Vier jaar Twitter.

Vandaag, vier jaar geleden, maakte ik een Twitter-account aan. Zo'n dikke drie maanden geleden besloot ik een tijdje niet meer te twitteren. Te veel prikkels, te veel afleiding, niet handig wanneer je een boek aan het schrijven bent. Nu is dat boek niet af, maar ik ga lekker en dat leidt in mijn geval automatisch tot overmoed. Ik ga dus weer twitteren.

Ik had verwacht dat veel van mijn followers zouden afhaken, de voorbije drie maanden. Maar dat gebeurde niet. Integendeel, er kwamen er meer dan honderd bij. Dat deed mij veel plezier en daarom vind ik het wel gepast om wat kadootjes uit te delen, als bedankje voor zoveel ontroerende trouw. In de komende maand ga ik een kort verhaal schrijven, exclusief voor mijn Twitter followers. Dat wil zeggen: voor alle mensen die mij tot en met zaterdag 29 januari 12.00h volgden. Hoe ga ik dat regelen? Mail je Twitter-id naar joepie[at]ivovictoria.com en binnen een maand ontvang je het verhaal. Tegen wie zich nu een beetje buitengesloten voelt omdat hij/zij me niet volgt op Twitter, kan ik enkel zeggen dat dit niet de laatste keer zal zijn dat ik kadootjes uitdeel...

Goed nadenken.

‘Wat doe je, papa?’
‘Ik wil dit op mijn telefoon plakken.’ Ik wees op de screen protector. Want zo heten die dingen. Wanneer je iets heel eenvoudigs heel duur wil verkopen, dan doe je alsof de NASA betrokken was bij de ontwikkeling ervan.
‘O,’ zei Lola. Ik legde de screen protector weer weg.
‘Ga je dat niet doen, papa?’ vroeg Lola.
‘Nee,’ zei ik. ‘Ik doe het straks wel.’
‘Maar waarom?’
‘Nou, omdat papa daar even rustig voor moet nadenken.’
‘O,’ zei Lola. ‘Als je goed gaat nadenken moet je in de hoek gaan staan.’

Witte ballon.

In oktober '96 kwamen er in Brussel 300 000 mensen op straat ter gelegenheid van de Witte Mars die het falen van justitie in de zaak Dutroux aan de kaak wilde stellen. Ik zat net even de foto's te bekijken. Op één van de bekendste borden uit die mars staat de tekst: Ik ben beschaamd om Belg te zijn.
Gisteren liepen 35 000 Belgen door Brussel om te laten zien dat ze trots zijn Belg te zijn maar zich schamen voor hun politici.
Ik schaamde mij een beetje dat ik daar niet bij was, maar ik moest recupereren van mijn lezingen op het fijne huiskamerfestival Cult Royale in Schipluiden, de avond ervoor. Daar had ik onder meer geprobeerd de lachers op mijn hand te krijgen door fragmenten voor te lezen uit een – kom, laat ons eens sjiek doen – essay dat ik geschreven heb voor een bundel die eind april verschijnt bij uitgeverij Luster: Beste buren. Belgen over Nederland en Nederlanders over België.
Dat lukte aardig.
Schipluiden is een prachtig dorpje. Jong en oud lopen er hand in hand, vrolijke zeemansliederen zingend door de pittoreske straten en iedereen houdt er van elkaar. Maar echt. Om zes uur verdween de lokale bevolking in haar peperkoeken huisjes om samen de avondmaaltijd te gebruiken bij het knisperende haardvuur en ik liep naar het scoutslokaal waar men de artiesten te eten gaf. Mijmerend over de penibele situatie waarin mijn vaderland zich bevindt, wandelde ik langs de Vlaardingse Vaart, die het dorp doorkruist. Het zwarte water glinsterde sfeervol; ook de maan kon haar tevredenheid over zoveel warmte en harmonie niet verbergen. Op de hoek van de straat die naar het scoutslokaal leidde, dwarrelde een witte ballon door de avondlucht, als om mij te weg te wijzen. Het bleek een opgeblazen condoom te zijn. Een gebruikt, opgeblazen condoom.
En zonet kwam ik al googlend op het oude nieuws dat Het Goddelijke Monster van Lanoye een tv-serie op Eén wordt, eind dit jaar. Het boek maakt deel uit van een trilogie over België als het uiteenvallende hart van Europa, met een glansrol voor de Witte Mars. Later omschreef Tom Lanoye die mars als 'een gezellig massagebeuren voor de hele familie'.
Ben ik er toch nog een beetje bij geweest.

Streng.

