Overal moeders.

Moeders, moeders, elke ochtend overal moeders. Met brede passen door de gangen, met ernstige blikken die zoeken en roepen: waar is het overleg, wie heeft het belegd, waar spreken we af wanneer onze kinderen zijn afgezet? Met andere moeders, moeders onder elkaar, bij de fietsen of bij het hek? Er dreigt gevaar, er gebeuren dingen die wij niet moeten willen, onze kinderen zingen liederen die wij ons niet herinneren en moet je kijken hoe ze rennen – en de moeders schudden hun hoofden, kijken schichtig om zich heen, bij de pilaar of op de speelplaats, zorgen ruilend als voetbalplaatjes, belangrijk, belangrijk, alle moeders zijn belangrijk, grijpen elkaars arm als politici, de frons in hun wenkbrauwen lost op in gegiechel, dan laten ze los, stappen van elkaar weg, hoofddoekjes, krullen, pragmatische korte kopjes, trillend in de wind – afscheid, of nee toch niet, nog even een laatste advies, in alle ernst, dan de geruststelling, een lach als een bel en dan snel: de fiets op, op weg, de dag te lijf. Straks opnieuw overleg, om drie uur en anders wel rond vijf.

En ik loop samen met de andere vaders naar buiten, langzaam, lijzig, als door een woestijn – niemand die ons ziet.

Droom.

Vannacht had ik een prachtige droom waarover ik jullie helaas niets kan vertellen, om privacy-redenen. Maar ik werd wakker met een gevoel van geluk waarvan ik schrok en de gebruikelijke teleurstelling die het ontwaken met zich mee brengt bleef achterwege.
Onder de douche doken er allerlei momenten op, momenten van lang geleden, die ik had opgesloten in de diepste krochten van mijn geheugen. Een onverlaat had – terwijl ik nietsvermoedend prachtig lag te dromen – klaarblijkelijk de grendel van de deur geschoven. 

Zittend op een bankje in de zon bij de Kantine, luisterend, wikkend en wegend wat wel of niet te zeggen. Een etentje op het hoogste verdiep van het nu afgebroken Postgebouw CS: we spelen een spelletje, bevrijd van schaamte door de drank; iedereen moet vertellen op wie ze het zouden kunnen. Een avond in de Groene Olifant, na afloop van een feestje. Een arm op een heup, en dan schrikken van de aanraking. De naam van een meisje met blonde krullen dat voor mij staat te dansen, in Paradiso, naast iemand die ik ken.
Onbeduidende gebeurtenissen, snapshots zonder context.

En op de fiets, naar school, schilderde de zon rood-oranje strepen tussen de schemerwolken en daarna, toen ik mezelf tussen druk overleggende moeders door wurmde en de school weer uitliep, was het buiten helemaal licht geworden. De hemel was strak en blauw en de dag kon beginnen.

Ondertussen in de media (tris).

Vorige week maandag publiceerde de Leeuwarder Courant een verhaal rond Gelukkig zijn we machteloos: '...confronteert de lezer met de verkrampte en hysterische manier waarop de hedendaagse mens omgaat met tegenslag en risico...'.
Deze week dan, kwam Gelukkig zijn we machteloos binnen op nummer 56 in de Vlaamse Boeken Top 100; vrij awsome als je weet dat die top 100 voornamelijk met kookboeken en strips wordt gevuld. Stijn Meuris tipte het boek in het Standaard Boekhandel Magazine, de Vlaamse editie van Metro gaf het boek vier op vijf sterren, HUMO schrijft 'Victoria wisselt de camera om de haverklap van schouder, laat flash-back op slo-mo volgen, en analyseert elke scène met een fileermes en engelengeduld….Lezen!' (3,5/4*)' en Cosmopolitan beweert: 'Pas na het daverende slotstuk kun je zonder dichtgeknepen keel ademhalen' (4 naaldhakken).
In de uitgebreide recensie in HP De Tijd van vandaag ten slotte, wordt daar genuanceerder over gedacht: 'Ivo Victoria houdt de spanning in zijn roman onderhuids. Helaas komt de climax te vroeg.' Met dat laatste ben ik het uiteraard niet eens, maar het mag een keer gezegd: de recensie is zorgvuldig geschreven en respectvol onderbouwd. Bovendien geeft HP De Tijd geen sterren - dat siert hen.

Ja mensen, zo gaat dat, in een schrijversleven.

Vlekken.

