Nest.

Onze woonkamer is op de eerste verdieping. Twee klapdeuren geven uit op een klein terras, aan de binnenzijde van ons huis. Ik weet nooit goed hoe ik dat moet uitleggen aan mensen die nog nooit bij ons op bezoek zijn geweest. En dat zijn veel mensen.
Wanneer ik op dat mini-terras sta te roken met mijn rug naar de woonkamer, op de vlonderplanken, tussen de bloempotjes, met aan mijn linkerhand de klimop die ik deze lente tegen de betonnen buitenmuur heb geplant, aan mijn rechterhand de met hout betimmerde wand waarachter de gang ligt en voor mij het houten bankje dat ooit deel van een schoolbank is geweest waarin leerlingen zaten waaraan mij grootvader heeft lesgegeven en dat ik afgelopen najaar grondig heb laten schuren en beitsen – als ik daar sta dus, dan kijk ik over de dakramen van onze slaapkamers heen, die op het gelijkvloers zitten, door het raam aan de overzijde onze keuken binnen. Die zit ook op het eerste.
Vooral ’s avonds, wanneer de rest van het huis donker is en de ingebouwde hallogeen lampen onder in de keukenkasten hun licht werpen op het kruidenrekje, het espressoapparaat, een half opgegeten boterham confituur en andere zaken die natuurlijk deel uitmaken van de biotoop die wij het aanrecht noemen, stemt deze aanblik mij intens gelukkig.
De voorbije dagen viel me tijdens het roken op dat er regelmatig een wesp verdween in de sleuven die in de houten betimmering zitten van de muur aan mijn rechterzijde. Het is geen dragende muur, dus nauwelijks meer dan wat hout, pleister en isolatiemateriaal. Dagen na elkaar zag ik die wesp af en aan vliegen. Ik werd er lichtjes nerveus van. Gisterenmiddag kwam er een man langs van een verdelgingsbedrijf. Hij spoot het middel in de sleuven. Het idee is dat de wesp het aan haar lijf krijgt, mee het nest in neemt, en er de koningin mee vergiftigt. De koningin sterft, en het nest wordt verlaten.
Ik vroeg de man – hij heette Milan – of dat zeker werkte.
‘O ja,’ zei hij. ‘Die koningin gaat hartstikke kapot.’
Die avond kwam ik laat thuis van een optreden. Ik rookte nog een sigaret en keek onze keuken in. Alles was stil en donker. Ik sloot de ogen en probeerde te denken aan wat er die dag allemaal gebeurd was, en wat er morgen op het programma stond, maar telkens opnieuw zag ik die koningin zitten, alleen, in haar nest, in de muur van ons huis.

Beste buren / Woof!

Twee dingen ter informatie en vermaak.

Deze week verschijnt bij uitgeverij Luster het boek Beste buren, een verzameling essays van Belgische schrijvers over Nederland en Nederlandse schrijvers over België. Toen ik mijn exemplaar deze week in de post vond, stelde ik tot mijn opluchting vast dat ik in de eerste categorie ben ondergebracht. Ik schreef een verhaal met de titel Ex-Joegoslaaf waarin ik een aantal voor mij betekenisvolle momenten uit acht jaar Nederland op een rij zet. Ik heb er onder meer dit blogje van drie jaar geleden in verwerkt. Het boek wordt aanstaande vrijdag gepresenteerd op de jaarlijkse receptie van de Nederlandse consul-generaal te Antwerpen - ter ere van Koninginnedag. Daar kan ik helaas niet bij zijn.

Op 29 april namelijk, ga ik voor het eerst in acht jaar Nederland iets mee krijgen van Koninginnenacht. Zij het op cultureel verantwoorde wijze. Die avond organiseert de onvolprezen Oscar Kocken immers weer een editie van zijn literaire-muzikale-theatrale festivalletje WOOF! in het Rozentheater te Amsterdam. Oscar vroeg mij een stukje te komen voorlezen omdat Abdelkader Benali had afgezegd. Ik heb er helemaal geen bezwaar tegen de first in line te zijn, daar waar het de opvolging van Abdelkader Benali betreft. Ik ben de kwaadste niet. Het heeft er overigens alle schijn van dat ik die avond een stukje Boek 2 ga voorlezen. U mag zelf kiezen of dat een reden is om wel of niet te komen.

