Spannend.

Vorige week sprak ik alle beëdigde meelezers van Boek 2. Het merendeel van hen was – net als ik – nog brak van het Boekenbal en dat was goed want het voorkwam grootspraak en euforie.
In de weken tussen het inleveren van het manuscript en de besprekingen, liep ik verveeld rondjes door het huis en ’s avonds hing ik op de bank en keek voetbal tenzij er geen voetbal was, dan zapte ik lusteloos langs allemaal programma’s die ik niet wilde kijken. Dat begon mij – en niet alleen mij – op een gegeven moment behoorlijk te irriteren en ik vroeg mezelf af wat er aan de hand was. Dat heb ik soms, dat ik in een bepaalde bui verkeer en dat ik niet snap waarom of pas veel later. Meestal, wanneer ik een paar weken niet schrijf, is dat voor mijn brein het sein om met allerlei geweldige inzichten op de proppen te komen en heb ik na zo'n pauze enorm veel zin om weer verder te werken. Maar nu niet. Ik had in niets zin. Toen realiseerde ik me dat ik me na het voltooien van Hoe ik nimmer... exact hetzelfde voelde.
Deze week daalt het besef langzaam in dat dit weleens zou kunnen kloppen. Niet dat boek 2 af is. Nee, natuurlijk niet, ik heb er zeker nog een maand of drie werk aan maar: dat werk ken ik. Ik weet wat ik nog moet doen en ik weet hoe ik dat ga doen. In feite is het dan klaar.
Wat mij het meest verraste in de gesprekken met de beëdigde meelezers is dat ze het allemaal een spannend boek vinden. Ik heb niks tegen spannende boeken, maar ik lees ze zelf niet – ik kan niet goed tegen spanning. Ook heb ik er niet naar gestreefd een spannend boek te schrijven. Het klopt wel dat er nogal wat gebeurt in dat boek van mij waar mensen ongetwijfeld het fijne van zullen willen weten en dat fijne vertel ik ze niet (meteen). Niet omdat ik het spannend wil maken, maar omdat ik met het boek iets heel anders wil vertellen dan het fijne van de gebeurtenissen die er in plaats vinden.