Toen Bart Moeyaert aan de beurt was, werd ik op slag jaloers dat zijn gesprek over zijn schrijverschap in de volle breedte ging – kón gaan. En ik vervloekte mezelf niet voor het eerst voor het feit dat ik er zo lang over heb gedaan om hier te geraken.
‘Ivo, wat leuk om jou een keer te ontmoeten,’ zei Connie achteraf terwijl ze haar armen om Bart heen sloeg. ‘Bart ken ik al lang, maar jou had ik nog nooit gezien.’
‘Nee,’ zei ik bedremmeld. ‘Ik kom nog maar net kijken.’
Ik leek godverdomme wel een jongetje.
En terwijl ik daaraan dacht, en ook aan alle lieve mensen die hun boek lieten signeren, en alle lieve mensen die kwamen zeggen dat ze het heel mooi vonden maar dat ze hem nu niet bij hadden omdat ze hem hebben uitgeleend (illegaal downloaden? Dat illegaal uitlenen – dát kost mij geld) reed ik naar huis en door mijn hoofd speelde het beeld van vijf vlezige vingertjes, trommelend op de binnenkant van een bil. Geen idee hoe dát daar verzeild was geraakt.

Daily reminder.

Ik dreigde te laat te komen voor een afspraak met Rob Waumans en dat is iets wat niemand van ons moet willen.
Het regende, ik had wind tegen en dus nestelde ik mij in het wiel van een dame met een breed uitgevallen regenpak voor maximaal aerodynamisch voordeel. Halverwege de Czaar Peterstraat begon ze te versnellen. Ik herkende de reflex. Ik hou er ook niet van wanneer een of andere halve gare Joop Zoetemelk-gewijs in mijn wiel komt hangen om zich zo te onttrekken aan de klimatologische omstandigheden waar eenieder van ons maar gewoon mee te dealen heeft. Maar wat deze dame dus niét wist, is dat ik te laat dreigde te komen voor een afspraak met Rob Waumans. Kortom, haar tactiek speelde mij enorm in de kaart; zij voerde het tempo gestaag op, als een volleerd derny, en ik volgde verbeten.
Bij het kruispunt met de Oostenburgergracht, stond het licht voor de fietsers op groen en we haalden het nét – dat was mij al jaren niet meer overkomen. En terwijl ik bedacht dat dit een goed teken moest zijn in het kader van mijn missie niet te laat te komen voor mijn afspraak met Rob Waumans, liep de ketting van mijn achterwiel. De dame knalde snoeihard weg richting Alexanderplein en ik stond stil op de Dageraadbrug. Ik legde de ketting er in twee pogingen weer op en ik zocht naar iets om mijn hand mee schoon te maken en pas toen merkte ik dat ik precies ter hoogte van de bloemen en de krantenknipsels en de briefjes en de foto’s stond die al sinds half september aan het hekwerk van die brug hangen. Ik fiets er bijna dagelijks langs. Soms zijn de bloemen verwelkt, en dan hangen er de volgende dag weer verse. Eén keer ben ik gestopt en heb ik alle briefjes en knipsels gelezen. Het is een droevig verhaal en tegelijk geeft het je moed en het hangt daar aan die brug als een daily reminder aan ons geluk. Typisch zo’n verhaal dat een schrijver wil verzinnen. Maar helaas.


Doelstelling.

Voor 2011 had ik een lijstje gemaakt met vijf dingen die ik wenste te realiseren in het afgelopen jaar. Gewoon, in een teksteditor bestandje, op het bureaublad van mijn computer gesaved.
In de loop van het jaar klikte ik het bestandje af en toe open om te kijken wat mijn doelstellingen ook alweer waren. Dat is hoe ik werk: alles wat ik wil of moet doen, schrijf ik op. Tegen andere mensen zeg ik dat ik dit doe omdat ik mijn hoofd niet wil belasten met zaken van praktische aard – om dezelfde reden ben ik redelijk fanatiek geworden in het geven van vaste plaatsen aan voorwerpen die ik nodig heb voor zaken van praktische aard. Wanneer ik bijvoorbeeld ’s ochtends de boterhammen smeer voor Lola en ik kan de pot confituur niet vinden omdat Liefje hem om god weet welke reden van zijn vaste plaats verwijderd heeft, dan leidt dit onmiddellijk tot grote onrust en stress. Niet omdat ik de pot confituur niet meer kan vinden, maar wel omdat ik helemaal niet wil nadenken over waar hij zou kunnen zijn. Ik beschouw nadenken over de plek waar een pot confituur mogelijk zou kunnen verblijven als tijdverlies en een oneigenlijke inbeslagname van de ruimte in mijn hoofd. En die ruimte is heilig.
Toch houdt Liefje nog steeds van mij.
Zonet wilde ik het bestandje met mijn vijf doelstellingen voor 2011 nog eens openen om te kijken hoe ik het gedaan heb dit jaar. Kon ik het toch niet meer terug vinden zeker.
Vreemd genoeg daalde een intense rust over mij neer.
Ik weet overigens nog wel wat mijn vijfde en laatste doelstelling voor 2011 was: durf het te menen.