ICT.

Wanneer ik uit de auto stap, staat hij op de oprit van het huis. Handen in de zij, polo in de broek.
‘Ik kom voor de step.'
Hij glimlacht. ‘Dat dacht ik al.’
De step staat in het schuurtje, achterin de tuin. Vroeger lag er gras. Nu liggen er tegels. Hij blijft tuin zeggen.
Het schuurtje blijkt een atelier. Er hangen doeken aan de muur. Grote abstracte beelden, in verschillende tinten rood. De man begint te vertellen. Onderwijl bestudeer ik de step en denk na over de vraag die hij zo zal stellen. De man zegt iets over echte tentoonstellingen. Ik knik.
De step zit onder de krassen. De kleinkinderen hebben er veel plezier aan gehad. Maar nu fietsen ze.
Trots wijst hij naar de werkbank waarop de pastamachine van zijn zoon ligt, gedemonteerd.
Ik zeg: ‘U bent creatief, en handig. Uw kinderen hebben geluk.’
‘U bent niet handig?’
‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik ben niet handig.’
Dan komt de vraag.
‘Wat doet u dan voor werk? ICT wellicht?’
Ik kijk naar de step. Zet mijn handen op het stuur. Rol hem het atelier uit, de tegeltuin op.
‘Ja,’ zeg ik. ‘ICT.’

Het droeve lot van de Facebook-zeurpiet.

Geen idee of het in Vlaanderen al speelt maar in Nederland is het nu volop bon ton om gekweld je Facebook-verslaving te uiten en er met de nodige dramatiek afscheid van te nemen. Mensen als filosofe Stine Jensen, dichter Menno Wigman of schrijver Joost Zwagerman gingen u voor. De verwoestende druk om te posten, de dwangmatige zucht naar erkenning, het gevoel te MOETEN inloggen – Facebook is heroïne voor de ziel, zoiets.
Het zal wel weer aan mij liggen, maar ik vind het een beetje zielig. En aandoenlijk. Maar wanneer ik er middels een bovenmatige krachtinspanning in slaag om dit gedoe ernstig te nemen stel ik vooral vast dat er één element in dit hele debat over het hoofd wordt gezien.

Ik ben ondertussen al bijna tien jaar als Ivo Victoria actief op het internet. Nog van voor ik met dit weblog begon. Eerst omdat ik het leuk vond, daarna omdat het internet mij middelen in handen gaf om te doen wat ik graag doe: schrijven, muziek ontdekken, interesses delen. Hou dat woord ‘middel’ even vast. Ik wilde geen online identiteit opbouwen of erkenning krijgen. De identiteit is geboren door wat ik op het internet deed. Het was dus een gevolg, geen doel.
 Toen ik na jaren webloggen, twitteren en facebooken een roman uitbracht, bleek dat ik zomaar een soort van publiekje had opgebouwd, dat deels ook dat boek ging kopen. Veel mensen noemden dat 'slimme marketing' - maar zo is het niet gegaan.
Een uitvergrote versie van dit mechanisme is iemand als Nico Dijkshoorn, die al veel langer het internet gebruikt om te doen wat ie graag doet en daar nu, in combinatie met de traditionele media, de vruchten van plukt – mooi meegenomen voor Nico, en verdiend.

Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat met name een groot deel van de recente social media gebruikers deze media op een heel andere manier benaderen, namelijk: als een doel op zich. Ze posten niet omdat ze iets willen vertellen, maar om er reacties op te krijgen. Ze delen niet omdat ze het fijn vinden andere mensen op iets moois te wijzen, maar om complimenten te krijgen voor hun vondst. Tot deze lichting behoren een enorme schare artiesten uit allerlei kunstdisciplines die opzichtig profilering nastreven waaruit erkenning moet volgen waaruit verkoop van hun product moet volgen. Tja. Dan wordt het inderdaad heel vermoeiend. En frustrerend. Want het publiek doorziet hun behaagzuchtige gedrag met gemak en hoe harder zij hun best doen, hoe minder geloofwaardig ze worden - en dus hoe verder ze van hun doel verwijderd raken. De paradox van succesvol gebruik van social media (wat je onder 'succesvol' ook moge verstaan) zit 'm nu net in het feit dat hoe harder je probeert succesvol te zijn, hoe ongeloofwaardiger je wordt, hoe minder succesvol je bent, en hoe harder je gaat snakken naar elk duimpje of elke retweet. Deze mensen zijn niet verslaafd aan Twitter of Facebook. Ze zijn verslaafd aan hun eigen ego.

Ik zou zeggen: concentreer je op wat jij wil doen in het leven, en doe het oprecht, met liefde en passie. Als het internet je daarbij kan helpen, gebruik het dan. Indien niet, dan niet. Geeft niks. En het scheelt een hoop gezeur – in uw hoofd, en aan het mijne.

Guy Thys.

Het was een schitterende schrijfdag. Ik herschreef onder meer een fragment waarin het hoofdpersonage een erectie tracht te voorkomen door heel hard aan Guy Thys te denken, de voormalige bondscoach van de Belgische nationale voetbalploeg. Weinig respectvol naar Guy Thys toe, maar zelf vind ik het een erg geestig moment en dat is ook belangrijk.
Ooit sprak ik Guy Thys persoonlijk, in de lente van 1982. In de zomer zouden de Rode Duivels naar het WK in Spanje gaan en Will Tura zong ‘we worden wereldkampioen’ dus dat moest wel waar zijn.
Het huis-aan-huis-blad Teletip organiseerde een actie. Op een goede maandagmiddag kon je tussen twaalf en één bellen naar een nummer, en wie erdoorheen raakte kreeg de bondscoach zelf aan de lijn. Alle winnaars zouden daarna een door de Rode Duivels gesigneerde lederen voetbal ontvangen – de befaamde Tango.
Kortom. Die maandag stormde ik rond twintig over twaalf het huis binnen van school. Mijn moeder en ik wisselden elkaar af aan de telefoon. We kwamen er niet doorheen. Na een tijdje zei mijn moeder: ‘Kom, we wachten tien minuten.’
Ik vond dat een bijzonder slecht idee maar er moest ook nog gegeten worden. Snel speelde ik mijn boterhammen naar binnen terwijl ik nog eens overdacht met welke tactische adviezen en slimme complimenten ik de bondscoach zou overladen. Ik was nog jong, elf, maar wellicht was het toch niet onverstandig subtiel melding te maken van mijn fabelachtig linkerbeen dat in al haar gratie en precisie gelijkenis vertoonde met dat van Luc Nilis, een voetballer die Guy Thys in die tijd ook nog niet gekend kan hebben.
Om vijf voor één deden we een laatste poging.
‘Hallo, met Guy Thys.’
‘Meneer Thys,’ zei ik. ‘Ik wil u van harte gelukwensen met de Rode Duivels in Spanje en ik hoop dat we wereldkampioen worden.’
‘Dankuvriendelijk,’ zei Guy Thys en hij hing op.
Twee weken later werd er bij ons thuis een lederen voetbal van een onduidelijk merk bezorgd waarvan de suppappe kapot was. De Rode Duivels hadden er hun handtekeningen op gezet, in onzichtbare inkt.

Niet in Zeeland.

Het was prachtig weer gisteren, dat weet ik zeker want ik zat vijf uur in de trein en het merendeel van de tijd keek ik naar buiten. In boek 2 is er een rol weggelegd voor een vliedberg. Ik heb mij laten vertellen dat die alleen in Zeeland voorkomen. Dus ik had gehoopt om vanuit de trein zo'n vliedberg te zien opduiken in de polders want nu heb ik mij bij het schrijven alleen op foto's gebaseerd. Helaas zag ik geen vliedberg. Verder is er geen enkele reden tot paniek: mijn roman speelt zich niet in Zeeland af.

