Vanochtend begon ik te schrijven.

Vanochtend begon ik te schrijven en toen ik enkele uren later de aan mezelf beloofde 1000 woorden had getikt, at ik een boterham en ik las een paar bladzijden in Grijze Zielen van Philip Claudel. Daar was ik gisteravond in begonnen. Veertig bladzijden lang had ik mij zitten ergeren omdat Claudel voortdurend beschrijft hoe mensen zich voelen in plaats van de lezer toe te staan die emotie voor zichzelf op te roepen aan de hand van wat er gebeurt. Aan zijn verkoopcijfers te zien zijn er heel veel mensen die daarvan houden - en daar is niks mis mee - maar ik niet.

Nu, na 1000 woorden die al dan niet ooit in boek 2 zullen opduiken, vond ik die paar bladzijden die ik las behoorlijk goed. Dat irriteerde mij.

De voorbije tijd heb ik veel gelezen. De laatste vier boeken die ik las vond ik alle vier geweldig: De Metsiers (Claus), Pan (Knut Hamsun), Nooit meer slapen (W.F. Hermans) en Kaas (van Elsschot uiteraard, ik had het als scholier gelezen, toen vond ik er niks aan en ik begrijp nu perfect waarom en ook waarom ik het nu meesterlijk vind).

Voor ik aan Hoe ik nimmer... begon had ik jaren niet gelezen. Niet dat ik daar trots op ben. Het is slechts een feit. Sommigen zeggen dat het een voordeel was. Wat alleszins klopt is dat ik door veel (goeie) boeken te lezen nu beter denk te weten hoe ik wil schrijven terwijl tegelijkertijd de praktische uitvoering mij moeilijker toeschijnt. Ook dat was vorige keer precies omgekeerd. Zo blijft het nog wel een tijdje boeiend, zou je denken.

Opwinding.

‘Je windt je veel vaker op dan vroeger,' zei Liefje. Daar moest ik even over nadenken.

In de afgelopen maand heb ik me twee keer opgewonden. Eén keer omdat een werver van VSO Nederland mij met leugens (‘De hele straat heeft besloten samen deze actie te steunen. U weet van niets? Oh, wat gek!') tot een donatie probeerde te verleiden. Eén keer omdat het amateurisme van de Belgische overheid mij verhindert op 13 juni te kunnen stemmen.

Dus ja. Dat was twee keer meer dan gewoonlijk. Is het omdat ik plots geëngageerd in het leven sta? Of omdat het kan? Sinds Twitter, Facebook en blogs is een mening hebben en jezelf opwinden erg makkelijk geworden, voor iedereen. Vroeger gebeurde er iets, als het je interesseerde vormde je er een mening over, die mening werd soms een overtuiging en als de overtuiging sterk genoeg was, ging je middelen zoeken om haar te uiten. Vandaag heb je middelen in overvloed, de hele tijd. Dus je gaat al gauw op zoek naar een mening om te kunnen communiceren. De cyclus heeft zich omgekeerd.

Ja, dat moest het zijn. Het was een teken des tijds. Het lag niet aan mij. Ik was slechts een mens.

Aan de andere kant van de kamer stond Lola bij het bed van haar poppen. Ze wond zich op, priemde met haar vinger in hun richting en zei op een toon die mij bekend voorkwam: ‘En nu wil ik niks meer horen!'

Verslagen zakte ik weg in mijn zelfbeeld.

Een beetje pissed off op België.

Slechts een goeie 40.000 Belgen in het buitenland hebben zich laten registreren om hun stem uit te brengen bij de komende federale verkiezingen op 13 juni. In 2007 waren dat er 120.000. Rara hoe kan dat?

In België geldt stemplicht. In 2003 ontdook ik ongewild die stemplicht omdat ik niet ingeschreven stond bij de Belgische ambassade. Belgische en Nederlandse lokale overheden wisselen geen gegevens uit. Dus men vond mij niet. Overigens is het voor Belgen in Nederland niet verplicht zich bij de ambassade in te schrijven. Alleen stemmen dus wel. Ja, gekkenhuis.

In 2007 heb ik gestemd. Want ondertussen had ik mij wel ingeschreven. Ik werd per brief uitgenodigd mij te registreren als kiesplichtige en vervolgens deed ik mijn plicht.