Feest.

Toen ik met de tram voorbij Paradiso reed, zag ik de rij staan en ik besloot eerst een biertje te drinken in de Balie. Tegen de tijd dat ik me meldde bij de ingang was de rij weg en Paradiso vol. Zo vol dat ik het eerste uur overwoog om naar huis te gaan. Ik zag niemand die ik kende en de kelderbar was dicht, en ook de bar van de kleine zaal was dicht en ik had vreselijke dorst.
Ik ging in de entreehal tegen een muur staan en keek naar de feestgangers. Er waren heel veel hele mooie dames, zoals altijd op dit soort feesten en zoals altijd gedroegen ze zich alsof ze wisten dat ze hele mooie dames waren hetgeen dan weer altijd jammer is – ze hadden nog mooier kunnen zijn.
Uiteindelijk zag ik Walter en die had vanop het balkon Gustaaf gezien en hij wilde de zaal in. Ik dacht dat hij gek was geworden maar eenmaal binnen bleek het reuze mee te vallen met die drukte. We kregen een rare cocktail in een rode bowl met een lichtgevend ijsblokje erin; dat kon mij niks schelen, ik wilde drinken.
Daarna vonden we Gustaaf, en Jan, en Renske, en Jamal en konden we ouderwets overschakelen op bier en ik vergat bijna dat ik had toegezegd om rond middernacht een interview te doen op Radio 1 over het Groot Dictee. Bijna, helaas. Rond half twaalf spoedde ik mij naar buiten en nam de tram. Toen ik thuis kwam ging de telefoon. Ik zat aan tafel, ik was moe en ongeconcentreerd en ik verweet mezelf dat ik mij hierin had laten lullen, wat weet ik nu in godsnaam over het Groot Dictee der Nederlandse Taal, eigenlijk kan dat hele dictee mij gestolen worden, net als de vraag of mannen beter kunnen spellen dan vrouwen of dat eeuwige gelul dat Vlamingen beter zijn in taal dan Nederlanders. Maar zoals altijd werd de vlotte jongen in mij net op tijd wakker en ik hoorde mezelf grapjes maken waar ik vervolgens zelf om lachte. De presentatrice lachte niet. Zij stelde gewoon de vragen die de redacteur mij van tevoren had doorgegeven en aan de manier waarop ze afscheid nam, kon ik horen dat ze niet tevreden was.

Opnieuw niks door.

Ik stond op het vip balkon met collega's van vroeger en mensen die nu bij dat bedrijf werken en ook nog een heleboel mensen die je leert kennen wanneer je bij zo’n bedrijf werkt. Iedereen was flink aan het zuipen en roken en kletsen. Ik dacht aan de feestjes van vroeger, en hoe ik nooit door had dat de anderen drugs gebruikten. De volgende werkdag luisterde ik dan in stille verbazing naar de verhalen en bij het volgende feestje had ik opnieuw niks door.
Ik liep het balkon af, naar de bar in het halletje dat aan de concertzaal grensde en ik dronk snel twee, drie, vier biertjes na elkaar. Daarna liep ik naar de rookruimte, rookte mijn laatste twee sigaretten en liep terug naar het vip balkon. Ik werd door mensen omhelsd en aangesproken, mensen van vroeger, mensen van nu, iedereen leek blij om mij te zien. Sommigen vroegen wat ik deed, anderen begonnen over mijn boeken, iemand goot zijn biertje half leeg in mijn glas, en daarna iemand anders nog een keer. Ik bietste een sigaret, het was haar laatste, en ik zei dat ze hier geen sigaretten verkochten. Dat weigerde ze te geloven, en daarna vroeg ze het nog een paar keer.
Ik ging bij de borstwering staan en keek naar de mensen beneden in de zaal en naar de band die speelde, die ik ook al heel lang kende en dan draaide ik me weer om, haalde nóg een biertje, kletste wat, keek opnieuw naar de band, draaide me wéér om en scande het balkon. Een aantal keer bleef mijn blik hangen op een meisje; ze had een wit shirt aan en haar lippen rood gestift en ook zij was de hele tijd aan het roken, drinken en kletsen maar iets zei me dat ze precies hetzelfde voelde als ik. Dat merkte ik aan hoe ze keek op de momenten dat er even niemand met haar kletste – ik vermoed dat ik op die zeldzame momenten zelf ook zo keek. Daarna liep ik naar buiten, nam een taxi, reed naar het hotel, en ik dacht aan de verhalen die ik de volgende ochtend bij het ontbijt inderdaad te horen kreeg.