Ik stond in de badkamer mijn tanden te poetsen terwijl Lola met haar tandenborstel door de gang danste. Op het kledingrek hing mijn suede vest – niet mijn midlife crisis motorvestje, maar een korte, wat formelere winterjas. Hij hangt daar al een paar dagen; ik wil hem naar de stomerij brengen alvorens de winter echt van start gaat.
Ik schrok. Gisteren had ik de jas nog nagekeken maar nu zag ik vlekken op de mouw en de schouder die ik toen niet had gezien. Ik maakte mijn duim nat en wreef over de vlek op de schouder. Het leek wel opgedroogde olie, die diep in het leder was gedrongen en het ruw maakte. Bizar.

In de slaapkamer werd Liefje wakker. Ook vannacht is er weer niks gebeurd. Het wachten begint lang te duren en soms hangt de geur van teleurstelling in ons huis – alsof we negen maanden lang hebben toegeleefd naar een heel bijzonder en exclusief concert en nu is ons medegedeeld dat alles tot nader order is uitgesteld; uw tickets blijven geldig; wij zullen snel een nieuwe datum aankondigen.

Ik spoelde mijn mond. Daarna scheerde ik mij en masseerde de droge plekken op mijn gelaat met gezichtscrème terwijl ik probeerde te bedenken hoe die vlekken op die jas waren gekomen. Lola kwam binnen en spuugde tandpasta in de wasbak. Ik draaide me om en bekeek de jas. Opnieuw schrok ik. De vlekken waren weg. Ik nam de mouw vast die ik net uitvoerig had bestudeerd. Overal hadden vlekken gezeten, ook aan de binnenzijde van de arm. Sommigen waren donker geweest, anderen wat lichter, het vuil had de textuur van het suede geaccentueerd. Ik wist precies hoe die vlekken eruit hadden gezien. Niks. Ook de vlek op de schouder was weg. Ik keek in de spiegel. Lola stond inmiddels bij de voordeur. Ze riep me. Ik keek nog één keer naar de jas, en liep toen de badkamer uit, de gang door, naar de voordeur, en daar deed ik een capuchon en mijn midlife crisis motorvestje aan terwijl Lola haar Marilyn Monroe-jasje ingleed. Ik zette de fiets buiten op de stoep. De straat was leeg en stil. Ik tilde Lola in haar zitje en maakte haar vast. Er kwam een vrouw aan fietsen. Ze zag ons, vertraagde, en op het moment dat ze ons passeerde, glimlachte ze naar Lola en zei zacht: 'Bijna, bijna.'

Drie zusjes.

‘Duizend broertjes of zusjes, dat is heel veel, hé papa?’
‘Ja hoor, schat. Niemand heeft duizend broertjes of zusjes. Dat kan helemaal niet.’
‘Maar drie of vier of vijf?’
‘Ja, dat kan wel.’
‘Ik wil drie zusjes.’
‘Denk je dat er drie zusjes in de buik van mama zitten?’
‘Ja.’
‘Aha. Nou, het wordt er maar eentje.’
‘Waarom?’
‘Dat heeft de dokter tegen papa en mama gezegd.’
‘Oh.’
‘Tja.’
‘Maar één is niet zoveel.’
‘Ik geloof dat mama daar stilaan heel anders over denkt.’
‘Maar mama heeft een hele dikke buik.’
‘Ja, dat bedoel ik.’
‘Daar kunnen wél drie zusjes in.’
‘In theorie wel, schat, in theorie.’
‘Neehee, in de buik van mama!’

Dag Lieveling.

‘Vind je het goed als ik vanavond nog even afspreek in de kroeg?’
‘Ja hoor,’ zei Liefje.
‘Hoezo?’ vroeg ik. ‘Gaat er vanavond wéér niks gebeuren?’
‘Nee,’ zei Liefje.
‘Hoezo? Kan je dat dan voelen?’
‘Ik denk het.’
‘...’
‘Je kan ook thuis afspreken.’
‘Aha! Heb je dat liever?’
‘Nee hoor, ik zeg het voor jou. Als jij daar rustiger van wordt.’
‘Ik ben rustig. Ik vraag het voor jou.’
‘Ja, maar voor mij hoeft het dus niet, hoor.’
‘Oké.’
‘Oké.’
‘Zeker?’
‘Ik ga boodschappen doen.’
‘Met de fiets?’
‘Ja.’
‘Er staat heel veel wind.’
‘Dag lieveling.’

De juiste woorden.