Maar dit jaar vernam ik niets van de Ambassade. Toen wees mijn moeder mij op bovenstaand bericht. Ik ging op onderzoek uit. Toen vond ik dit bericht uit De Morgen van 11 mei:

Omdat de termijn waarop de Belgen in het buitenland zich voor de verkiezingen kunnen registreren door de vervroegde stembusgang bijzonder kort is, werden ze daar niet via de post van op de hoogte gebracht, maar wel via de media, Belgische verenigingen, nieuwsbrieven van de ambassades en consulaten, e-mails aan ruim 110.000 geadresseerden....

Ik heb er in de Nederlandse media niets over gelezen. Nog eens flink na-gegoogled maar nee: voor De Volkskrant en De Telegraaf was dit niet nieuwswaardig. Goh. Verder is de Ambassade er niet in geslaagd mij te e-mailen, hetgeen niet hoeft te verbazen wanneer je een blik werpt op deze webpagina, die dateert van iets na de onafhankelijkheid in 1830. Met betrekking tot het registeren voor mogelijk vervroegde verkiezingen meldt de website niet dat er geen uitnodiging per post verstuurd zal worden, maar zegt and I quote: ‘Door de actualiteit te volgen en geregeld onze website te checken, zal niemand verrast worden.'

Belgische overheid, WHAT THE FUCK bedoelt u? Heb ik nu niet alleen stemplicht maar ook de plicht om de actualiteit te volgen en uw middeleeuwse webpagina's tot in den treure te refreshen ‘om niet verrast te worden'? Is het niet uw plicht als overheid om de randvoorwaarden te creëren die mij in staat stellen mijn burgerplicht te doen?
Iedere e-marketeer van het derde knoopsgat weet mij te vinden en de Belgische overheid niet? De beste raad die de Belgische overheid mij kan geven om aan mijn wettelijke plicht te voldoen is ‘dat ik goed moet opletten'!? En nu? Krijg ik nu een boete?

Meer dan ooit had ik dit jaar willen stemmen. Er gaan nu 80 000 stemmen verloren. Van de 40 000 die zich wel registreerden, heeft één derde ervoor gekozen te stemmen in het kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde. Want hoe idioot ook: wanneer je in het buitenland woont, mag je kiezen in welke kieskring je stemt. Ook al woonde je vroeger altijd in Kontich-Kazerne, als je wil stemmen in Charleroi dan kan dat, als emigrant. Daarmee zijn emigrerende Belgen de enige echte Belgen - want zij kunnen als Vlaming in Wallonië stemmen en vice versa. Ik was vast van plan dat ook te doen en zoals nu blijkt: velen met mij. Je zou haast denken dat ze het erom gedaan hebben.

Het zou handig zijn als ik nog een half jaar in leven bleef.

‘Kan je nu leven van het schrijven?'

Het is een vraag die het afgelopen jaar met stip is binnen gekomen in de top 5 van Dingen Die Met Regelmaat Aan Ivo Victoria Gevraagd Worden. Sterker nog: het scheelt geen haar of deze vraag verdringt ‘In hoeverre is je boek autobiografisch?' van de eerste plaats - een kwestie van tijd.

Maar hoewel ik van het schrijven niet kan leven, is dat wel wat ik vanaf volgende week voor minstens een half jaar alleen nog maar zal doen: schrijven. In dat kader zou het handig zijn als ik dus minstens zo lang in leven blijf. U kan daar een rol in spelen.

Want mijn laatste reguliere werkopdracht alvorens het grote schrijversleven begint én waar nog kaartjes voor te koop zijn (want ik doe ook nog een werkdingetje op Lowlands maar ja) vindt aanstaande weekend plaats in de Melkweg: het Amsterdam Comedy Festival. Twee avonden lachen gieren brullen met een angstaanjagende hoeveelheid comedians uit binnen- en buitenland. Check it. En houdt u helemaal niet van lachen, besef dan dat hier indirect een schrijverscarrière mede gefinancierd wordt. U doet het dus niet alleen voor de lol, maar ook voor de kunst.

Ahum.

Wit.

