Een mooie k-nacht.

Om half twee vannacht stond ik in een file nabij het Zuidplein in Rotterdam. Lijdzaam schoof ik aan. Voor mij een busje vol oranje mensen. Zij schoven niet lijdzaam aan. Zij zongen, raampje open, luidkeels mee met het soort levensliederen dat Nederlanders zo graag beschouwen als uitingen van vaderlandsliefde.

Het was een mooie avond geweest. Dankzij o.m. Wilfried de Jong, Mart Smeets en Freek de Jonge bevond ik mij tijdens de twee voorstellingen van De Muur on Tour in het buitengewoon charmante WalhallaTheater niet alleen in goed gezelschap, maar ook in mijn geliefde underdogpositie. Ik las een fragment voor uit het verhaal dat ik vorig jaar in de Muur publiceerde en liet dat samen met het geweldige Ocobar naadloos overvloeien in een versie van ‘De Rode Vod', een prachtig lied van Alex Roeka. Ik was vergeten hoe fijn het is om met een goeie band te mogen zingen. Toen we het publiek groetten, voelde ik de arm van Mart Smeets op mijn rug rusten.
‘Zo, Ivo Victoria,' dacht ik bij mezelf. ‘Wat gaat er nu door je heen?'

De file schoof verder. Het busje voor me wiebelde. En toeterde. We werden langs de rood-witte kegels geleid en tot stilstand gebracht. Ik rekende uit dat ik sinds vijf uur 's middags zes biertjes en vier glazen water gedronken had.
‘Helemaal goed meneer,' zei de agent nadat ik geblazen had. Ik reed verder. Enkele meters verderop stonden wat oranje mensen in korte broek verweesd voor zich uit staren langs de kant van de weg. Daarna werd ik ingehaald door een agent die een leeg busje naar het parkeerterrein reed.

Nobele onbekende.

De laatste keer dat ik als zanger optrad voor een levend publiek was op 25 september 2005 tijdens een huiskamerconcert in Berchem alwaar een nobele onbekende genaamd Milow mij moeiteloos van de eikenhouten vloer speelde. Een dikke maand later startte ik dit weblog.
Eerder schreef ik daarover op deze plek: ‘Toen ik mijn gitaarkist in de auto zette, besloot ik te kiezen voor de makkelijkste manier om niet te falen: stoppen met proberen.'
Een bedenking die, als ik mij niet vergis, in verkapte vorm nog Hoe ik nimmer... gehaald heeft. Voor wat het waard is.

Dit alles geheel terzijde want de voorbije dagen heb ik weer dagelijks de gitaar ter hand genomen om te oefenen op het liedje dat ik vanavond ga zingen met Ocobar tijdens de voorstelling van De Muur on Tour. Deze keer mag ik de nobele onbekende uithangen tussen Freek de Jonge, Gerrit Solleveld, Mart Smeets en Wilfried De Jong in. Helaas heb ik meer ervaring met het leegspelen van zalen dan met het van het podium spelen van helden.

Ook weet ik weer wat de andere reden was om te stoppen met muziek spelen. Om de files te ontwijken vertrek ik rond een uur of twee vanuit Amsterdam zodat ik vanmiddag kan doen wat ik naar mijn gevoel onuitstaanbaar vaak gedaan heb in mijn leven: veel te vroeg arriveren op een plek waar ik niemand ken, en dan wachten op de soundcheck. Zin in!

Recht op intuïtie.

Ik hou niet van tendentieuze berichtgeving maar het wordt stilaan toch gepast ons af te vragen hoe Geert Wilders precies zijn sollicitatiegesprekken voert. Iedereen verdient gelijke kansen maar wie zich bij mij meldt met de openingszin "Hoi, ik ben 28 jaar, student en ik run een bedrijf met de naam Trans Nafta dat steenkoolhandel tussen Rusland en Europa bedrijft" hoeft niet te rekenen op een uitnodiging voor een tweede gesprek. Dat soort 'ondernemers' hoort thuis in slechte B-films net zoals iemand die Willie Dillie heet beter een rolletje in een stripverhaal zoekt. Ok, Dille. Ze heet Dille. Maar in mijn hoofd wordt dat dus meteen Willie Dillie en ik zou nooit vertegenwoordigd willen worden door een mislukte alliteratie.