Gisteravond was ik te gast in Motel De Jong, het nieuwe televisieprogramma van Wilfried de Jong. Het betrof de opname van een pilot. Een andere gast zei tegen me: ‘Waarom doe je dit eigenlijk? Je hebt er helemaal niks aan, hé.’
Ik zei dat ik vast oefende, voor later, wanneer ik groot en beroemd zou zijn en een keer echt op televisie moest.
Op een bepaald moment zat ik aan de hoek van een tafel te praten met acteur Helmert Woudenberg. Ik betrapte mezelf erop dat ik voortdurend aan het woord was. Even daarvoor hadden we kennisgemaakt, terwijl we stonden te wachten om op te gaan – maar toen bleek een camerakraan defect en mochten we weer terug naar het restaurant – en ook toen had ik naar mijn gevoel te veel gesproken. Later, tijdens de opnames, bleek Helmert zelf ook prima het woord te kunnen voeren, hij was nauwelijks af te stoppen en ik besefte dat hij ons gesprek had gestuurd en veel beter wist hoe en wanneer je iemand moet laten spreken of doen zwijgen dan ik.
Tijdens mijn interview kwam het gesprek even op Occupy. Opnieuw wist ik niet goed onder woorden te brengen waarom ik mij zo erger aan de kritiek op die beweging. Vannacht, in bed, sprak ik de verzamelde columnisten van Nederland toe en ik zei: ‘Het is me allemaal te makkelijk, heren. Deze mensen zijn niet dom. Ze staan daar niet alleen uit oprechte woede, maar ook beseffen zij donders goed dat ze door jullie zullen worden weggezet als een stel hippies. En toch doen ze het. Bewust voor paal gaan staan: dát vergt moed. Misschien moesten jullie zelf maar ‘ns een keer iets écht menen, iets wat je kwetsbaar maakt. Kijken hoe dat voelt.’
Dat kwam aardig in de buurt. Helaas trekken mijn dromen ongeveer even veel kijkers als de pilot van een nieuwe talkshow.

Lekker tegendraads.

Nu het bashen van de Occupy-beweging helemaal mainstream is gegaan, krijg ik steeds meer sympathie voor die mensen. Geen haar op mijn hoofd dat denkt dat die beweging de wereld gaat veranderen, maar wie de wereld opzeker niet gaan veranderen zijn al die lekker tegendraadse columnisten & opiniemakers die, zodra iets te veel mensen meegaan in een bepaalde stroming, en zeker een positief ingestelde, snel snel ad rem tegen die stroming in gaan roeien want meningen waar iedereen het mee eens is of die al te vaak zijn geroepen – banken zijn klootzakken, bijvoorbeeld – daarmee kan je de rente op je aflossingsvrije hypotheek uiteraard niet betalen. Zelf vind ik het nastreven van een vreedzame samenleving gebaseerd op solidariteit en het afremmen van de allesverwoestende hebzucht helemaal niet zo’n gek idee. En ik heb geen lang haar, loop niet in bloemenshirts rond en verdien meer dan twee keer modaal. Maf, hé. Alleszins, ik vermoed dat ik zelf niet meer de realisatie van zo’n samenleving zal meemaken, maar volgens mij is er niks mis met proberen. Helaas is het in columnistenland rendabeler om je te concentreren op de manier waaróp die pogingen vorm krijgen - elke kans op schamperen levert weer een paar euri op tenslotte. Zelden hoor je zo’n bijdehandje zeggen wat er dan wél zou moeten gebeuren om de wereld een fijnere plek te maken. Nochtans valt daar volgens mij een hele leuke thema-uitzending van De Wereld Draait Door van te brouwen.

Tape.