Ik sta te wachten bij de trap, in de gang en ik kijk naar het plafond. We hebben een nieuwe lamp. Ik kijk door de voordeur naar de overkant van de straat, waar het donker langzaam oplost en de mooie nieuwe buren wonen. Ik denk niet dat de lamp zover reikt.
Uit de kamer komt haar stem. Kermit moet hier, en Beer moet daar en nu is het mondje dicht en oogjes toe en braaf slapen.
W.F. Hermans schreef in Nooit meer slapen: in ieder van ons schuilt een wilde krankzinnige die groeit uit het kind dat wij waren toen we 1, 2, 3 jaar oud waren. Hoe meer boeken ik lees, hoe hoger Nooit meer slapen in mijn tijdloze boeken-top tien komt te staan.
Beer moet nog plassen. Ik hoor gestommel en ingehouden gemopper. Ik herken elke beweging, elk woord dat ze zegt. Ik sluit de ogen, frons de wenkbrauwen, met een grimas anticiperend op de onvermijdelijke one-liner waarmee de rituelen zullen worden afgerond.
‘En nu wil ik niks meer horen!’
Ik zie haar wijsvinger in de lucht priemen. Ik zucht en ontspan. Dan komt ze de kamer uit en loopt naar mij, terwijl ze zichzelf bewondert in de deuren van de kastenmuur, die met spiegelglas zijn afgewerkt.
‘Die heeft wel geluisterd hoor. Naar wat ik heb gepraat,’ zegt ze en ze duwt een haarlok achter haar oor.
‘Ja?’ zeg ik. ‘Jij bent anders wel streng.’

De grootste problemen.

Aan de overkant van de straat liep een man, in een lange zwarte jas. Hij draaide zich om en riep: ‘Neem je mijn agenda even uit de auto?’
Een deurwaarder, dacht ik. Even verderop hoorde ik een deur opengaan, en een vrouwenstem.

Wanneer het regent rook ik niet op het terras maar in de carport, beveiligd door een hek zodat ik me de paria kan voelen die ik ben. ’s Avonds kan je mij niet zien vanop de straat. Dan sta ik daar. Een peuk die af en toe oplicht, en na verloop van tijd weer uitdooft. Regelmatig vragen mensen mij of het niet tijd wordt dat ik stop met roken. Ja, zeg ik dan. Wellicht wel. Maar om nu drie tot vier keer per dag buiten in de kou te gaan staan met niks om handen.
 
Van links kwam nu een vrouw aanlopen met een agenda in de hand.
‘Hé Marjan, hoe gaat het nou?’ riep ze.
Niet roepen, dacht ik. Niet roepen. Dit is een nette straat.
De vrouw met de agenda zette er de pas in.
De man begroette Marjan en zei: ‘Nee, niet zoenen, joh, niet doen. Je raakt in de grootste problemen.’

Ik wierp mijn uitgedoofde sigaret door de tralies van het hek op het voetpad. Daarna ging ik weer naar binnen.

Wind.

Voor het eerst deze winter ervaarde ik datgene wat ik tot voor kort lulverhalen noemde van moeders in wiens leven verder niets gebeurt: ik fietste met Lola achterop over de verbindingsdam naar het KNSM-eiland en we werden gegrepen door een heftige windstoot die ons bijna het water in blies. Levensgevaarlijk, zoals die moeders dan zeggen. Na de eerste windstoot legden we de rest van de dam af tegen de wind in hangend in een hoek van nou-wat-zal-het-zijn-ik-denk-wel-40 graden! Vertel ik straks wanneer ik bij het boodschappen doen zo’n moeder zie. Het rare aan onze buurt is dat het er altijd waait. Maar er gebeurt zelden wat. Dus we haten niet alleen de wind, we hebben hem ook nog eens nodig.
In boek 2, waaraan ik vanaf maandag weer verder werk na een schrijfpauze van een week of vier, bevindt het hoofdpersonage zich in het eerste deel op een locatie waar het heet en windstil is. Daarna verlaat hij deze locatie en betreedt voor hem onbekend terrein. Prompt begint het te waaien. Nou, dan weet je het wel: daar staat iets te gebeuren.

Geen reserves.