Iedereen is vrij steenkoolhandel te bedrijven met Rusland, een wapenvergunning aan te vragen, of te dromen van een carrière als gezinspsycholoog. Op elke lijst van elke partij staan er wel een paar en die mogen Wilders dankbaar zijn.

De meeste mensen willen graag dat politici handelen in het belang van het land, gebaseerd op rationele, formeel correcte overwegingen. Zelf zou ik ervoor willen pleiten politici wat meer onredelijkheid en intuïtie te gunnen.

Als ik al met één blik op een foto van Gidi Markuszower kan zien dat het foute boel is. Of dat Emile Roemer een kansloze keuze is van de SP wegens de uitstraling van een bankbediende die niet durft mee te doen aan casual friday. Dan lijkt het me rechtvaardig hetzelfde te verwachten van de toekomstige leiders van dit land. Het is te trainen, zoals we ondertussen weten.

Belofte: de dag dat een Nederlandse minister besluit niet deel te nemen aan een internationale militaire missie omdat hij 'aan zijn water voelt er iets niet helemaal in de haak is', start ik de naturalisatieprocedure.

Duikbril.

Ik kan natuurlijk ook gewoon een dag geen stukje schrijven. Maar op de een of andere manier zit dat er momenteel gewoon niet in. Ik moet. Van niemand. Maar ik het moet het. Dus.

Er zijn lulliger dingen. Zoals geel krijgen in de halve finale van de Champions League waardoor je de finale mist.

En je weet nu al: dit stukje wordt uiteraard drie keer niks. Het heeft geen functie, het zou me sterk verbazen als er nu nog een zin komt die ergens toe doet, laat staan het onthouden waard is - voor u, voor mij. U bent misschien geneigd er anders over te denken maar vooral voor mij is dat jammer. Ja, ga nu maar alle stukjes van de voorbije vier weken maar weer opzoeken en uzelf afvragen of daar dan wél memorabele zinsneden in voorkwamen. Ik merk het wel aan mijn pageview statistieken.

Anyways. Waar ik uiteindelijk vooral benieuwd naar ben is of Lola Victoria, morgen, wanneer ik ze met de fiets naar de crèche breng, weer haar duikbril opzet.

Warmte, harmonie en een vrij perfecte paardenbiefstuk.

Dus daar stond ik, in het hol van de leeuw die België dreigt te verscheuren. En verdomd als het niet waar was: Vilvoorde vierde feest. Met schaamteloos satanisch genoegen stond de kermis te loeien op het plein.

Mijn gastheer nam me mee naar restaurant De Kuiper. Paardenbiefstukken sinds 1859. Houten lambrisering, een patron met een schort die ons kwam groeten, de moeder van de patron gedachteloos glimlachend naar iedereen, handgesneden frieten, salade met mayonaise, bier.

Naast ons een tafel gezelligheid met als uitblinkers een blonde vrouw die haar onderste snijtanden miste en haar man, die te pas en te onpas een kleine hond boven de tafel liet vliegen. In de loop van de avond werd ons gesprek drie maal onderbroken omdat iemand mijn gastheer kwam groeten. Kortom. Warmte, harmonie, en niet te vergeten: vrij perfecte paardenbiefstukken.

Mijn gastheer vertelde dat er ruzie wordt gemaakt als een winkelier een Franstalig A4-tje voor het raam durft te hangen. Hij omschreef de sfeer in Vilvoorde als 'gespannen'.

Ex-Joegoslaaf.

"Commentatoren verwachten niet dat een ontvlechting van België snel aan de orde komt, maar de geest wordt er rijp voor gemaakt."

Mooi woord, ontvlechting.

Tevens wordt de kwestie BHV vergeleken met de tak van een boom die over de scheidingsmuur met de buren hangt. Er is niks aan de hand, maar zeg er wat van en voor je het weet sla je elkaars hoofd in. Ik heb Belgische vrienden die kwaad worden wanneer ik deze visie onderschrijf. Het verschil tussen hen en mij is: zij staan op de grond en ik kijk op de luchtfoto.

