Masker.

De hele avond zapte ik van gesprek naar gesprek, wijn drinkend, water weigerend, joviaal kletsend met heel veel mensen en heel veel mensen die ik niet ken. Om half tien zei ik tegen iemand: ‘Nog één biertje en dan ga ik naar huis.’
Uren later zeilde ik van de brug over de gracht bij Artis en dacht gezwind de daaropvolgende bocht te kunnen nemen, toen ik vol in de remmen moest omdat een fietser voor mij onverwachts linksaf ging. Hij hoorde mijn banden die over het asfalt schuurden, keek opzij en riep op kwade toon iets in het Engels. Ik fietste door terwijl ik met mijn hand zwaaide en mezelf hoorde zeggen: ‘Eeeh. Eeeh. Djust give me a deken dan, eeeh!’
Even later zat ik op de bank met een fles water en ik keek de samenvattingen van de Europaleague. Ik zag alle spelers dubbel en hoe ik mij ook concentreerde, ik slaagde er niet in het beeld te corrigeren. Ik zette mijn bril op en af en weer op. Daarna ging ik naar bed.
Ik overdacht met wie ik op het feest had gesproken. Veel mensen. Heel veel mensen en heel veel mensen die ik niet ken. Ja. Het leggen van contact was opvallend soepel verlopen. Op een bepaald moment, aan het eind van de avond, was er een niet onaantrekkelijk meisje naast mij komen staan. Ik had haar nooit eerder gezien. Toch zette ze haar elleboog op mijn schouder en leunde zo tegen me aan terwijl ze met iemand anders begon te praten. Ook ik praatte verder, alsof ik niks merkte; het ging over de mogelijkheid dat er een andere dimensie bestaat dan tijd of ruimte. Zo’n feestje.
In Gelukkig zijn we machteloos zegt de hoofdpersoon op een bepaald moment: ‘Geef een man een masker en hij zal je de waarheid vertellen. Vaak is dat masker drank.’
Ik draaide op mijn zij en besloot dat dit de feesten zijn waar ik wat beter op mezelf moet gaan letten: feesten waar ik ga praten met heel veel mensen die ik niet ken. Daarna sliep ik in en vergat alles.

Zelfs in België niet.

Toen ik aankwam bij het strand, zaten de anderen er al een tijdje, met blote voeten in het zand en lege bierflesjes in de hand.
Mijn buurman was in gesprek geraakt met een leraar aan het VMBO. Het ging over het ‘Doe ‘ns normaal’-incident. De leraar vond het prima kunnen, mijn buurman vond van niet.
‘Wat vind jij, Ivo?’
‘Ach,’ zei de leraar. ‘Hij is Belg. Hij kijkt nergens nog van op.’
‘Zelfs in België kan dit niet,’ zei ik met uitgestreken gezicht.
Daar werd iedereen even stil van.

Daarna vertelde de leraar hoe het onderwijsbeleid van de voorbije jaren ervoor gezorgd had dat hij 4 verschillende niveaus van studenten in één klas had en hoe frustrerend dat was voor leraar én leerlingen, en dat je dus niet gek moest opkijken als die zich raar gingen gedragen. Kortom: zij hadden Wilders of Rutte helemaal niet nodig als role model wanneer het ging om onfatsoenlijk gedrag.
‘Sommige van mijn collega’s delen stapels rode briefjes uit op een dag, voor het minste vergrijp. Ik hooguit een paar per jaar.’
Hij trachtte zoveel mogelijk op te lossen met humor. Wanneer een leerling tegen hem zei dat hij hem haatte, antwoordde hij: ‘Dat mag. Jij mag mij haten, zolang je je huiswerk maakt.’
‘Maar wat zou je dan doen?’ vroeg de buurman. ‘Wanneer je zo’n leerling op de vingers tikt en hij zegt tegen jou: “Doe ‘ns normaal, man!”’.
‘Nou,’ zei de leraar. ‘Ik zou beginnen met te antwoorden: “Dat kan je ook op een andere manier zeggen”.’

Windstil.

