Zo'n meisje.

Ik stond te wachten bij de halte voor Café Kale op de Weteringschans en na twintig minuten had ik zes fietsers zien vallen. Dus let een beetje op als je die kant uit moet. Naast mij stond een meisje te bellen met een ziek vriendinnetje. Ik keek omhoog, naar de lucht.
‘Je moet gewoon naar buiten, een luchtje scheppen,’ zei het meisje. Ze had een hese stem.
De tram kwam eraan en we stonden allebei strategisch opgesteld. Ken je dat? Hoe mensen altijd bij het tramhokje zelf gaan wachten terwijl je er beter een paar meter achter kan gaan staan, zodat je, wanneer de tram stopt, precies voor de ingang staat? Dat wil je met dit weer. Welnu, op die plek stonden wij. Trams stoppen nooit met de entree voor het wachthuisje. Echt nooit. Maar om onverklaarbare redenen, kwam de tram net iets verder dan gewoonlijk tot stilstand waardoor we alsnog een paar meter moesten lopen en de mensen die bij het tramhokje hadden gewacht voor moesten laten gaan. Dat gebeurt dus anders nooit. Echt niet. Heel bizar. Het meisje en ik keken elkaar aan en we lachten. Na twee haltes stapte ze uit en ik dacht: vergeet niet uit te checken. Zo’n meisje.
Zelf stapte ik een halte te vroeg uit, bij het hotel, omdat ik zin had om te lopen. Het was best druk en ik moest denken aan gisterenochtend, toen ik daar ook liep, in alle vroegte. Er was niemand op straat geweest en we hadden geen eieren in huis. Alles was wit en stil en ik liep de hele weg in het midden van de straat. Ik weet niet meer waarom. Gisterochtend leek dat normaal.

Te veel.

Gisteren las ik een nieuw verhaal voor op Kamermans Kermis, een avond over angst in de Balie. Het verhaal heet Krokodil. Ik had er wat stukjes boek 2 in gemoffeld en terwijl ik het stond voor te lezen dacht ik bij mezelf: hmm, best goed eigenlijk.
Dat mag je natuurlijk nooit zeggen, maar the hell with it. Ik heb de voorbije maanden hard gewerkt en slechts zelden had ik het gevoel dat ik écht goed bezig was. Dat kan soms best vervelend zijn wanneer je week na week elke ochtend opnieuw de trap oploopt naar je schrijfkamer en het huis is leeg en stil.
Maar gisteren was dus zo’n moment. Er was ook een professor die over angst sprak en boek 2 heeft nogal wat van doen met angst. Terwijl hij uitlegde hoe angst werkt, dacht ik bij mezelf: jajajajaja, goed bezig. En ook de voorbije dagen, met die tsunami aan zedenzaken, en die krantenkoppen die schreeuwen als gekken, en de schroom waarmee een oudere man naar Lola wees en vroeg of zij ook naar 'zo'n ehm je weet wel' ging, al die keren dacht ik: goed bezig. Misschien is dat ongepast. Maar dat is hoe autistisch je wordt wanneer je week na week elke ochtend opnieuw de trap oploopt naar je schrijfkamer en het huis is leeg en stil. 
Vandaag schrijf ik nog één dag aan die roman en dan leg ik het een maandje weg. Mensen vragen mij uiteraard met regelmaat naar boek 2. Dat doen ze op bezorgde toon en met in hun ogen gepaste ernst. Of ik al ver ben, en of ik de druk niet voel enzo. Alsof ik van mijn debuut een miljoen exemplaren heb verkocht en er de Nobelprijs mee heb gewonnen. Als dat het geval was geweest, dan had ik nu wel wat beters te doen dan nog een boek te schrijven, haha.
Maar om op uw vraag te antwoorden:  alles gaat goed, ik verwacht niet dat mooie dingen maken makkelijk gaat en ik heb al heel veel woorden geschreven. Soms denk ik: te veel.

Op tijd.

Mijn agent geeft cursussen Literair Debuteren. Aan het slot van zo’n cursus nodigt hij twee auteurs uit om hun – kuch – expertise met de cursisten te delen. Dus daar zat ik, samen met Ricus. Ik hoorde mezelf vertellen hoe ik begon met schrijven: omdat ik klaar was met muziek maken, en klaar was met op en neer naar Antwerpen rijden om te repeteren, en helemaal klaar was met drie uur in de auto te zitten naar pakweg Roggel om daar te soundchecken en nog eens vier uur te wachten voordat we konden spelen. ’s Nachts het hele eind terug naar Antwerpen rijden, onze spullen uitladen in de vrieskou, de hele zooi twee trappen omhoog naar het repetitiehok sleuren. We repeteerden in de Handelsstraat, zo’n straat waar je niet doorheen kon lopen zonder zes keer achterom te kijken.
Ik was kortom, klaar met alles wat ik tussen mijn vijftien en dertig belangrijk vond. Niet met mijn familie en vrienden, die koester ik nog steeds – maar wel met ongeveer alle andere dingen die ik toen in België deed en ongeveer alle andere mensen die ik toen in België kende.
Vervolgens bracht de liefde mij naar Nederland en had ik een nieuwe hobby nodig.
Soms vraag ik me af wie ik nu zou zijn, en wat ik nu zou doen als ik in België was gebleven. Maar tot nog toe is alles in mijn leven op tijd gebeurd. Soms een beetje laat, maar wel op tijd. Je leert erop vertrouwen.

In mijn rug.

Vanochtend was het koud en winderig en er viel natte sneeuw en ze had haar lieveheersbeestjesponcho aan.
Ik zat zover mogelijk naar achteren op mijn zadel, en zij zover mogelijk naar voren op het kinderzitje, met haar hoofd leunend tegen mijn rug. De weg naar de crèche gaat dwars door het Java-eiland en onderweg moeten we vijf kleine hellingen nemen, en elke keer wanneer ik naar voren schoof op mijn zadel om meer kracht op de trappers te kunnen zetten, begon ze te jammeren.
‘Papa, ik wil dicht bij jou.’
En zodra ik op het vlakke stuk kwam, schoof ik weer naar achteren tot ik haar hoofdje voelde. Daardoor zat ik heel recht op de fiets, hetgeen goed is voor mijn rug, die mij de laatste tijd veel zorgen baart. De natte sneeuw vloog in mijn gezicht en ik ademde diep in en lang uit en ik ontspande mijn schouderspieren want ook dat is goed voor je rug en bovendien heb je het minder koud wanneer je jezelf ontspant.
En ik dacht aan hoe ik vroeger een bloedhekel had aan dit soort weer en hoe ik dan vloekend naar school fietste, diep voorovergebogen over mijn stuur alsof ik zo de regen en de wind kon ontwijken. En ik bedacht dat het mij tegenwoordig erg weinig kan schelen of het regent of niet, dat ik er eigenlijk wel van geniet, van dat ritje in de ochtend, in de wind, de natte sneeuw, recht op de fiets, met in mijn rug, het hoofd van mijn kind.