Ik had nooit eerder de mogelijkheid overdacht dat ik als opa mijn kleinkinderen zou moeten vertellen over een land dat België heette. Vroeger waren de Rode Duivels mijn enige argument tegen een onafhankelijk Vlaanderen. Nu is het mijn enige argument vóór. Het is gekomen met de jaren.

Al zie ik de romantiek er wel van in, mijn oude dag te slijten als een soort ex-Joegoslaaf. Op 21 juli drapeer ik de nationale driekleur over de rugleuning van mijn rolstoel en bij elke aankoop in de winkel vraag ik onverstoorbaar naar de prijs in Belgische franken.

Borrelnootjes.

Als ik het artikel in de Volkskrant van vandaag goed begrepen heb, is de politieke stabiliteit van mijn vaderland vandaag de dag afhankelijk van borrelnootjes.

Ik kijk daar niet van op. Ik heb tal van crises in mijn leven tot een goed einde gebracht door het tijdig aanbieden van borrelnootjes. Het zou mij niet verbazen als het ook voor een land uitstekend werkt. Maar ik vrees ervoor. Want het gaat niet om de borrelnootjes, het gaat om de hebzucht.

In België is er te veel begrip voor hebzucht. Dat Dick Advocaat in Rusland veel meer geld kan verdienen dan in België, begrijpt men. Het verwijt betreft gebrek aan loyaliteit. Ik vermoed dat dit een geval van projectie is. Gebrek aan loyaliteit wordt niet zelden veroorzaakt. Het is een conclusie. Hebzucht, daarentegen, is over het algemeen een onherstelbaar gebrek.

Zondagavond ga ik uit eten. In Vilvoorde. Ik kijk uit naar het aperitief.

Tango.

Bij zijn ontstaan was de tango zacht, sensueel, gevoelig. Daarna werd hij harder, strak, ritmisch, als fascisme! De interviewer bewoog wild zijn armen bij deze constatering.
Tegenover hem zaten drie Argentijnse muzikanten. Hun gelaat, als een gestroopt konijn, ontdaan van elke emotie.
‘Wat is er gebeurd met de tango?’ De journalist stond voor een raadsel. De muzikanten keken naar de grond.
‘Wat is er gebeurd met de wereld?’ mompelde één van hen.

Zaman.

Een topvoetballer die als kind een ernstig auto-ongeluk overleefde, trouwt met een Algerijnse vrouw en bekeert zich tot de Islam. Zijn carrière verloopt voorspoedig. Aan de vooravond van het wereldkampioenschap voetbal – waarvoor zijn land zich plaatst door een alleen voor de scheidsrechter onzichtbare handsbal – geraakt hij in opspraak wanneer de politie hem meeneemt voor verhoor.

In een Parijse nachtclub, de Zaman genaamd, wordt een minderjarig Marokkaans meisje gedwongen zich te prostitueren. De eigenaar van de nachtclub geniet enige landelijke bekendheid omdat hij er met de regelmaat van de klok in slaagt zich te kwalificeren voor talentenjachten op televisie. Zijn club wordt gefrequenteerd door politici, televisiepersoonlijkheden en topvoetballers. Eén van hen heeft vreselijke littekens in het aangezicht, zo zal het Marokkaanse meisje later aan de politie vertellen.

Wat vindt u van de synopsis van mijn nieuwe roman tot dusver? Het enige wat ik nog mis, is een personage met een afwijking. Smetvrees, bijvoorbeeld.

Ik...