Ik geef niks om auto’s. Wie dat wel doet, beschouw ik als een verdacht sujet. Behalve wanneer het vrienden betreft, van wie ik bij kennismaking niet wist dat auto’s er voor hen toe deden en die mij intussen zo dierbaar zijn geworden dat ik hun liefde voor pk’s, cilinders en zitvlakverwarming kan negeren. De rest: debielen die hun prioriteiten niet op orde hebben.
Zelf rij ik een blauwe Saab 9-3 van 11 jaar oud. Ik geef dus niks om auto’s maar deze heeft een bepaalde uitstraling; dat zegt iedereen. Toen ik hem pas had gekocht, oordeelde één van mijn beste vrienden, een man die veel om auto’s geeft: perfecte wagen voor een schrijver.
Er staat 277.000 kilometer op de teller en wanneer je hem de straat hoort inrijden zal je zweren dat er een straaljager voor je deur landt. Top features zijn het nep houten dashboard en het defecte LED-display. Een man als ik heeft slechts enkele werkende digits nodig om te weten dat het buiten 15 graden is. 
Wanneer je de radio aanzet, schuift de antenne uit. Wie voor het eerst met mij meerijdt, schrikt van dat geluid. Het is een schokkend, zuigend gezoem. Het mooie is: de antenne schuift niet daadwerkelijk uit. Toch niet meer sinds Liefje hem vergat in te schuiven alvorens hem door de carswash te loodsen. Maar het geluid maakt hij nog steeds. Hij is ook nog steeds niet helemaal íngeschoven maar op een kwart van zijn potentiële lengte blijven steken. Tevens is het topje afgebroken. Die geamputeerde antenne is daardoor messcherp. Ik heb er al één trui en één favoriet t-shirt aan gescheurd. Iedere keer wanneer ik in onze garage door de smalle ruimte schuifel tussen de auto en de fietsen, lopen de koude rillingen me over de rug bij de gedachte aan wat één onoplettende beweging met mijn lederen vestje zou kunnen doen. Trouwe lezers kennen mijn gevoelens omtrent mijn lederen vestje.
Vandaag heb ik een stukje tape om dat topje gewikkeld. Een wit stukje tape. Van die afplak-tape die je gebruikt wanneer je gaat verven in huis. Echt een heel klein stukje tape. Je ziet er bijna niks van.

Ondertussen, in de media (bis).

Vandaag is Gelukkig zijn we machteloos 'Boek van de week' in het magazine van de Vlaamse krant Gazet van Antwerpen. De recensent van dienst geeft het boek vijf op vijf sterren. Afgelopen woensdag velde Focus Knack een vernietigend oordeel over Gelukkig zijn we machteloos: 0 sterren. De Nederlandse krant De Pers daarentegen, was het dinsdag eens met de vijf sterren van de Standaard ('Terecht,... fascineert tot de laatste pagina,') en publiceerde een paginagroot interview terwijl de Standaard zelf het boek vandaag op 3 in zijn tip 5 zette. Kortom. Ik ruik een trend. Met als spelbreker Het Dagblad van het Noorden dat afgelopen maandag gematigd positief was. En kijk, zo rest u niets anders dan gewoon zélf een mening te vormen. Lees hier hoe dat kan.
Uitsmijter: naar aanleiding van de uitschakeling van België voor het EK voetbal werd ik gebeld door het NOS Radio 1 Journaal. Hier terug te luisteren. Een schrijver bellen voor zijn visie op voetbal: ik ben slechts enkele stappen verwijderd van het duiden van de Eurocrisis in De Wereld Draait Door.

Silhouet.

Het was een perfecte herfstochtend. Fris, niet kil. Het water was stil, als ijs, spiegelend in de laagstaande zon en ik besloot de grote brug te nemen en langs de kade naar huis te fietsen – elke tegenligger een silhouet.
Twee jongens liepen me tegemoet, ze lachten, eentje had een korte vest aan en riep iets in een taal die ik niet begreep, ik denk Hongaars. Ik fietste langs hen heen, deed alsof ik ze niet zag.
Ik probeerde mij te herinneren wat ik pakweg drie weken geleden had gedaan. Dat leek een hele tijd geleden en plots verlangde ik hevig terug naar de maanden dáárvoor, de stilte, de regelmaat. Daarna dacht ik aan de weken die voor mij liggen, afspraken die zijn gemaakt voor half november, begin december, januari – dan zal die kleine al bijna drie maanden zijn; wanneer lachen ze voor het eerst? En dáárna dacht ik aan hoe zij nu wellicht net was opgestaan, en moeizaam de trap beklom. Meestal heeft ze net gedoucht wanneer ik thuis kom, zodat ik koffie voor haar kan zetten waarna ik weer naar boven vertrek, naar de regelmaat, en de stilte die de komende weken en maanden niet terug zullen keren - maar ik was vroeg vandaag.
Ik naderde het winkelcentrum en het werd drukker op de kade. Vaders, moeders, mensen met honden. En ik lachte in mezelf, en vertraagde, ging zo langzaam mogelijk fietsen, sloom, slingerend, over de volle breedte van de kade, tussen de silhouetten door.

Belg.