Ik ging naar het toilet want het liep niet lekker tussen de fotograaf en mij en ik schatte in dat een mental break goed zou zijn voor ons beiden.

‘De fotograaf gaat witte kleren voor me kopen,' had ik Liefje verteld.
‘HAHAHA,' had Liefje gezegd. Niet omdat zij weet dat ik niet van witte kleren hou. Maar ook omdat wij een substantieel deel van onze hypotheek hadden kunnen afbetalen met het geld dat zij door de jaren heen heeft uitgegeven aan kleding die ik nooit gedragen heb. Ondertussen heeft ze er vrede mee.

In het toilet keek ik in de spiegel. Ik had tegengestribbeld, ik had het uitgelegd, ik had met expressieve mimiek uitgebeeld hoe diep ongelukkig ik was - en nu zag ik eruit alsof ik vrijkaartjes voor Sensation White had gewonnen. Dat kon geen goed teken zijn. De fotograaf had geklaagd over het verloop van de vorige sessie omdat de dame in kwestie - die ik toevallig ken - anderhalf uur in de visagie had gezeten. Daarmee ga ik ze de volgende keer dat ik haar zie flink pesten. Maar nu ik eraan terug dacht, verloste zij mij van de gewetensbezwarende gedachte een spelbreker te zijn. Ik liep terug naar de studio en trok mijn eigen kleren weer aan. De fotograaf capituleerde. De sessie ging goed. De fotograaf vertelde een mooi verhaal over kluizenaarshuizen dat ik ga pikken. We bleken een gemeenschappelijke vriend te hebben. Iedereen blij.

‘Sorry dat ik je plannetje dwarsboomde,' zei ik ten afscheid.
‘Geeft niks joh. Ik breng ze wel terug. Je hebt de labels er toch niet afgehaald hé?'
‘Ehm,' zei ik.

Stug volhouden.

Zowel het NOS-journaal als de Volkskrant zeggen dat Rutte het eerste verkiezingsdebat in Nederland gewonnen heeft. Ze baseren zich daarvoor op twee momenten.

1. Het moment waarop Rutte Cohen verweet dat Amsterdam onveiliger is geworden onder zijn burgemeesterschap.

Dat beweert Rutte al een tijdje en het is - op basis van allerlei cijfers - ook al een tijdje duidelijk dat dat niet waar is. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat Rutte dat niet weet dus laten we het zeggen zoals het is: Rutte liegt en hoopt dat wij erin tuinen.

2. Het moment waarop Balkenende Cohen aanviel op het PvdA-standpunt over het eigen risico in de zorg zonder te weten dat de PvdA dat standpunt een dag eerder al had bijgesteld. Ook Rutte kwam uit de lucht vallen.

Mijn reactie: ‘Hohohoho die Balkie en Rutte hebben zitten slapen.'
Balkie's reactie: ‘U kan toch zomaar niet veranderen van standpunt.'
Huh? Plots begrijp ik veel meer van Balkenendes beleid want hij is de mening toegedaan dat als je eenmaal een idee hebt, dat je daaraan moet vasthouden - ook als blijkt dat het een heel slecht idee is: stug volhouden!

Ik zou net heel graag willen dat politici wat vaker van mening veranderden. Maar, zoals iemand op Twitter zei: voortschrijdend inzicht noemt men nu kontdraaien. Ik ben ook maar gewoon een vlijtig integrerende, belasting betalende, allochtoon zonder stemrecht dus niemand zal ervan wakker liggen maar: ik vind dat dus jammer.

Geheimtip.

Lola Victoria en ik wandelden hand in hand het kinderdagverblijf binnen op de nonchalante edoch hartverwarmende wijze die past bij de vriendschappelijke relatie tussen vader en dochter die wij nu toch al bijna drie jaar zo succesvol cultiveren. De leidster van de groep verwelkomde ons en complimenteerde Lola met haar outfit. What's new. En dan had ze dit keer niet eens haar duikbril op. Ja, je moet durven te blijven verrassen in het leven.

Geroutineerd keuvelden de leidster en ik verder over de uitstraling van mijn dochter toen ons gesprek getorpedeerd werd door een andere moeder.