Boven het fietspad dat de eilanden over de volle lengte in tweeën snijdt, hangt de ochtendzon. Laag, zorgvuldig bomen en huizen ontwijkend, om mij te vinden. Met dichtgeknepen ogen kruis ik de moeders die ik op de heenweg nog strak in de ogen kon kijken – hun blik leeg, als een kinderzitje.
In onze buurt waait het in principe altijd, maar de laatste dagen is het windstil. Alsof er iets te gebeuren staat. Het water is vlak en roerloos, als olie – in haar schaarse rimpelingen weerspiegelen de gebouwen op de kade aan de overkant, en de mensen die daar lopen.
Wanneer ik over de brug fiets, schrik ik. Ik ben iets belangrijks vergeten. Er trekt een stroomstoot door mijn lijf; het besef dat het nu te laat is. Het is een archetypisch moment. De moedeloosheid hoopt zich op in mijn hoofd en maakt zich klaar om over mijn schouders, langs armen en benen tot in mijn schoenen te zinken.
Maar ik ben niks vergeten. Het is gewoon zo’n ochtend; september, laagstaande zon. Je zeilt dromend van een brug, de wrijving met de koele lucht is niks meer dan de illusie van wind.

Eerste recensie / iPad in de Standaard

De eerste recensie van Gelukkig zijn we machteloos is verschenen, en ze staat HIER. De Standaard sprak mij over de gratis iPad app-actie. Dat interview kan je HIER teruglezen.

De nieuwe roman als app: nu gratis tot 6 oktober!

Vanaf vandaag tot 6 oktober 2011 - de dag waarop Gelukkig zijn we machteloos verschijnt als boek en e-book - kan u de nieuwe roman gratis downloaden als app voor de iPad. Inclusief de complete roman, de roman als luisterboek, de nooit eerder verschenen novelle K, een videodagboek en dertien videocolumns. Hoppa!

Vanaf 6 oktober wordt ook de app betalend, maar kopers van het boek en het e-book kunnen achterin lezen hoe zij ook na 6 oktober alsnog deze app gratis kunnen downloaden. Veel plezier ermee.

Haat, nijd en achterklap.

We zaten op het terras van Wildschut, na de boekpresentatie van Maartje, en ik keek de kring rond. Ik moest denken aan de Vlaamse journalist die mij afgelopen dinsdag vroeg of het belangrijk was om als schrijver in Amsterdam te wonen. Ik had gezegd dat ik de voorbije twee jaar beschouwde als ‘rijke jaren’, dat ik sinds mijn debuut veel nieuwe en fijne mensen had leren kennen, en dat de gesprekken over literatuur en schrijven en voetbal die ik met hen voerde mij blij maakten en inspireerden. Dus ja, het is fijn om te leven waar veel andere schrijvers zijn.
Ook vanavond waren de gesprekken weer op natuurlijk wijze in elkaar over gevloeid en had ik wederom nieuwe mensen leren kennen, onder meer iemand die mij mededeelde dat ik dezelfde bril als Ronald Giphart heb. In ruil voor deze licht deprimerende informatie, had ik haar op mijn beurt geprobeerd uit te leggen waarom Belgische vrouwen sensueler zijn dan Nederlandse en hoe Franse dames dan weer de overtreffende trap waren van Belgische. Het heeft te maken met de blik in hun ogen.
Een bevriende schrijver, die bekend staat om zijn glasheldere visie op vestimentair vlak, had ons gesprek gade geslagen en met tevredenheid vastgesteld hoe de kring van collega’s waarin wij ons bevonden steeds groter werd, en hoe harmonieus dat verliep, hoe prettig het was vast te stellen dat iedereen het goed met elkaar kon vinden, zonder per se fan te moeten zijn van elkaars werk, hoe iedereen elkaar het succes gunde, of meeleefde met kritiek, zonder de haat, nijd of achterklap die oudere generaties auteurs lijkt te kenmerken.
En ik had hem geantwoord dat ik eerder die dag nog via de DM-functie van Twitter volop haat, nijd en achterklap had uitgewisseld over een schrijver die op dit feest aanwezig was, maar dat hij verder volkomen gelijk had.

Waarom.