Dan wil ik nog even melden dat ik onlangs, op een al even zonnige, maar iets frissere dag, vijf filmpjes opnam met de fijne mensen van Torpedo Magazine. Die mensen zijn zo sympathiek dat ze voor deze serie, die 2 Minuten heet, een killer line-up bij elkaar kregen. Zo passeerden tijdens de twee opnamedagen in de Rode Hoed op de Keizersgracht onder meer F. Starik, Gerbrand Bakker, Maaike Schutten, Tommy Wieringa, A.L. Snijders, Jowi Schmitz, Wim Brands en Jan Van Mersbergen de revu. Een gemiste kans voor cultuurterroristen, for sure.
De filmpjes werden met liefde en zorg opgenomen en het resultaat is er dan ook naar. Kortom: wie zorgt ervoor dat 2 Minuten als de bliksem op televisie komt, als dagsluiting? Of dagopening? Of gewoon, in de plaats van De Wereld Draait Door ofzo. Kom op, wie!?  

Gisteren stond het eerste filmpje van mijn hand op hun website en de bijhorende tekst in het Parool. U kan de video HIER bekijken. Check ook de rest van die site - hij is goed.

Zwolle is goed voor mij.

Gisteren was ik met het Write Now!-circus in poppodium Hedon te Zwolle. Tijdens de workshop kwamen we dit keer uit op een onzekere 43-jarige accountant uit Alkmaar die op een dag besluit om haar ouders te confronteren met haar bisexualiteit.
Ik was één keer eerder in Zwolle, in het voorjaar van 2004. Ik herinner me dat we met de band backstage op de trap zaten te wachten tot we op moesten en dat de zanger van het hoofdprogramma ons geluk kwam wensen. Er werd gelachen en er werden foto’s genomen en we speelden het concert van ons leven. Nooit zoveel cd’s verkocht na een optreden als die avond in Zwolle. In die tijd kende ik die jongen vrij goed. Er leek zich een soort van vriendschap tussen ons te ontwikkelen – hij woonde ook in Antwerpen, in dezelfde wijk als ik. Maar nadat ik naar Amsterdam was verhuisd, de band had opgedoekt, en was beginnen schrijven, zijn we elkaar uit het oog verloren, en vervaagde het contact in een mist van ongeldige emailadressen en gewijzigde mobiele nummers. Dat heb ik altijd jammer gevonden. Gisterochtend, voor ik naar Zwolle vertrok, hoorde ik nog een liedje van hem op de radio. Ook de presentatrice vroeg zich af hoe het nu met hem ging.
Tijdens de prijsuitreiking las ik een stukje voor uit Hoe ik nimmer... Een fragment uit hoofdstuk 5, over de begrafenis van mijn vader. Terwijl ik het voordroeg moest ik denken aan wat ik de deelnemers aan de workshop altijd voorhoud: de waarheid is geen verhaal. De top-3 van die avond bestond overigens geheel uit workshopdeelnemers. Dat was nog niet eerder gebeurd, en verder ook niet mijn verdienste - hun verhaal hadden ze al veel eerder moeten inleveren.
Na afloop van de show verkocht ik al mijn boeken, inclusief het exemplaar waar ik het voorbije anderhalf jaar talloze malen uit heb voorgedragen. Even vroeg ik me af of ik dat nu wel moest doen, maar anderszijds: ik kon zien dat Hannie er erg blij mee was.

En dan moet de dag nog beginnen.