‘Ja dat doet ik dus nooit, hé, haar goeie kleren aandoen naar de crèche want hoe krijg je ze dan weer terug en ze kruipt voortdurend over de grond en ik had ze een keer een prachtig wit jurkje aangedaan en hoe dat dan terugkwam - nou - en sindsdien weet ik dus één ding heel zeker!' De andere moeder liet een stilte vallen totdat zij onze verzamelde blikken op haar gericht wist.
‘Altijd de al-ler-oud-ste kleding aan naar de crèche.' Ze fluisterde. Dit was niets minder dan een geheimtip, zoveel was duidelijk.

Ik keek naar Lola. Ik keek naar háár dochter. Ik zweeg.

Triomfantelijk.

Bonjour Congo.

Terwijl ik dit stukje schrijf kijk ik de derde aflevering van ‘Bonjour Congo'. Vandaag is Rudy Vranckx in de omgeving van Kisangani. Dat is in vogelvlucht 600 kilometer van Irumu, de plek waar mijn vader is geboren.

Het weinige dat ik weet over Congo heb ik gelezen in een bundel kortverhalen die mijn grootvader - die gewestbeheerder was in het koloniale Congo van de jaren vijftig - heeft geschreven en die een broer van mijn vader in eigen beheer heeft uitgegeven, een tijdje terug. Er waren naar verluidt uitgevers geïnteresseerd maar hij wilde de verhalen niet laten redigeren. Dat vond ik mooi. Ik heb er uit geput voor de paar fragmenten in Hoe ik nimmer... die naar de jeugd van mijn vader refereren.

Mijn vader wilde altijd nog een keer terug maar dat is niet gelukt. Een andere broer van mijn vader ging enkele jaren geleden, maar hij stond rap weer thuis. Te heftig, geloof ik. Een zus van mijn vader is er nooit weg gegaan. Maar sinds enkele weken is ze weer in België. Ze wil nog terug. Het is voor hen allen een verloren paradijs, of zo herinner ik mij dat ze erover praatten. Als kind heeft het mijn verbeeldingskracht gevoed. Ik zag hoe mij vader in de jungle tarzanesque van liaan tot liaan zweefde. Maar dan wel zoals ík hem kende: in kostuum en met een aktetas in de hand.

Momenteel heb ik een romanidee dat een trip naar Congo, voor research, zou rechtvaardigen.

‘Ik zou graag gaan,' zei mijn moeder onlangs. ‘Zou jij niet willen gaan?'
Ja, dacht ik, ik zou graag gaan maar ik ben een beetje bang.
‘Nee,' zei ik. ‘Dat is te gevaarlijk.'

De rest wordt geschiedenis.

Laat mij beginnen met iets stoutmoedigs te beweren: ik verheug mij op iedere wedstrijd van de Rode Duivels. Ie-de-re wedstrijd. Als een kind.

Het zit in ons bloed. Op een nieuwe regering. Op aquaplanningvrij asfalt. Op rechtsgeldige verkiezingen. Op een doelpunt. Op bier. Belgen hopen. Altijd. Meestal worden we teleurgesteld. Maar eens in de zoveel tijd gebeurt er iets waardoor we weer verder kunnen hopen. Meestal omdat iemand ons een glas bier inschenkt.

Ik begon mijn carrière als supporter van de Rode Duivels met een thuiswedstrijd tegen Frankrijk in de voorronde voor het WK '82. De Belgen wonnen met 2-0. Ik herinner mij dat wij teleurgesteld waren over het niveau van het spel vanuit voetbaltechnisch oogpunt. Op het WK 2002 scoorde Wilmots in de achtste finale een volkomen onterecht afgekeurd doelpunt tegen Brazilië bij een 0-0 stand. Brazilië won met 2-0 en werd wereldkampioen.

Sindsdien haal ik noodgedwongen opgelucht adem, telkens wanneer iemand mij een glas bier inschenkt.

Vanavond speelde België tegen Bulgarije. We zaten nog maar net aan tafel toen de wedstrijd begon. Na twee minuten stond ik op en ging voor het televisietoestel staan.
‘Sorry, penalty.' Ik stak mijn hand op naar Liefje alsof ik afscheid van haar nam.
Hazard miste. Daarna schonk ik mezelf een glas bier in. De rest wordt geschiedenis, ik zweer het.

