Boekenbeurs.

Aanstaande maandag ben ik in Antwerpen van de partij op de Vlaamse Kermis der Letteren die wij allemaal kennen als de Boekenbeurs. Om 14.00h signeer ik bij uitgeverij Luster (stand 319) het kinderboek Papa Vertelt waaraan ik een bijdrage leverde. Mooi boek, prachtig uitgegeven. Om 15.00h signeer ik bij VBK uitgevers (stand 321) mijn roman Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Mooi uitgegeven, prachtig boek.
Daarvoor en daarna zit ik op de trein te werken aan het boek dat ik in november 2011 zal komen signeren op de Boekenbeurs. En zo blijven we volgens mij nog wel even bezig.

Liefde, aandacht, ambacht.

We reden naar Eindhoven, en we bespraken de culturele kaalslag. Nu heb ik niks tegen het principe om sommige kunsten te subsidiëren, maar ik zie ook hoe subsidiegeld relatief vaak verdwijnt in de zakken van gevestigde waarden die vervolgens met het gesubsidieerde werk een karrevracht aan schnabbels en goed betaalde commerciële opdrachten binnenrijven. Ik heb in mijn leven talloze subsidieaanvragen ingevuld voor een breed assortiment aan kunsten en deze vraag ben ik nog nooit op een aanvraagformulier tegengekomen: hoeveel euro’s aan indirecte inkomsten denkt u dankzij het gesubsidieerde werk binnen te halen? En dan heb ik het verder niet over de criteria, die soms meer gericht lijken op de eer die het fonds in kwestie met het werk kan opstrijken om hun overheidstoelage veilig te stellen dan op de kwalitatieve inhoud en kwetsbaarheid van het werk. Zei de gesubsidieerde auteur. Dus.
Nee, wij hadden het over een heel andere vorm van culturele kaalslag die zich al decennialang gestaag uitbreidt, als een schimmel, met als recente exponenten een non-discussie over een Sint-poster gefinancierd met ons belastinggeld en een presentator op een overigens verder fantastisch literair festival, die te lui was geweest om de artiesten op zijn podium even te googlen, wat zinvolle informatie te verzamelen en hun naam correct uit te spreken. En geluk had dat P.F. Thomése beleefd bleef.
Op micro- en macroniveau, kortom, een toenemend gebrek aan liefde, aan aandacht, aan ambacht. Half goed is al lang goed genoeg en ik kan er steeds minder geduld voor opbrengen.
Ja, zei mijn gesprekspartner, dat was allemaal waar maar: als ik wilde overleven, dan zou ik toch mee moeten doen aan zo'n flutprogramma en schnabbels moeten aanpakken wanneer de gelegenheid zich voordeed. Dat, óf meer subsidie binnenrijven. Even dreigde het feit dat hij een punt had, een domper op de stemming te zetten. Daarna arriveerden wij in Eindhoven en namen wij plaats op de tribune van de Philips Sport Vereniging alwaar wij toekeken terwijl zij een voetbalwedstrijd speelden. Dat deden ze met liefde, met aandacht en met ambacht.

Links aanhouden.

Alles ging goed totdat we de stad binnenreden. Ik miste de eerste zijstraat. We reden verder met het plan om te keren maar bij het volgende kruispunt mocht dat niet dus we moesten nog even doorrijden en dat deden we dan maar.
Nadat we eindelijk rechtsomkeer hadden kunnen maken, reden we terug naar waar we vandaan kwamen maar we wisten niet meer zo goed waar dat was. We reden opnieuw te ver door en we moesten opnieuw omkeren en opnieuw mocht dat niet bij het eerstvolgende kruispunt en ook niet bij het tweede en toen moesten we zo ver doorrijden dat we weer bij de snelweg kwamen. Daar konden we op een grote rotonde, onder de snelweg door, een wijde U-bocht maken. Ik besloot de TomTom aan te zetten. Het is een oud model. Ik heb hem gekregen van een vriend die het goed bedoelde.
Nu reden we terug onze oorspronkelijke route en toen we de straat naderden die ik in het begin had gemist, zei de TomTom dat ik links moest aanhouden. Dus dat deed ik. De bocht die daarop moest volgen, kwam evenwel honderd meter vroeger dan de TomTom aankondigde, en toen reed ik tegen volle snelheid de stoep op.
Ik verexcuseerde mij en besloot dat dit wellicht een slecht moment was om hem te vertellen dat ik aan een lichte, doch steeds ernstiger wordende vorm van nachtblindheid lijd.

Arm toeval.