Elke ochtend maak ik sap. Ik sta in de keuken en ik snij appelsienen in vieren. Het zijn die tien, vijftien minuten wanneer de moeder al weg is, en het kind nog slaapt. Buiten is het donker, in huis is het stil; alleen het zachte, rinkelende gezang van glazen flessen die op de koelkast staan, dicht bij elkaar, alsof ze het koud hebben, en het getik van mijn mes dat het hout raakt.
En elke keer wanneer ik die kwartjes appelsien zie liggen op de snijplank en ik het vruchtvlees met mijn blote handen van de schil trek en in de sapcentrifuge gooi, zie ik ons zitten in de kleedkamer tijdens de rust. Hoe de délégué van onze ploeg dan binnenkwam met een plateau van één of ander biermerk, Jupiler wellicht, die vol met kwartjes appelsien lag. Wanneer je in die appelsienen beet, vermengde het zweet dat op je hals en borstkas stond zich met het sap dat uit je mond droop en je kaakspieren trokken strak van het zuur. En terwijl wij elk twee of drie kwartjes aten, opende onze kapitein de deur van de kleedkamer en stak een sigaret op. Het was een stille, bonkige kerel die op de meest onverwachte momenten in woede kon ontsteken – er huisde iets in zijn lijf dat ik nooit heb begrepen, maar het was er altijd, smeulend als een vuur.
Hij stond daar, in die open deur, en hij rookte zijn sigaret terwijl hij uitkeek over het veld dat nu leeg was. Of misschien liepen er een paar reservespelers zich op te warmen, dat kan. Spelers van de tegenstander; wij hadden geen reserves.

Gratis.

Ik vierde oud en nieuw bij Nederlandse vrienden die al enige tijd in Antwerpen wonen. Bij het ontbijt nam ik de krant en begon erin te bladeren. Het was De Morgen van 31 december 2010. De man des huizes vertelde. De Morgen was gratis op 31 december. Rond de krant zat een grote oranje wikkel van sponsor ING. Daarop werd de actie in vette letters gecommuniceerd. Toen hij in de supermarkt bij de kassa kwam, scande de kassière, naast de andere boodschappen, ook de krant. Nul euro. Ze scande de krant opnieuw. Nul euro. Zuchtend begon ze de krant uitgebreid te bestuderen.
‘Maar allez?!?’
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘De Morgen is gratis vandaag. Het is een actie.’
‘Dat kan niet,’ zei de vrouw zonder hem aan te kijken.
Ze scande de krant. Nul euro. Mijn vriend wachtte geduldig. De vrouw verwijderde de wikkel.
‘En kijk, hier,’ zei ze en ze wees op de onderzijde van de voorpagina, waar naast de barcode de prijs van de krant stond afgedrukt. ‘Hier staat ook nul euro.’
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘Het is een actie.’
‘Dat kan niet,’ zei de vrouw.
‘Het is echt waar,’ zei hij. De kassière keek hem aan. Ze vernauwde haar ogen.
‘Allez vooruit dan.’ Ze drukte enkele toetsen van de kassa in en overhandigde hem de krant. Thuis, bij het uitpakken van de boodschappen, keek mijn vriend de kassabon na. Ook de krant stond erop vermeld. Bij de prijs stond: 1 euro. Normaal gezien kost De Morgen 1 euro 40, als ik me niet vergis.
‘Belgischer dan dat wordt het niet,’ zei hij.

Ik vertelde dit verhaal aan mijn moeder. Zij betwistte heftig dat dit typerend was voor de Belgische dienstverlening. Ik zei dat ik me dit soort houding herinnerde van gemeentebeambten en treinpersoneel. Mijn moeder schudde het hoofd.
‘Ik vroeg een keer op het station van Adinkerke wanneer de laatste trein naar Antwerpen ging,’ vertelde ze. ‘Och mevrouw, zei de NMBS-beambte, dat kan nog járen duren.’
Daarmee achtte zij haar punt bewezen.

Een knopje.

Minor werkzaamheden aan dit blog: vanaf nu zie je onder elke blogpost een oranje vierkantje met een kruisje erin. Als je daar met je muis overheen gaat, kan je de blogpost in kwestie eenvoudig delen met uw virtuele vrienden her en der op de interwebs. Die dekselse techniek ook.

Een beroep.

De Nederlandse kranten berichten dat de Belgen de aanslepende formatiepogingen beu zijn. Mij begint het nu pas te interesseren. Ik volg het gebeuren als een buitenlandse krant: vanop afstand. Dat is een tip. Als je wil weten hoe een onverkwikkelijke situatie gaat aflopen, negeer dan de details – die leiden slechts af.

Het merendeel van de N-VA-kiezers wil geen splitsing van België, in tegenstelling tot hun separatistische leider, Bart De Wever. De buitenlandse media voorspellen op korte termijn verkiezingen. Er liggen dus electorale kansen voor wie nu een politieke beweging start die de Vlaamse belangen verdedigt met een Belgische driekleur in de hand. In tijden van chaos overwint opportunisme. Timing is alles.