Alleszins iets.

‘Wat weten wij nu dan over het leven?' vroeg de buurman.

We stonden met een glas witte wijn in het midden van de straat. Onze dochters stonden op de stoep en gooiden om beurten de bal in onze richting en wij trapten hem om beurten terug. Ik raakte Lola twee keer vol op de neus.

Af en toe verdween de zon achter een verdwaalde regenwolk. Dan werd het even kil.

De buurmeisjes kwamen voorbij gereden, met zijn drieën op een scooter, ons groetend met gegiechel. We keken hen na. We walsten ons glas. Lola viel. Ik gaf een kusje op haar knie. De dochter van de buurman wilde op een stoel gaan staan. Dat mocht niet. Daarna liepen ze achter elkaar aan het huis in want ze gingen zich stoppe. De buurman schonk de fles leeg. Er fietste een meisje met een hockeystick voorbij. Even later nog één. Op de stoep vervaagden tekeningen van krijt.

‘Ik weet het niet,' zei ik. ‘Alleszins iéts.'

Bril.

Je zou denken dat er zo iets gaat gebeuren waar ik wat mee kan, dacht ik terwijl ik van de bank weer naar huis fietste.
‘Hé mevrouwtje, loop eens wat sneller,' riep het ene moslimmeisje tegen het andere.
‘Ik had niks gedaan,' zei een zwarte man tegen niemand in het bijzonder op het Javaplein.
‘Sorry!' Een Aziatische jongen stak zijn hand op naar de Surinaamse man wiens achterwiel hij net geramd had.
Er gebeurde, kortom, helemaal niks waar ik wat mee kon. Behalve dan dat ik drie abriposters van Rayban zag.

Thuisgekomen was het huis schoon.
‘Na semana passada, eu tinha 50 € sobre a mesa para esta semana eu coloco 10 euros, certo?' vertaalde Google Translate wat ik intikte. De poetsvrouw keek mee over mijn schouder. Ik draaide mij naar haar toe. Ze knikte en lachte precies zoals ze lacht wanneer ik haar in het Nederlands aanspreek.

Over het algemeen ben ik zeer vatbaar voor rationele argumenten maar wat het integratiebeleid betreft geloof ik mijn gevoel, dat zegt dat er maar één probleem is met dat beleid: dat het er is.
Op de voorpagina van de Volkskrant bleek Arnon Grunberg het met mij eens te zijn. Meestal is het omgekeerd, en dat wil al evenmin wat zeggen.

Daarna wilde ik deze bril bestellen. Blijkt niet echt te bestaan.

GDMW.

Ik ging het eigenlijk over de kwestie Ruben vs de Telegraaf hebben maar let's face it: als wij niet allemaal de dringende behoefte zouden voelen om onze eigen originele mening te hebben, dan was het niet eens een kwestie edoch simpelweg zonneklaar.

Terzake: morgen vanavond leest uw dienaar voor op GDMW, een zo op het eerste zicht buitengewoon fijn festival met onder meer ook Tom Lanoye, Robert Vuijsje, Thomas Blondeau, Wilfried de Jong en de legendarische Vele Anderen. Ik sta om 20.40h in de Kleine Zaal, ik zou zeggen: kom ook! Sterker nog, ik heb - zieligaard die ik ben - nog niemand om op de gastenlijst te zetten dus how about dat ik er gewoon iemand sympathiek op zet, bijvoorbeeld: u?

Geboren winnaars mailen naar ivo[at]ivovictoria.com en laat ons zeggen dat ik de 3e email die ik ontvang beloon met 2 vrijkaartjes. Hoppa!

Hoop doet mij ieder keer weer de das om.

Gisteravond zag ik hoe Louis Theroux viel voor Haley, een prostituee-met-alcoholprobleem. Louis wilde haar op het rechte pad brengen. Het was een kansloos geval. Met de minuut zag je Theroux' verlangen groeien om dit zieke vogeltje in een bed van watten te leggen en bij te voederen tot het op eigen kracht weer verder kon vliegen.