In Vrij Nederland stelt socioloog Gabriël van den Brink dat we in de privé sfeer steeds liberaler worden. Over abortus, homosexualiteit of euthanasie heerst consensus. Maar in de publieke ruimte worden we steeds minder tolerant. Of het nu om hangjongeren gaat, of telefoneren in een stiltecoupé. Dat herken ik. Ik zie regelmatig buitenproportionele reacties en de fijne Nederlandse eigenschap ‘voor jezelf opkomen’ verwordt steeds vaker tot het preventief afblaffen dan wel betuttelen van de medemens.

Gisteren was ik in Artis. Ik wilde, me van geen kwaad bewust, wat bestellen bij de snackbalie van het restaurant. De vrouw naast me begon te gillen. Op een bepaald moment bereikte haar stem frequenties die enkel voor honden hoorbaar zijn. Nadat ze had besteld, priemde haar vinger in mijn richting en ze zei: ‘En NU mag hij daar bestellen.’
Er zat een felheid in haar ogen die me droef stemde.

Tevens valt me op dat mensen vaker de neiging hebben om persoonlijk leed te verwarren met of te wijten aan ‘de stand van het land’. Niemand die precies weet wie de vijand is, maar hij is er – daarover zijn we het eens, en we houden onze hand te allen tijde aan het pistool. We zien overal gevaar, op elke hoek van de straat. We willen het zien. Wellicht hebben we het nodig, om samen te kunnen zijn. Ik ontken het bestaan van problemen niet, ik heb vragen bij hoe we er mee omgaan in het dagdagelijkse leven.

Als ik bijvoorbeeld het toeval was, dan zou ik mij deze dagen vreselijk miskend voelen.

Wat er met mij gebeurde.

‘Papa, wat doe je?’
We stonden met zijn drieën in de keuken en ik had net aan Liefje verteld dat mijn gewoonlijk zo relaxte, op de golven van het succes – kuch – meedeinende leven die dag te maken had gekregen met een minor setback. Daarop had Liefje mij in haar armen genomen en met haar handen door mijn haren gestreken.
Ik knielde neer bij Lola.
‘Papa, wat gebeurt er met jou?’
Ze leek oprecht bezorgd. Ik zei dat papa een beetje verdrietig was en dat mama mij daarom had geknuffeld.
‘O,’ zei Lola en ze keek alsof ze het begreep.
Maar ik wist zelf ook wel dat mijn antwoord geenszins verklaarde wat er met mij gebeurde.

Venlo.

Ik parkeerde op de kade bij het water, aan de achterzijde van Theater de Maaspoort, stapte uit en stak een sigaret op. Ik kon niet anders dan bedenken dat ik nu in Wilders-City was. Venlo, het Brussel-Halle-Vilvoorde van Nederland. Zoiets.
Er stopte een Marokkaan op een scooter met een sigaret in zijn mond. Ik gaf hem een vuurtje. Zo, dacht ik. Dat statement is dan ook weeral geleverd.
’s Avonds, op het podium, werd ik geïnterviewd door Frans Pollux. Het was een fijn, vrolijk gesprek en de lachsalvo’s denderden door het theater. De hilariteit bereikte een hoogtepunt toen ik het publiek vertelde dat ik ooit een Antwerpse journaliste geïrriteerd – zoniet, verbijsterd – had door te stellen dat Nederlanders ook maar gewone mensen waren. True story. Ik vervolgde met te zeggen dat ik zelf ook anders over Nederlanders had gedacht maar dat, als je hier lang genoeg woont, je leert om door het uiterlijk vertoon en de lokale gewoontes heen te prikken en te zien dat de menselijke verlangens, angsten en drijfveren universeel zijn. Toen werd het even stil.

Het trillen van de schedel.

Zangers en zangeressen horen nooit hun stem zoals het publiek die hoort. Dat heeft te maken met het feit dat zij luisteren naar een geluid dat ze zelf voortbrengen. De klank wordt bepaald door het trillen van hun eigen schedel en de vorm van hun oorschelpen, neus, jukbeenderen. Vreemd genoeg geldt dit ook wanneer ze luisteren naar een opname van zichzelf. De trillingen worden dan veroorzaakt van buitenaf en het effect is bijna altijd karikaturaal.
Ik heb lang gedacht dat dit niet geldt voor schrijvers, sterker nog, dat schrijvers de enige zijn die hun eigen tekst kunnen lezen zoals hij er staat terwijl elke lezer iets anders leest. Dat was naïef.
Vanochtend bracht ik mijn dochter naar de crèche. Nadat ik de zoen op mijn prikkebaard had gekregen, besloot ik de brug over te steken en terug te fietsen langs de andere kant van het IJ – iets wat ik nooit doe. Ik bekeek het eiland dat ik op andere dagen doorkruis nu vanaf de oever aan de overkant. De lucht had dezelfde kleur als het water: grijs.
Ik fietste onze straat in, de laatste moeder verliet het schooltje op de hoek en ik dacht: ik ga maar weer eens beginnen. Het is te lang geleden dat ik mijn schedel voelde trillen.