Harriet en de dingen.

Wat doe ik dan zoal, nu ik even niet meer twitter? Ik weet het ook niet. Soms staar ik uren uit het raam, kijk rustig toe terwijl de tijd opschuift, weemoedig en vergevingsgezind.

Op andere momenten schrijf ik. Een brief, bijvoorbeeld. Aan een muzikale held, bijvoorbeeld. Harriet Wheeler, van the Sundays, bijvoorbeeld. En dat ze die dan uitzenden op de radio. Aanstaande zondag, in het programma Moshi, op de Vlaamse Radio 1, rond 12.45h. Bijvoorbeeld. UPDATE: u kan mijn brief aan Harriet Wheeler HIER beluisteren.

En dan is er altijd wel iemand die zo gek is om te denken dat ik nog steeds verstand heb van muziek, zoals vroeger, weet je nog vroeger? En die mij op pad stuurt om verslag te doen van een concert of festival. Dus de komende twee weekends duik ik onder in het geluid van een vorig leven en wat dat met mij aanricht zal u HIER kunnen lezen.

Of er zijn mensen die denken dat ik andere mensen iets kan leren. En ik durf ze niet tegen te spreken. Profiteer ervan, er zijn nog enkele plaatsen over.

Maar waar ik ook ga en wat ik ook doe, overal gaat mijn laptop mee en - aarzelt u niet om in te haken: in die laptop, in die laptop, ja in die laptop zit boek twee.

Dood.

We aten goulash, met rijst. Lola nam een rijstkorrel tussen duim- en wijsvinger, en ze hield hem omhoog.
‘Zie je dat?’
Wij keken, geïnteresseerd. Want dat soort ouders zijn wij. Een rijstkorrel. Een touwtje. Een verdroogd stukje klei. Wanneer onze dochter ons iets toont, dan kijken wij. Geïnteresseerd.
‘Zie je dat?’
‘Ja, schattebout.’
‘Die is dood.’
Ze nam een andere rijstkorrel van haar bord en hield ook die omhoog.
‘En die. Die ga ik ook dood maken.’
Liefje en ik keken elkaar aan. Er viel een stilte, als een blok beton. Geconcentreerd kneep Lola de rijstkorrel plat. Ze begon te zingen. Een traag, monotoon lied. Ik kende het niet. Stukjes verpulverde rijstkorrel vielen op het tafelblad. Daarna richtte ze de blik omhoog en staarde dwars door het plafond, naar de lucht, de grijze wolken die over ons huis heen dreven en ik besefte hoe ze keek. Alsof ze zich de toekomst verbeeldde.

Diamant. (2)

Ik stapte op en ik legde een briefje van tien euro op de plank van het loket van de trambestuurder.
Wasda?’
De trambestuurder knikte naar het bankbiljet. Ik legde uit dat ik een kaartje wilde kopen. De trambestuurder liet het briefje liggen en mompelde dat ik mijn kaartje bij de automaat op het perron had moeten kopen. Ik legde uit dat dit niet kon omdat het apparaat mijn bankbiljet niet wilde accepteren en ik geen Belgische bankkaart had en ik duwde het briefje door de gleuf zodat het aan zijn kant van het plexiglas kwam te liggen en toen bleek dat de trambestuurder mij gewoon een kaartje kon verkopen.
‘Sorry voor de overlast,’ zei ik nog. 
We reden. We kwamen langs station Plantin en ik moest denken aan de straat die het decor zal vormen voor mijn dérde roman.
Ik keek om me heen. De gezichten van de mensen. De straten waarover we gleden. De mist. De regen. De blik waarmee een koppel bij een halte peilde of ze deze tram zouden nemen, of de volgende. Alles grijs.
Ik weet al enige tijd wat er in mijn derde roman zal gebeuren, maar ik wist tot dusver nog niet waarover hij zou gaan. Voor mijn tweede roman gold overigens lange tijd het omgekeerde. En nu, temidden van die stroeve stilte, scheve monden, iedereen zwijgend, zittend, of zeurend, bedacht ik dat hij over België moest gaan.

Klusjesman.

Gewoonlijk raak ik snel geïrriteerd wanneer mijn werkritme verstoord wordt maar die dag was ik rustig en relaxed en ik vond het wel prettig dat er nog iemand in huis was. Ik zette muziek op – dat doe ik anders nooit tijdens het schrijven – en het werk vlotte prima. De voorbije tijd kende ik een kleine inzinking maar nu heb ik het licht gezien en ik kan u melden dat ik er in een rotvaart op af dender. 

Nu zijn er tal van kleine werkzaamheden te verrichten aan ons huis en ik ben niet degene die dat moet doen, ik moet sowieso niks, maar ik bedoel dat ik het niet kan en het ook niet wil leren. Een mens moet kiezen in het leven en ik heb ervoor gekozen andere mensen te betalen om dingen te doen die ik niet kan of wil leren.
Vorige keer had ik de klusjesman betaald met een exemplaar van Hoe ik nimmer... Dat zal nu niet meer lukken, maar hij weet dus dat ik schrijf en toen hij de kamer binnen kwam om een klusje op het terras uit te voeren zat ik na te denken over een hoofdstuk uit mijn nieuwe roman en de letters flikkerden op het computerscherm. Ik vroeg me mezelf af of hij het niet vreemd vond om iemand te zien schrijven. Meteen sprak ik mezelf berispend toe. Er zijn ongetwijfeld mensen die het schrijven van een roman hoger inschatten dan het herstellen van een tuinkist en misschien is het wel zo dat een roman kwaliteiten bezit die een herstelde tuinkist nooit zal bezitten. Maar dat geldt omgekeerd net zozeer en ze zijn allebei nodig, en het is in beide gevallen hard werken.

Diamant.

Ik moest tram 2 hebben, vanaf station Diamant, bij het Centraal Station. Ik liep door de kale gangen van de metro en ik dacht aan mijn eerste afspraakje met mijn eerste grote liefde en hoe ik toen op deze halte was uitgestapt en ook door deze gangen had gelopen, die toen net zo kaal en leeg waren als nu. Ik had de roltrap naar boven genomen en op de Meir was ik een winkelcentrum binnen gegaan – ik was te vroeg – en opnieuw had ik daar door lege gangen gezworven; alle winkels waren dicht.
Ik herinner me dat ik op een bepaald moment voor de etalage van een juwelier stond te dagdromen. De juwelen lagen uitgestald op beige kussens en het display was afgewerkt met spiegels en ingebouwde halogeen lampjes waardoor de juwelen extra hard blonken en toen zag ik haar, in één van die spiegels. Ze besloop mij langs achteren en ze hield haar handen klaar om mij te verrassen door mijn ogen af te dekken en het was winter, buiten regende het, dus ik dacht dat haar handen nat en koud zouden zijn en net voordat ze het wilde doen, draaide ik me om en ik nam haar handen vast en ik lachte en zij begon ook te lachen, plots een beetje verlegen, en haar handen waren warm en droog.