Bart De Wever zegt dat zijn deelname aan De Allerslimste Mens Ter Wereld van geen enkele invloed is op zijn politieke werkzaamheden. Ik geloof dat graag. Bart De Wever heeft lange tijd geleden zijn standpunten bepaald. Sedertdien heeft hij er enkel aan vastgehouden. Hoeveel tijd of moeite kunnen zulke politieke werkzaamheden kosten?

Overigens heeft België het afgelopen jaar een bonus op de begroting gerealiseerd. Dat bewijst wederom een aantal dingen. Regeren kost geld. Niet politici maar ambtenaren besturen een land. Het verschil tussen een politicus en een ambtenaar is: ambtenaar is een beroep.

Denk aan Bart De Wever.

Een jaar of vijf geleden voorspelde een collega van me het einde van België. Het was een collega op de boekhouding. Achter zijn bureau hing een poster van Pim Fortuyn en een vlag van Feyenoord. Het verhaal ging dat hij ooit geweigerd had om het salaris van een medewerker over te maken omdat die bij de ABN-Amro bankierde, toenmalig sponsor van Ajax. Ik hoorde zijn betoog over België aan en haalde de schouders op.

Vandaag neemt Arnon Grunberg in de Volkskrant de aanstaande scheiding van België als aanleiding om het over iets anders te hebben; alsof het een reeds gedane zaak is. Grunberg neem ik over het algemeen ernstig omdat hij het vermogen heeft complexe zaken simpel te maken - hij analyseert steeds in het licht van een groter geheel. Een vermogen dat vele van zijn collega schrijvers/publicisten ontbeert. Binnen afzienbare tijd zal deze hele geschiedenis niets meer dan een voetnoot zijn, helaas. Dit stukje, en dit stukje, in april 2010 op dit blog verschenen, worden met de dag relevanter, tot mijn verdriet.

Vorige week ontving ik een brief van mijn leraar Latijn uit de middelbare school. Ooit gaf hij mij de eerste en laatste strafstudie uit mijn schoolloopbaan omdat ik enige snedige zinssneden had neergepend in het gastenboek van de kantklossen-tentoonstelling van zijn vrouw waar hij ons op een vrijdagmiddag mee naartoe had genomen. In retrospectieve een goed vermomd gunstig voorteken met betrekking tot mijn roeping als schrijver. Recent ontdekte deze leraar tijdens een leesclub-sessie van het Edegemse Davidsfonds, waar mijn moeder en mijn beste vriend incognito aanwezig waren, dat achter Ivo Victoria een oud-leerling schuil ging.
In zijn brief feliciteert hij mij met mijn romandebuut en hij concludeert: ‘Mijn oud-leerlngen doen het goed – denk aan Bart De Wever.’

Vandaag ga ik zijn brief beantwoorden.

Mooie nieuwe buren.

We liggen in bed; wij slapen op het gelijkvloers en onze voordeur is van glas. Natuurlijk heb ik de verhuiswagens gezien. Maar het valt pas op nu we in bed liggen.

Deze zomer zaten de buurman en ik op de stoep en we dronken witte wijn. Het was zo’n avond die begon met rode slierten in de lucht en de geur van brandende takjes roosmarijn. Onze collega straatdrinkers hadden net hun bankjes verlaten en ik had een trui aangedaan. De buurman schonk bij. Wij zijn nogal hardnekkig, hij en ik. Het was donker. Alleen bij de overburen-die-met-niemand-praten brandde nog licht. Het raam stond open. Eerst klonk er gegiechel. Daarna, gedurende een minuut of twintig, probeerden ze, zeg maar, iets in iets anders te hameren en daarbij gebruikten ze water. Zeg maar. Toen ze klaar waren schonk de buurman bij. De volgende dag speelden onze dochters op straat. De buurman en ik keken ernaar. De overbuurvrouw kwam buiten. Ze had een joggingpak aan. Ze ging niet hardlopen.

De deur van onze slaapkamer staat open en ik staar naar het witte licht dat wordt ingekaderd door de schaduw van ons deurkozijn. Ik weet wat voor licht er in de gang valt wanneer wij in bed liggen. Dit licht heb ik nooit eerder gezien. Ik ga rechtop in bed zitten.
‘Het zijn de nieuwe overburen,’ zegt Liefje en ze drukt haar gezicht in haar hoofdkussen.
Ik stap uit bed, loop de gang in en kijk door de voordeur naar buiten. Bij de voordeur van de overburen-die-tegen-niemand-praten hangt een nieuwe lamp. Een ronde, glazen bol die een fel, wit licht onze gang inwerpt.
‘Heb je de verhuiswagens niet gezien?’ zegt Liefje. Natuurlijk heb ik de verhuiswagens gezien. Ik ben de hele dag thuis. Elke dag. Weet je.
‘Nou,’ zeg ik. ‘Mooie nieuwe buren zijn dat.’

