Get on with it.

Ijzersterke column van Bert Wagendorp vandaag in de Volkskrant, over de Mars der Beschaving van aanstaande zondagnacht tegen de kunstbezuinigingen. In het kort: fuck Zijlstra, stop whining en get on with it. En: 'als iedere bezoeker aan Oerol 100 euro zou neertellen voor 10 dagen festival (65 euro minder dan 3 dagen Lowlands), dan kon het budget met een miljoen omhóóg in plaats van dat er vier ton wegviel.'

Het gaat om 200 miljoen oftewel 12 euro per Nederlander. Je moet er ook wat voor over hebben en de kunstsector zelf moet het waard willen zijn.

Zelf erger ik mij niet zozeer aan die 200 miljoen, hoe onevenredig dat bedrag procentueel gezien ook is in vergelijking met andere sectoren. Ik erger mij aan het gebrek aan creativiteit en visie. Als Zijlstra toch zo voor marktwerking is, waarom dan niet een voorfinancieringssysteem voor startende kunstenaars waarbij zij in geval van al dan niet onverhoopt succes achteraf de lening (deels) moeten terugbetalen? En ga eens kijken welke neveninkomsten gesubsidieerde werken genereren. Ben je gelijk klaar met het risicoloos opportunisme dat talrijke fondsen lijkt te leiden bij het toebedelen van subsidies. Zei de gesubsidieerde auteur.

Het grote probleem van de kunstwereld - ten minste als ik af ga op mijn eigen omgeving - is niet het geld, maar de trots. Tweehonderd miljoen is erg, maar de vernedering lijkt erger. Halbe is een klootzak die niet gelijk mag krijgen. En dat is een probleem, want wat we ook doen: Halbe heeft altijd gelijk.

Als de kunstwereld zich redt met tweehonderd miljoen minder, door private financiering te zoeken of strenger te zijn voor zichzelf, kan Halbe zeggen: 'Zie je wel, ik had gelijk.' Als (een deel van) de kunstwereld ten onder gaat en jammerend de handdoek in de ring gooit, kan Halbe zeggen: 'Zie je wel, ze kunnen het niet, het heeft geen bestaansrecht, ik had gelijk.'

Het is een catch 22 van de zuiverste soort en de frustratie die daaruit voort komt dreigt de kunstwereld blind te maken voor haar eigen kracht: creativiteit. We moeten af van onze obsessie met Halbe Zijlstra (en zeker ook van flauwe woordspelingen met zijn achternaam). We moeten hem negeren en onze eigen weg gaan. Heeft niet zo heel veel met beschaving te maken. Get on with it.

Als ik was gebleven.

Eerder die dag waren we nog in Antwerpen. We liepen rondjes op de Dageraadplaats. Het was rommelmarkt. Ook daar gebeurden er rare dingen in mijn hoofd. Ik zag allemaal mensen wier gezicht ik kende – maar niet de rest van hun lichaam. Niet hun waterknieën. Niet de groeven in hun gelaat. Niet het geluk dribbelend aan hun handen, of spelend in hun bolle buiken.
Tien, vijftien jaar geleden woonden die mensen en ik aan de andere kant van de stad. Mannen met wie ik bier heb gedronken, vrouwen die ik probeerde te versieren.
Ik sprak niemand, behalve een oud-klasgenoot, die al na enkele minuten tot drie maal toe ‘Allez, goe’ zei. Als je in Antwerpen bent, en iemand zegt tot drie maal toe ‘Allez, goe’, dan weet je dat het gesprek is afgelopen. Het drong nauwelijks tot me door. Pas achteraf, toen we door de Walvisstraat terug naar de auto liepen, vroeg ik mij af hoe dat gesprek gegaan was, wat we precies gezegd hadden en of er misschien ooit, lang geleden, iets gebeurd was waardoor hij alsmaar ‘Allez, goe’ bleef zeggen in plaats van gewoon een gesprek te voeren, de draad weer op te pakken, zoals vrienden doen.
Maar zelf was ik ook niet spraakzaam geweest. Ik was te druk met kijken. Ik wilde verder lopen, langs die kramen en die mensen, over de tegels die de tijd in mijn geheugen heeft geplaveid en door die kleuren – er leken zoveel kleuren te zijn op dat plein, kleuren die mij duizelig maakten, zoveel mensen, gezichten, ook jonge mensen, mensen die wij vroeger waren, en ook mensen die wij vroeger haatten, zoals die Steinerschooltypes met hun witte marcellekes en hun zorgvuldig gestyleerde slordige haar en hun meisjes die ik niet kon krijgen. En zo liep ik alsmaar verder, in steeds groter wordende cirkels over de rommelmarkt alsof die herinneringen mij van de Dageraadplaats af probeerden te duwen. Ik wilde niet weg. Als een gulzige dronkeman slingerde ik over dat plein, vol mensen die ik geweest zou zijn, als ik was gebleven.