Ik voel hoe het boek zich langzaam terug trekt uit mijn hoofd, als een aarzelende zee. En hoe daar in de verte alweer nieuwe stromen worden gevormd, die in de komende maanden mijn gedachten zullen overspoelen en meesleuren. Maar voor nu is er ruimte en rust. Vakantie voor mijn hoofd. Eindelijk.
Daar staat tegenover dat ik tijdens die vakantie vaak over dat boek moet praten. Dat is een goeie zaak, uiteraard, en ik doe het met liefde en plezier. Het valt evenwel niet altijd mee om de vragen te beantwoorden. Dan vraagt de journalist bijvoorbeeld waaróm ik iets zus of zo heb gedaan in het boek en vaak denk ik dan: goh, goeie vraag maar ik heb werkelijk geen idee. Nu zullen veel collega-auteurs betogen dat dit onzin is en dat een schrijver verondersteld is alles te weten over zijn personages en de gebeurtenissen waaraan zij ten prooi vallen, sterker nog: daarover ben ik het in principe met hen eens en het is ook wat ik zelf altijd betoog wanneer ik bijvoorbeeld een workshop geef.
Maar hoe meer ik over Gelukkig zijn we machteloos praat, hoe beter ik besef dat het boek op bepaalde momenten met mij aan de haal is gegaan en dat er dingen in gebeuren, en personages beslissingen nemen, die ook ik niet kan verklaren. En het laatste wat ik zelf wil, is weten waarom dát zo is.

Fragment Gelukkig zijn we machteloos

De eerste twee hoofdstukken van Gelukkig zijn we machteloos zijn nu online te lezen en wel hier (onder de knop Lees). Als u doorklikt naar hier, ziet u onder het document ook, onder meer, de mogelijkheid om de hoofdstukken uit te printen of te downloaden.

Mijn beroep.

Bij het begin van de Meir was een klein plantsoen aangelegd, vol met verdorde zonnebloemen. Alsof ze mij stonden op te wachten.
Onder het afdak van de Innovasion zong een jonge kerel liedjes. Hij had een redelijk mooie stem en speelde er slordig gitaar bij. Twintig jaar geleden stond ik ook regelmatig onder dat afdak te zingen. Uitstekende akoestiek. Ik werd er ooit onderbroken door een oud maar sjiek vrouwtje die naar me toe schuifelde en gebaarde dat ik moest stoppen waarop ze me een opgevouwen briefje van 5000 frank in de hand drukte. Ik ben gestopt. Nu heeft de Innovasion een nieuwe naam: Galeria Inno.
Even verderop liep ik een jongen en meisje voorbij met clipboards in de hand en op het moment dat ik dat deed, begonnen ze te overleggen in nerveus Frans. Ik hoorde een stem achter me, die mij riep. Het meisje haalde me in en legde uit dat ze Nederlands studeerde in Antwerpen. Of ze me enkele vragen mocht stellen.
‘Waarover?’ vroeg ik.
‘Over uw beroep,’ zei het meisje.
Ik dacht even na en zei: 'Nee.' Daarna keerde ik om en wandelde via de Jezusstraat naar brasserie Gustav op de Rooseveltplaats. Ik ging zitten en de rest van de dag liepen de gesprekpartners af en aan en ik sprak uitsluitend over mijn beroep.
Na afloop kreeg ik een doosje Antwerpse Handjes kado van de promotiemedewerkster van de uitgeverij. Dat was lief, en ook nogal bizar, want Antwerpse Handjes, die geef ik ook altijd kado aan buitenlanders.

Sándor Márai.

‘Ik dacht dat je naar Schiphol moest,’ zei de taxichauffeur. Mijn lichaamshouding – wachtend bij de halte van een pendelbus waarvan niet zeker was of hij zou komen – had hem tot een spontane actie verleid die nu in financieel opzicht mager dreigde uit te pakken.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik moet naar het Centraal Station maar de tram rijdt niet. Het is Dam tot Damloop.’
‘Ah, u gaat rennen!’
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik moet naar Eindhoven.’ Toen viel de stilte, eindelijk. Aangekomen bij het station zwaaide de taxichauffeur met zijn arm terwijl hij een blik wierp in de portefeuille die ik halfgeopend klaar hield.
‘Tien euro?’
Ik gaf hem tien euro. Net zoveel als ik kwijt was geweest indien ik op de tram was vergeten uit te chippen, hetgeen, gezien de omstandigheden en het belang van die ochtend, niet onwaarschijnlijk was geweest.