Shot of shame.

De journalist vroeg wanneer in mijn leven ik mij het meest had geschaamd. Ik kon niks bedenken. Dat was op zich al beschamend genoeg natuurlijk maar ik kon moeilijk antwoorden: ‘Nu’.
Ik heb mij menigmaal geschaamd in mijn leven, meestal om kleine dingen die andere mensen wellicht niet eens hebben opgemerkt. Iets wat ik wilde zeggen en dat er net anders uitkwam waarna het verkeerd begrepen werd en ik niet alert genoeg was om het te corrigeren waarna ik het misverstand maar bleef volhouden, uit beleefdheid. Bijvoorbeeld. We’ve all been there.
De grote genante dingen die ik in mijn leven heb gepresteerd – en zo zou ik er hier makkelijk een stuk of tien kunnen opnoemen ware het niet dat ik deels mijn geld verdien met het vertellen van die verhalen – hebben vreemd genoeg helemaal geen schaamtevolle herinneringen nagelaten. Die grote genante dingen zijn gewoon wie ik ben. Daar moeten de mensen maar mee leren leven – dat doe ik ten slotte ook. Maar de kleine dingen blijven in mijn hoofd rondspoken en wanneer ik eraan denk jagen ze opnieuw dat zelfde shot of shame door mijn lijf, een letterlijke, fysiek voelbare zindering die mij ineen doet krimpen, iedere keer weer met dezelfde intensiteit.
Mauro Pawlowski heeft daar ooit eens een goed liedje over geschreven. Hetgeen toevallig is. Want vanavond ga ik Mauro voor het eerst in lange tijd weer eens zien.

Nog wat meningen / Kerstactie!

Nog wat achterstallige meningen die ons de voorbije weken bereikten aangaande Gelukkig zijn we machteloos. Zoals die van een aandachtig lezend recensent op 8weekly: 'Ivo Victoria is een nieuw, zinderend pad ingeslagen.' Boekenbank heeft het over 'een knap geschreven verhaal' en geeft 4 sterren, net als het Noord-Hollands Dagblad: 'Victoria vraagt veel van zijn lezers, maar geeft aan wie in zijn gedachtegang wil meegaan een knap gecomponeerd verhaal.' 

Afijn. Voor wie Gelukkig zijn we machteloos en/of Hoe ik nimmer... onder de kerstboom wil leggen, voor zichzelf of zijn geliefden, hebben wij vanaf NU tot en met 20 december (daarna vertrekken wij op vakantie) de volgende aanlokkelijke aanbieding: géén verzendingskosten. Hoppa! En uiteraard gesigneerd, met de door u gewenste boodschap. Men klikke op de roman van zijn/haar keuze en vervolgens in het submenu op Bestel.

Was.

Wie de iPad versie van Gelukkig zijn we machteloos bezit, en het videodagboek bekeken heeft weet in welke erbarmelijke omstandigheden ik dit stukje zit te tikken. Laat ons een kat een kat noemen: het is een washok. Hoe vaak ik ook heb beargumenteerd tegenover Liefje dat het een bureau is, de werkkamer van een schrijver, waar Grote Literatuur wordt bedreven – voor de goede orde: als iémand weet wanneer ze mij wel of niet ernstig moet nemen, dan is het Liefje wel.
De realiteit is evenwel dat ik het merendeel van de tijd vertoef tussen drogende broeken, t-shirts en lingerie, terwijl ik langzaam bedwelmd raak door het aroma van wasverzachter. 
Pas wanneer de stapels dusdanig talrijk en verspreid door de kamer liggen dat het bereiken van mijn bureau de vergelijking met een stevig potje apenkooien kan doorstaan, wil mijn blinde vlek voor huishoudelijke taken nog wel eens oplossen.
Zo stond ik vanochtend een uurtje was op te vouwen alvorens aan het werk te gaan. Mijn eigen stapel op mijn bureaustoel, die van Lola op een houten stoel, die van Liefje op nog een andere houten stoel en toen stelde ik vast dat er in mijn werkkamer sinds een dikke maand een stoel te weinig staat, vanuit wasopvouwtechnisch oogpunt. Dus ik schoof mijn eigen stapel wat opzij, tegen de leuning, en ik legde het vierde stapeltje ernaast, lekker dichtbij en ik moet zeggen: dat zag er goed uit.

Dat was het.