Tien minuten voor het einde van de wedstrijd, ontving ik een email van het NOS Radio 1 Journaal. Dat ik toch zo leuk aan het twitteren was over de Rode Duivels en of ze me de volgende ochtend mochten bellen om in het radiojournaal het verdriet van België te duiden, met Dexia en al, en die formatie enzo.
Ik bedacht dat dit een mooie gelegenheid was om mijn Belgische identiteit in de verf te zetten naar het Nederlandse volk toe middels enige grappen (‘Ik zal tijdens het EK niet juichen bij een tegendoelpunt voor Oranje. Meer kan er van mij niet worden verwacht.’) maar vooral middels een glasheldere rant ten koste van Bart de Wever en andere idioten die munt trachten te slaan uit de aanslepende formatie door langs te zijlijn te staan roepen zonder ook maar één moment enige redelijkheid, zelfkritiek of moed te tonen – eigenlijk een beetje zoals Geert Wilders in Nederland, die de allochtoon en/of 'links' de schuld van alles geeft, zoals Bart De Wever de Walen de schuld van alles geeft. En dat het wij vs zij-discours zo gemakkelijk is, zo weinig moed of verbeelding vergt, dat ik – als Belg, niet als Vlaming, ik geef niks om mijn status van Vlaming, het irriteert me zelfs lichtelijk dat ik telkens weer als ‘Vlaamse schrijver’ wordt omschreven en zelden als Belgische – dat ik zit te wachten, net zoals veel Nederlanders, op een politicus die ideeën heeft en durft te verdedigen die ik zélf niet kan verzinnen, iemand met visie kortom, iemand die mij probeert te overtuigen van zijn plan in plaats van mij of zijn electoraat of zijn gedoogpartner naar de mond te praten, of wie van mening verschilt te schofferen, en dat ik blij ben dat die Belgische regering er bijna is, dat ze hopelijk een tijdje zal blijven zitten zodat de emoties kunnen bedaren en we bij de volgende verkiezing ook daadwerkelijk iets te kiezen hebben op basis van ideeën en beleid in plaats van emoties en dat wij in deze context een overwinning van de Rode Duivels verdomde goed hadden kunnen gebruiken.
Maar dat kwam er uiteindelijk tijdens het gesprek zelf toch niet helemaal uit. Gek hoe dat werkt.

Perfecte avonden.

Schrijven gaat het best wanneer er iets niet in de haak is. Met een personage, met mij, of de situatie waarin één van ons beiden verkeert. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ik op deze plek nog niets schreef over afgelopen donderdag, toen Gelukkig zijn we machteloos werd gepresenteerd in het Badhuistheater in Amsterdam, en ik nog met geen woord repte over de mooie bijdragen van Maartje Wortel, Maarten Inghels en Rob Waumans, noch over Jasper Henderson die één en ander in goeie banen leidde, of de lieve woorden van Wanda Gloude, mijn redactrice, net zo min als over het wonderlijke slotnummer met Marike Jager, laat staan de excellente muziek die The Sore Bottom Boys Sound System de hele donderdagavond door de speakers joeg, en alle lieve mensen die erbij waren, en al helemaal niet over het onverklaarbare moment van helderheid rond middernacht, nadat de deur van het theater was dichtgevallen, en waarop ik besliste om niét samen met Jan van Mersbergen en Jamal Ouariachi naar de Ruk en Pluk op de Middenweg te gaan maar alleen, op de fiets, terwijl het zachtjes regende, en de herinneringen de tijd kregen om zich in mijn brein te nestelen, naar huis reed – dat is dus wat je moet doen aan het eind van een perfecte avond: naar huis gaan.
En twee dagen later, nadat Jasper, Maartje, Maarten en Rob opnieuw gedaan hadden wat ze donderdag deden, en ik op het podium ons optreden afsloot, dit keer met Tjeerd Bomhof, en we samen de laatste regels van The Day of My Escape zongen – I live in a home, where no one would stay – en ik opnieuw dezelfde intensiteit voelde en de aandacht van de mensen in de zaal zag, en ook later nog, toen die mensen in de foyer naar me toe kwamen en lieve dingen zeiden, op al die momenten dacht ik: dus hier kan ik ook weer niks over schrijven.

Ondertussen, in de media.