Zelf heb ik het bij Laura Dekker. Jong, onbesuisd, egocentrisch, vroeg volwassen, getalenteerd - als ik 15 was, ik was verliefd op Laura Dekker. Kansloos verliefd uiteraard want ik kan niet zeilen. Ik zou het wellicht weer op intelligentie proberen. Ik zie überhaupt de point er niet van in om de natuur te proberen mijn wil op te leggen, om te beginnen omdat ik niet dood wil. Uiteraard ga ik wel dood, straks. Dat weet Laura Dekker dus al op haar veertiende: dat mijn strijd zinlozer is dan de hare.

Tanja Nijmeijer. Zie haar lachen op die foto's als was ze op scoutskamp, de arm van een vakantieliefde om haar schouders. Er is niets aan de hand. Dit is slechts een uit de hand gelopen wereldreis. Straks komt ze naar huis en alles zal weer zijn zoals het was.

Ik kan er niks aan doen. Hoop doet mij iedere keer weer de das om.

De afgrond is een ansichtkaart.

De beurzen reageren positief dus totdat de beurzen weer negatief reageren, zijn we gered. De voorbije jaren hebben wij vaak moeten horen en lezen dat wij ons op de rand van de afgrond bevonden. Het resultaat voor zover ik het kan overzien: we zijn niet meer zo snel onder de indruk.

Zevenhonderdvijftig miljard. De poetsvrouw kwam net langs met een heel groot stof en blik. Nu is de kamer schoon, bedankt, tot volgende week.

Er kwam wijn op tafel. Iemand wenste te betwisten of onze bank wel op de juiste afstand van de flatscreen staat. Iemand schonk de wijn. Iemand las de krant voor en gaf hem door. Iemand gokte goed. Niemand was onder de indruk. De afgrond is een ansichtkaart van een plek waar alleen andere mensen heen gaan.

De Grote Wielershow Prijsvraag.

Aanstaande zaterdag begint de Ronde van Italië en dat doet de Ronde van Italië in Amsterdam. Yep. Ik vind die hele internationalisering van grote wielerrondes een ontzagwekkende hoop achterlijke flauwekul maar als het er, zoals nu, voor zorgt dat ik op artistiek verantwoorde wijze kan schnabbelen dan juich ik het van harte toe.

Terzake: vrijdag en zaterdag speelt in De Brakke Grond: De Grote Wielershow. Een talkshowachtig feest met tal van mensen die een reputatie te verdedigen hebben waar het de wielersport betreft zoals Rick De Leeuw. Geen idee wélke reputatie Rick met betrekking tot de koers precies te verdedigen heeft maar ter compensatie zijn ook Adri van der Poel (dé Adri van der Poel) Freddy Missotten (ex-bondscoach van de Belgische wielerploeg) en Carl Berteele (verslaggever-op-de-motor) van de partij. Daarnaast columns van wielerminnende vrouwen als Renske de Greef en Hannah Buenting. En ondergetekende. Ik mag aan de zijde van mijn goede vriend Bart Klein - wereldberoemd in Vlaanderen dankzij rollen in genredoorbrekende tv-series en tevens een niet onverdienstelijk stofzuigerverkoper - een persiflage proberen te geven van hersendodend wielercommentaar zoals Michel Wuyts of Maarten Ducrot dat door de jaren heen hebben geperfectioneerd. Goed mogelijk dat wij erover kletsen, tenzij we plafonneren natuurlijk.

U moet komen. Sterker nog: ik heb hier 2x2 vrijkaarten liggen voor elke avond en die geef ik aan de eerste vier mensen die mij ongelofelijk enthousiast emailen op ivo[@]ivovictoria.com

Hoe moeilijk kan het zijn.

Goud.

Enkele maanden geleden zag ik een documentaire over de kredietcrisis. Er kwamen experts aan bod, mensen die jaren, zoniet decennia vooruit trachten te denken. Verschillende onder hen zeiden dat er in 2010 een tweede, veel grotere crisis zou uitbreken, en dat die zou beginnen met een land dat failliet gaat. Een relatief klein land, zeiden ze er nog bij. Eentje waar je het niet van verwacht en om redenen die je niet kon voorzien.

So far, so good.