Later die dag had een Surinaamse juf voor Sint gespeeld tijdens de buitenschoolse opvang. Ze had zich laten helpen door blanke Pieten. Zo gaat dat in een schrijversleven: je lult maar wat raak en voor je het weet duwt de realiteit een opgestoken middelvinger in je gezicht.
‘Op de BSO is er nog een nep-Sint langs geweest,’ zei Lola bij thuiskomst.
‘O ja,’ zei ik. ‘Hoe kon je dat zien dan, dat hij nep was?’
‘Hij had geen baard,’ zei Lola.
‘O.’
‘En hij was een meisje.’
‘Aha. En had hij ook Zwarte Pieten bij?’
‘Ja. Die waren ook nep.’
‘Zo.’
‘Ja. Want ze hadden geen zak van Sinterklaas. Alleen maar plastic tassen.’
‘Helder. Is er je verder nog iets opgevallen waardoor je wist dat ze nep waren?’
‘Nee,’ zei Lola. ‘Dat was het.’

Toch een beetje bang.

Hij was te voet en we konden hem al van ver zien, op de grote brug, geflankeerd door twee Pieten waarvan er eentje op de grote bakfiets van de kinderopvang reed.
‘Dat is de rolstoel Piet,’ zei Lola.
In mijn tijd had je één Piet. Zwarte Piet. Ondertussen hebben ze die mannen behoorlijk doorontwikkeld. Maar goed. Vroeger had je ook maar twee soorten chocola: melk en puur. Volgens sommige lui is dat zonder twijfel een wat ongelukkige vergelijking in deze context, maar wat mij betreft is Zwarte Piet in een discussie over racisme betrekken in feite een belediging aan het adres van elk rechtgeaard racist. Dit gezegd zijnde, de voorbije dagen hebben Lola en ik vele gesprekken gevoerd over de Sint en de Pieten waarbij talrijke theorieën zijn ontvouwd, weersproken en bevestigd. Ik heb er het volste vertrouwen in dat zij tegen elke mogelijke cognitieve dissonantie bestand is; ook als de Pieten straks bij wet verplicht een blanke huidskleur en blonde krullen hebben, betwijfel ik of dit voor Lola een reden zal zijn hen minder zwart te vinden.
De kinderen begonnen te zingen en langzaam schreed de Sint op een meter of tien langs ons heen.
‘Ik ben toch een beetje bang,’ zei Lola opgelucht.
De directrice groette de goedheiligman en leidde hem naar zijn backstageruimte. Daarna mochten ook wij de school betreden. Een paar honderd kinderen en ouders wurmden zich naar binnen en bestormden de trap. Even werd de oude eventmanager in mij wakker want op deze publieksstroom viel nogal wat aan te merken, vanuit crowd control-technisch oogpunt en ik vroeg me af hoe dit moest, in de omgekeerde richting, bij een uitslaande brand.
In de klas lagen de Pietenmutsen klaar op de stoelen en sommige klasgenootjes van Lola hadden zich geschminkt. Jezelf verkleden als Piet of Sinterklaas, dat deden wij als kind nooit. Geen idee of dat tegenwoordig ook gebruikelijk is in België. Ik hoop het niet. Jezelf verkleden als er wat te vieren valt, dat heb ik altijd iets typisch Nederlands gevonden.

Zeeman.

Het was lang geleden dat ik nog eens via de kade terug naar huis was gefietst. Er stond nauwelijks wind, maar het water was niet vlak. Kleine golven speelden in het ochtendlicht, opflikkerend en weer dovend, als gedachten.
Halverwege de kade zijn ze al een hele tijd aan het bouwen. Twee enorme flatgebouwen in de stijl van pakhuizen zoals architecten denken dat die passen in het decor van een vergeten haven. Ter hoogte van de werkzaamheden is de kade afgesloten. Ik remde, en bleef even staan voor de hekken. Iets verderop, langzaam slalommend tussen putten en bergen zand liep een man in een duffelcoat. Witte haren, handen op de rug; de echo van een zeeman. De hekken sloten de kade over de volle breedte af en ik kon niet zien hoe hij er langs was geraakt dus ik besloot maar braaf de omlegging via de binnenweg te nemen die achter die nep-pakhuizen ligt en langs Panama en de twee scholen ernaast voert. Daarna reed ik de kade weer op en net op dat moment had de zeeman de hekken aan die kant bereikt. Ook hier werd de doorgang hem over de volle breedte van de kade versperd. Ik fietste langzaam verder en bleef achterom kijken tot ik gezien had hoe hij die hindernis nam. Aan de waterzijde greep hij het hek stevig vast, en hij zwaaide zijn ene been boven het water, langs het hek, naar de andere kant, verplaatste zijn gewicht en zwaaide daarna zijn andere been en zijn lichaam langs het hek. Een fractie van een seconde hing hij met zijn volle gewicht boven het water, zijn twee handen om de spijl van dat hek geklemd. Dat moet je dus niet doen. Zo’n Heras-hek trek je zo uit zijn voet, die dingen wegen niet veel, alleszins niet veel meer dan een oude zeeman.