In de trein las ik een boek. De conducteur kwam langs; een jonge, mollige kerel met een piercing tussen de onderlip en de kin.
‘Ha,’ zei hij, terwijl hij een blik op het omslag wierp. ‘Knut Hamsun. Honger. Dat ken ik nog niet. Ik las onlangs Mysteriën. Heel mooi.’
Ik keek hem aan. Hij praatte enthousiast door over Knut Hamsun. Het bolletje tussen zijn onderlip en kin wipte vrolijk mee.

‘Weet je wat je moet lezen als je van Hamsun houdt?’ vroeg hij. Dit gebeurde echt. Ik kreeg een leestip van een conducteur terwijl ik zelf op weg was om anderhalf uur lang te staan schreeuwen en tieren als een beest. ‘Sándor Márai. Hongaarse schrijver. Prachtig.’
Daarna liep hij verder. Ik schreef de naam in mijn notitieboekje. Begrijp me niet verkeerd. Iedereen mag lezen. Ik was simpelweg slecht op deze conversatie voorbereid. De rest van de reis staarde ik voor me uit. Dat moet eruit hebben gezien alsof iemand net vol met de knie op mijn hoofd had ingebeukt – al besefte ik dat natuurlijk pas veel later die middag.

De meeste mensen ken ik wel.

Op de hoek van de straat stond een jonge vrouw met in de ene hand haar fiets en in de andere een leiband waaraan een kleine hond was vastgemaakt. Die had klaarblijkelijk rondjes gelopen om de lantaarnpaal waar ze naast stond en nu probeerde ze die hond weer los te krijgen door met de fiets in de tegengestelde richting rondjes rond die paal te lopen. De hond wilde haar volgen dus dat schoot niet op. Het was een mooie vrouw, met zwart geverfde haren – ik had haar nooit eerder in onze buurt gezien.

Net zomin als de man die ik even later door onze straat zag joggen, terwijl het toch erg warm was. Half lange haren die met gel naar achteren waren gekamd, maar die nu, omdat hij rende, aan weerszijden van zijn gelaat naar beneden vielen en daarna weer opwipten, als de vleugels van een nerveus vogeltje. Een strakke, witte streep verdeelde zijn schedel in twee gelijke helften. Brede borstkas, gebruinde huid. Hij deed me denken aan een filmster uit de jaren zeventig. Ik kon maar niet op de naam komen. Dat kan natuurlijk gebeuren maar op zo'n hete middag, in mijn eigen straat, vlak voor mijn eigen deur, met alles wat er die ochtend gebeurd was en dan staan tobben op de naam van iemand die lijkt op een man die je niet kent - nee, dat maak ik niet zo vaak mee.

Mager en kaal.

Af en toe – met name wanneer ik boodschappen moet doen – denk ik nog wel eens terug aan een reactie op een weblog, ik geloof dat van Merel Roze, jaren geleden. Een man die zich ontzettend ergerde aan mensen die in de C1000 of de Dirk gingen winkelen met een tas van de Albert Heijn. Het waren aanstellers, arrogante eikels die zich beter wilden voordoen dan de andere mensen in de Dirk, of die op straat, of aan de buren, niet wilden laten merken dat ze bij goedkope supermarkten winkelden. Ze gingen snel een kleinigheid kopen bij de Albert Heijn en namen daar dan een grote tas bij en vervolgens gingen ze al hun boodschappen iets verderop bij de Dirk doen. Heel even had ik me afgevraagd of er inderdaad echt mensen bestaan die nadenken over wat voor soort boodschappentas ze meenemen wanneer ze richting C1000 trekken. Het kan, dus wellicht bestaan ze. Maar deze man wond er zich enorm over op, het was een hele lange reactie en ik stond ervan versteld dat iemand zich in alle ernst kon opwinden over een boodschappentas. Hoe ziet zo’n man eruit? Ik denk mager en kaal, maar wellicht is dat wat al te voor de hand liggend.