Vanochtend was ik te gast bij Ongehoord Goed, de KX Radio podcast van Guuzbourg. Ik mocht niet-Nederlandstalige plaatjes kiezen en we spraken over Gelukkig zijn we machteloos en allerlei andere zaken. Hier terug te beluisteren. We beginnen met Ann Christy, door Guuz terecht de 'Vlaamse Dusty Springfield' genoemd.
Afgelopen nacht zat ik bij Adeline van Lier's Nacht van het Goede Leven op de Nederlandse Radio 1. Maar niet echt, want het was gelukkig vooraf opgenomen. Luister HIER naar het interview plus, vanaf minuut 11.45 een lang fragment van het luisterboek van Gelukkig zijn we machteloos - dat in zijn geheel op de iPad versie van de roman staat.

De Standaard.

Vandaag staat er een recensie van Gelukkig zijn we machteloos in De Standaard, tesamen met een interview dat  werd afgenomen door mijn sympathieke collega Joost Vandecasteele. De recensent geeft het boek 5 sterren. Dat zijn er twee meer dan Ajax, om u een idee te geven.

Niks te klagen.

Het zijn onrustige dagen. Ik slaap slecht – net als Liefje die zegt dat de natuur ons vast laat wennen aan de korte, onderbroken nachten die ons de komende maanden wachten. Ik heb wat schrijfopdrachten, maar daar kom ik niet aan toe. Ik wil dat er dingen gebeuren maar dié dingen gebeuren dan net niet en dan loop ik rond, zet snel een kinderbedje in elkaar, loop terug naar mijn computer en probeer na te denken over een concept voor het een of het ander maar dat lukt niet, en dan loop ik naar beneden en verplaats een kast en dan signeer ik de eerste exemplaren die via de website werden besteld, en ook de exemplaren die ik vanavond zal geven aan de lieve mensen die bereid waren een bijdrage te leveren aan de presentatie van het boek, en dan loop ik door de adressenlijst voor de geboortekaartjes.
Gisteravond waren we bij de informatieavond over bevallen. Vanavond houden we een boek ten doop. Dat is momenteel mijn leven – en ik heb niks te klagen.

Losers met een dubbele agenda.

‘Ik ben diep teleurgesteld door uw nieuwe boek,’ zei de journaliste na afloop van het interview.
‘Dat kan,’ zei ik.
‘Ik moet je zeggen dat ook onze recensent niet positief zal zijn.’
‘Ja,’ zei ik.
Daarna probeerde ze uit te leggen waarom ze het niet goed vond en ik kon zien dat haar ontgoocheling oprecht was. Even voelde ik de neiging haar te troosten.
Ik dacht aan een gesprek over recensenten dat ik een jaar of twee geleden had met twee auteurs, op een feestje. Azijnpissers waren het, losers met een dubbele agenda, kortom: zij voelden zich genaaid.
Ik had toen betoogd dat ik het niet met hen eens was. Dat het waardeoordeel van een recensent van geen belang was voor je schrijversschap en dat ik een aantal recensenten best kon waarderen om hun heldere visie, gevoel voor humor en scherpe pen. Als zulke recensenten het op kunnen brengen om geen strategische overwegingen mee te laten spelen en consequent hun visie op literatuur blijven onderbouwen met elke recensie die ze schrijven, dan worden zij na verloop van tijd een referentiepunt voor de lezer – dat is veel interessanter dan hun waardeoordeel. Een slechte recensie kan dan een aanbeveling zijn om een boek te kopen – hetgeen volgens sommige boekhandelaren overigens vaak het geval is.
‘Ja,’ zei één van die twee auteurs. ‘Jij hebt makkelijk praten, jij hebt nog nooit een slechte recensie gehad.’
Maar nu het vast staat dat dit niet zal blijven duren – voor zover ik ooit dié illusie heb gehad – stel ik vast dat ik er nog steeds hetzelfde over denk. Met de toevoeging dat er te weinig recensenten zijn die aan bovenstaande omschrijving voldoen, dat is waar.
In dit geval ken ik de recensent niet goed genoeg om hem zelf als een referentiepunt te kunnen beschouwen maar ik hoop wel dat hij het is, voor andere mensen. Ik ben benieuwd naar zijn visie, zijn pen en laat ons tevens hopen op een scheutje humor.

Boek bestellen?

Hebbes. Gelukkig zijn we machteloos - het gedrukte boek - is nu uit. Blijdschap alom. Verkrijgbaar bij boekhandel en webshop. Maar als u prijs stelt op een gesigneerd exemplaar (met eventueel opdracht naar keuze) dan kan u het boek nu al via deze website bestellen.  Klik HIER en dan op de knop Bestel om te lezen hoe dat in zijn werk gaat.