Toen ik de crèche weer uitkwam, hadden ze de eigenaar van de SUV gevonden. Het was een grijzende man. Ook oud vader geworden. Gelaten onderging hij de preek van de buschauffeur, waarna hij wegreed en de chauffeur – beige hemd, kalend hoofd, ziekenfondsbrilletje – de drie touringbussen met gebarentaal uitlegde hoe de bocht nu genomen moest worden. Maar van de andere kant bleven auto’s de parkeerplaats opstromen om hun passagiers naar de school en de opvang te brengen. Het zou me niet verbazen als die bussen daar nu nog staan.
Voor de school ligt een grote open vlakte, veel groter dan de parkeerplaats waarvan die vlakte met paaltjes is gescheiden. Ik weet niet waarom ze die ruimte niet gebruiken voor een handig ingerichte ophaal- en afzetplek, in plaats van die kleine parkeerplaats waar de parkeerwachters met opzet tussen vijf en zes komen controleren omdat ze weten dat de ouders die daar vijf minuten staan om hun kind op te halen geen parkeergeld betalen. Alleen in de winter is die open vlakte mooi, wanneer het heeft gesneeuwd en alles glad en eindeloos wit is.
Lola zat met Leon voor het raam, op de verwarming en ze keken naar de drukte. Ik fietste langs het raam, zoals beloofd, en allebei gingen ze heel hard zwaaien en ik zwaaide terug. Daarna fietste ik over de vlakte, de helling op, naar de brug toe, tussen de kinderen, ouders en auto’s door en toen ik boven was, bij het zebrapad, waar ik de straat oversteek en het fietspad oprij dat het eiland overdwars in tweeën snijdt, kon ik Lola en Leon nog altijd zien zitten, wiebelend met hun beentjes, kijkend naar de bussen, de kinderen, de ouders, de auto’s – alleen zwaaiden ze niet meer.
Toen ik aankwam bij ons eigen schiereilandje was het er nog veel drukker dan toen ik vertrok. Ik wist niet waar eerst te kijken en te groeten want ondertussen lijkt het alsof ik iedereen in onze wijk ken, ook al is dat niet zo. Gerbrand Bakker bijvoorbeeld, woont er al veel langer dan ik, in het flatgebouw aan het eind van mijn straat maar dat weten we nog maar sinds kort van elkaar. Dus ik groette links, en ik groette rechts, en werd bijna onderuit gereden door een zwarte Audi die werd bestuurd door Gustaaf Peek, van wie ik weet dat hij helemaal niet bij ons op het eiland woont dus wat had hij daar te zoeken.
Uiteindelijk draaide ik onze straat in, langs het schooltje en de hoek waarop enkele keren per dag een grote, knappe, blonde juf staat te roken. Behalve wanneer het regent, dan staat ze onder de overkapping van het flatgebouw aan de overzijde.

Een goed verhaal.

Momenteel geef ik workshops voorafgaand aan, en draag ik voor tijdens de regiofinales van Write Now! Dat is een schrijfwedstrijd voor jongeren tussen de 15 en 24. Ik geef graag workshops, zeker aan jonge mensen. Toen ik 18 was, zou het nooit in mij zijn opgekomen om een verhaal te schrijven. Dat vond ik iets voor mensen die niet wisten hoe groots en meeslepend te leven en daarom maar boeken lazen – het idee.
Mijn klasje zit keer op keer vol met hippe jongelui. En opvallend veel moslima’s trouwens. Geen idee hoe dat komt.
Tijdens de workshop doen we een oefening waarbij we samen een personage samenstellen. Gisteren kwam Julian uit de bus, de 42-jarige eigenaar van een bijna failliete cd-zaak die met zijn laatste spaarcenten op rondreis vertrekt door de Verenigde Staten in de hoop daar de roman te voltooien waar hij al tien jaar aan werkt.
Met die oefening probeer ik duidelijk te maken dat een goed verhaal vaak begint met een goed personage, en niet met een al dan niet spectaculaire gebeurtenis. Gebeurtenissen zijn een noodzakelijk kwaad, wat mij betreft. 
Gisteren, in Den Haag, was ik voor het eerst onder de indruk van de winnares. Naomi Rebekka Boekwijt heet ze, een uitstekende naam voor een auteur, ook dat nog. Ze schreef dit verhaal. Als ik twintig jaar geleden had meegedaan aan Write Now! en ik had dit verhaal gelezen, dan was ik wellicht daar en toen gestopt met schrijven.