Trein.

Ik zat in de trein naar Brussel en zoals altijd wanneer ik in de trein naar Brussel zit, kwamen er twee aantrekkelijke Amerikaanse toeristes mijn coupé binnen met grote reistassen die ze nauwelijks konden tillen en hun tickets in de hand en ze keken rond met die typische blik van mensen die jarenlang zorgeloos en zelfzeker de weg des levens hadden bewandeld maar nu moesten vaststellen dat ze zich op de rand van de totale paniek bevonden.
Ik zat in een eerste klasse coupé – dat doe ik altijd wanneer ik naar België reis omdat ze daar stroom hebben voor mijn laptop. Ook was het de eerste wagon van de trein. De toeristes liepen helemaal naar voor en wilden nog verder door. Toen bleek dat dit niet kon, draaiden ze zich om. Ze vroegen aan een man of ze juist zaten, of dit inderdaad de eerste wagon van de trein was want zo stond het op hun ticket: ze moesten in de eerste wagon gaan zitten.
Het was een geduldige man. Hij glimlachte en zei: ‘Yes, that’s right, this is first class.’

De Avonden.

Het interview met de Avonden (VPRO op Radio 6) over Gelukkig zijn we machteloos is HIER terug te luisteren vanaf minuut 32 ongeveer. Inclusief stukje voordracht.

Een zorgeloze vlucht.

De plek waar de torens hadden gestaan was hermetisch afgehekt. Overal hingen en lagen bloemen, kindertekeningen, foto’s, wanhopige boodschappen. Ik herinner me een fiets van een koerier die aan een lantaarpaal was vastgeketend. Hij zat onder een laag as, wellicht in het frame en zadel geschroeid door de hitte. Op het bagagerek lag een roos.
Enkele dagen ervoor, bij het vertrek op het vliegveld, had mijn reisgezel bij wijze van begroeting gezegd: ‘Laat het ons maar meteen toegeven: we zijn allebei bang.’ Het was een enorm toestel, met twee verdiepingen en tal van tussenmuren. We hadden ons afgevraagd hoe je dat onder controle hield, kaper zijnde.
We besloten helemaal om Ground Zero heen te lopen. We zagen steeds minder mensen, steeds minder toeristen, steeds minder posters en bloemen. Aan de noordzijde van de crashsite liepen we vrijwel alleen op straat. Iets verderop zagen we een grote poort in de hekken. Vrachtwagens reden af en aan. We gingen bij de poort staan wachten tot ze weer open zwaaide. Gedurende enkele seconden hadden we vrij zicht en konden we het zien. Een gecrasht ruimteschip. Het was november 2001. Ze hadden nog maar twee maanden puin geruimd.
In stilte liepen we terug naar het hotel. ’s Avonds vlogen we naar huis. Een zorgeloze vlucht.

Val.

De laatste tijd hoor ik steeds vaker verhalen over mensen die (bijna) stierven na een val van de trap. Dus toen ik gisteravond mijn voet van de trede voelde glijden en mijn pantoffel van mijn wreef, en mijn bekken kantelend, zakkend, mijn rug naar de muur achter me dreef, hield ik mijn blik gericht op de muur vóór me, beneden, en dacht aan hoe ik daar het beste tegen kon knallen. Mijn hoofd. Te allen tijde contact met mijn hoofd vermijden. En terwijl ik dit dacht, schoot mijn linkerhand uit, in de richting van de trapleuning, en stond ik weer. Ik keek naar beneden. Soms sta ik zo te kijken wanneer Lola de trap afdaalt – als eerste, omdat ze wil winnen – en ook dan kan ik haar niet vermijden: de gedachte aan hoe een meisjeslichaam zou tuimelen. Lola lacht en kijkt achterom, roept dat ze gaat winnen, één been zwevend in de lucht, haar handje losjes op de leuning.
‘Kijk voor je’, zeg ik.
‘Kijk voor je!’ schreeuw ik.
Daarna ga ik slapen. Een lange, droomloze nacht.