Zo'n buurt.

Ik zette mijn fiets vast op het pleintje voor de supermarkt. Er weerklonk gelach. Verschillende stemmen door elkaar die hard lachten. Ik vroeg me af waar dat gelach vandaan kwam en wat er aan de hand was. Het leek te komen van wat verderop, aan de overkant van het kruispunt, op de hoek bij de tweedehands kledingzaak. Daar reden wat fietsers en er liepen enkele voetgangers. Het was mij niet duidelijk of zij lachten.
Het is een gevaarlijk kruispunt. Wanneer de auto’s er afdraaien, hebben de voetgangers groen licht en er wordt regelmatig bijna iemand onder de voet gereden. Een tijd geleden zag ik er een chauffeur op de vuist gaan met een jongen die hij bijna onder voet had gereden. Ze stonden tegenover elkaar te dribbelen als boksers. De chauffeur greep de jongen bij de keel, en op dat moment kwam er een andere jongen vanachter de hoek vandaan om zijn maat te steunen. Met zijn tweeën gingen ze de chauffeur te lijf. Die deinsde steeds verder achteruit, struikelde over de drempel van het voetpad en viel, waarop de twee jongens flink op hem intrapten en vervolgens snel weg renden. Maar dat is natuurlijk geen reden om te lachen. Dus er werd niet gevochten.
Ik keek om me heen. Iedereen, een man of tien, verspreid over het plein als standbeelden, keek naar de hoek van het kruispunt om te zien waarom er gelachen werd. Net zoals we daar stonden toen er op die hoek gevochten werd. In zo’n buurt woon ik. Wij zijn het niet gewend dat er op straat gelachen wordt. Wij zijn het niet gewend dat er op straat gevochten wordt. Wij zijn eigenlijk niks gewend.

Alleen roken.

We zaten in de kroeg en iemand zei: nu zou ik wel willen roken maar ja, dan moet je naar buiten en het is net gezellig. En we hadden het erover hoe we nooit meer binnen rookten, ook thuis niet.
Ja, zei ik. Maar dat is niet erg. Vroeger rookte ik voor de gezelligheid, nu rook ik om alleen te zijn. Je kan niet naar toilet blijven gaan, dat gaat opvallen.
Dat leken ze maar raar te vinden. Maar het is waar.
Met kerst was ik in Bretagne, bij mijn schoonfamilie. Ze wonen in een huis aan de rand van de stad, in een korte, smalle straat waar hooguit drie andere woningen staan. Rond het huis staat een houten hek en de entree is zo’n elektrische poort die op afstandbediening werkt. Je kan niet zien of er iemand op straat loopt en niemand die op straat loopt kan het huis in kijken. Een keer of drie per avond ga ik naar buiten om een sigaret te roken. Ondertussen kijk ik naar de hemel die in Bretagne altijd donkerder en leger lijkt te zijn dan hier. Wanneer mijn sigaret op is, gooi ik hem over het hek op straat en ga weer naar binnen. Zo doe ik dat al jaren, daar in Bretagne, sinds ik de enige roker van de familie ben.
Ook afgelopen week gooide ik een stuk of twintig brandende peuken over dat hek. Het is een donkere straat en er is geen voetpad. Toch is er iets in mij dat blijft hopen dat ik op een dag iemand zal raken.

40.

De bonusvraag aan het slot van de voorlaatste ronde van de oudejaarsquiz luidde: wat is de gemiddelde leeftijd van het aanwezige gezelschap? Ik maakte een rekensommetje en kwam uit op veertig. Dit jaar word ik veertig. Gevaarlijk. Niet dat ik nu plots zin ga krijgen in snelle wagens of een verhouding met een twintigjarige studente Literatuurwetenschappen – dat heb ik al jaren. Maar toch.
Ik ging hoog in een hoek van de kamer hangen en ik zag ons zitten. We zagen er goed uit. We leken gelukkig. We keken als mensen die geslaagd zijn in het leven, onze zorgen gedekt door een gevarieerd assortiment aan verzekeringspolissen, en grappen en verhalen die we allemaal kennen. Ik schatte twee van de vier aanwezige vrouwen te jong in. Voor het eerst sprak één van de mannen in het gezelschap het voornemen uit in het nieuwe jaar te gaan vermageren. We dronken champagne die prijzen had gewonnen.
Het goede antwoord was éénenveertig. Daarmee was de kans op een glorierijke overwinning definitief verkeken.