Eén van die experts was een dikke, oude man in kostuum. Hij haalde een klein klompje goud uit zijn broekzak en gaf de kijker thuis een advies: ‘Buy gold, buy copper.' Hij woog het klompje in zijn hand en keek recht in de camera. Sindsdien denk ik erover om goud te kopen. Uiteraard zal ik daar net zolang over nadenken tot het te laat is en mijn spaargeld verdampt want ondanks het succes, zal ik altijd mezelf blijven.

Tevens las ik in Vrij Nederland een column van Frank Kalshoven. Die adviseert ons niet om goud te kopen. Maar simpelweg om te kopen. Dus zonet ging ik naar de kapper en daarna kocht ik twee dure broeken in een winkel waar ze mij altijd aankijken alsof ik blij mag zijn dat ze de beveiliging niet bellen. De ene broek is zwart en doet mijn kont er tien jaar jonger uitzien. De andere broek is donkerblauw en doet niets bijzonders met mijn kont.

Terwijl ik afrekende, sloeg een bouwvakker op straat een voorbijganger met een stuk hout. Er ontstond rumoer. Ik drukte op enter. Goud, dacht ik. Goud kopen en mezelf blijven, meer kan er van mij op dit moment niet verwacht worden.

5 mei.

België werd bevrijd ergens tussen begin september en begin oktober 1944, op wat kleine lapjes Ardeense grond na. Pas eind januari 1945 was het land volledig bevrijd. In Nederland capituleerde de Duitse bezetter op 4 mei. Klaar. Zo lijkt het.

Is het de volksaard? Heeft het uitgebreid vieren van historische gebeurtenissen te maken met het vermogen abstractie te maken van alles wat vooraf ging en te focussen op het eindresultaat?
Of is het typisch Belgisch om de bevrijding niet te vieren, omdat men er met de kennis van nu gemengde gevoelen bij zou kunnen hebben? Grapje, hoor.

Ook typisch: in Nederland gaat het alsmaar over het verzet tijdens de oorlog terwijl men het in België maar blijft hebben over de collaboratie. Nochtans meen ik begrepen te hebben dat er helemaal niet meer georganiseerd verzet was in Nederland dan in België. Verraad én verzet bestond in beide landen, in dezelfde verhouding. Of zoals ik wel eens tegen achterdochtige Antwerpenaren zeg: Nederlanders zijn ook maar mensen.
Waargebeurde anekdote uit het boek van Geert van Istendael: toen de Duitsers Nederland binnenvielen, werd hen door behulpzame grensbewoners de weg naar Amsterdam gewezen. De Belgen daarentegen, hadden alle wegwijzers naar Brussel de verkeerde kant op gedraaid. Kijk, dat is een verschil dat wat mij betreft gevierd zou mogen worden.

Duif.

Ik stond op straat te roken want ik was te vroeg. Zoals alles wat wij doen, komt roken voort uit verveling. Mensen die niet roken doen gewoon wat anders.
Er kwamen twee Afrikaanse meisjes en hun vader mijn kant op gelopen. Eén van de meisjes had een witte duif in haar handen.
‘Wat zielig dat hij geblesseerd is,' zei ze toen ze mij zag staan. Enkele meters verderop, bij een steeg, hielden ze halt.
‘Gooi dan,' zei de vader. De meisjes giechelden en jammerden.
‘Gooi dan. Op het dak,' zei de vader. Hij wees naar het dak van de laagbouw die aan de steeg grensde. De meisjes telden af.
‘Drie, twee, één!' De duif viel achter een vuilniscontainer.
Nu lagen de vader en de meisjes op de grond en ze grabbelden naar de duif tot ze hem te pakken hadden. Opnieuw nam de ene de duif in haar handen terwijl de andere met haar mee jammerde.
‘Zielig!' riepen de meisjes.
‘Gooi dan,' zei de vader. Hij keek om, naar mij. De meisjes keken ook. Ze aarzelden.
‘Heb je geen pen,' zei het ene meisje, ‘dan schrijf ik onze naam en telefoonnum...' De vader griste de duif uit haar handen, keek mij opnieuw even aan, gooide het dier op het dak van de laagbouw, draaide zich om en liep verder.