...stond in een café en er kwam veel bier in rap tempo mijn kant op. Dat gebeurt mij veel te weinig sinds ik in Amsterdam woon dus ik hoop op het begin van een trendbreuk. Jan vierde zijn verjaardag en hij vertelde dat zijn voetbalteam er was en hij wees ze één voor één aan en er zat een Vlaming tussen.
‘Vanwaarzijdegij?’ vroeg de Vlaming. Ik zei dat ik van Antwerpen was.
‘Van Antwerpen zelf?’ Ik zei dat ik van Edegem was maar dat ik lang in Antwerpen gewoond had.
‘Haha.' De Vlaming lachte. ‘Het direct goe willen maken, hé, haha.’
En ik lachte groentjes mee en er kwam meer bier en Jan vertelde van die keer dat ze ’s middags moesten spelen en van 1-3 achter terugkwamen tot 4-3 winst en hoe het overvolle terras langs het veld gejuicht had alsof ze de Europacup gewonnen hadden. Jan speelt in het vierde elftal.
Ooit speelde ik in het tweede van de legendarische KFC Michiel. Als wij om half elf het bijveld opliepen voor de opwarming stonden de oude mannen langs het hoofdveld te kijken naar de veteranenwedstrijd voor ons en dan liepen wij langs hen heen. Wanneer wij aftrapten, gingen de oude mannen bier drinken en ze kwamen pas terug voor de tweede helft. En terwijl Jan mij een glas bier toeschoof, herinnerde ik mij hoe ik op een zondagochtend in de laatste twintig minuten een zuivere hattrick scoorde en daarna door overmoed nog een penalty miste en dat de volgende zondag, toen ik aankwam voor de wedstrijd, alle oude mannen langs de lijn mij een hand gaven.

Pirouettes.

De man die ik in de achteruitkijkspiegel naar me toe zie lopen mist een arm. Iets zegt me dat het een keuze is. Kan natuurlijk niet. Of wel? Soms zie je mensen waar iets aan mist zonder dat het ook maar een moment in je opkomt dat ze invalide zijn. Hun gebrek is een statement en de snelle blik die je op hen werpt verraad je.

De man draagt een topje; een groen, mouwloos t-shirt, met een vaag motief erop gedrukt. Hij heeft het opgerold tot vlak boven zijn navel. Een magere buik vol haren. Hij houdt halt ter hoogte van mijn auto en kijkt me net te lang aan. Dan loopt hij mij voorbij, haalt een winkelwagen uit de stalling en kijkt nog één keer achterom voordat hij verder wandelt door de lege parkeergarage, als door de lentezon, het karretje begeleidend en met die ene arm verleidend tot sierlijke pirouettes.

Niemand is mijn moeder.

Ik had niet gehoord wat het jongetje had gezegd. De vrouw voor mij wel maar die had dan ook een roze joggingpak aan.
‘Je moet aardig zijn tegen je moeder,’ zei ze.
Het jongetje lachte schaapachtig. Zijn moeder, een naar mijn gevoel behoorlijk Nederlandse dame met een naar mijn gevoel behoorlijk islamitische hoofddoek op, gaf hem een liefkozende klap op zijn achterhoofd. De vrouw voor mij, evenwel, ging door.
‘Je moet aardig zijn tegen je moeder, dat is heel belangrijk hoor, dat je aardig bent. Voor je moeder.’
Nu was het de beurt aan de dame met hoofddoek om schaapachtig te lachen.
‘Dat is mijn moeder niet,’ zei het jongetje. ‘Niemand is mijn moeder.’

Cadans.

Na een meter of honderd verschenen de eerste zwarte vlekken, linksonder in mijn zichtveld. Op de brug naar het KNSM-eiland hoorde ik mijn kuitspieren en dijen kraken terwijl mijn luchtwegen zichzelf hardop afvroegen: 'Wat zou hij daar toch mee bedoelen, met 'een regelmatige ademhaling'?'

Maar zie, ergens halverwege de Sumatrakade, wind pal op kop, vond ik hem terug: mijn goede vriend van lang geleden, cadans genaamd. Prompt begon mijn rechterknie op te spelen.

Op de middelbare school was ik gedurende enkele jaren de alleenheerser van mijn klas daar waar het de middellange afstandsloop betrof. Vanaf de eerste kilometer aan kop sleuren en in de laatste, wanneer het geloof van de zuchtenden in mijn zog al te groteske vormen begon aan te nemen, nog eens flink versnellen. Heerlijk. Maar vanaf het vijfde jaar werd ik keer op keer op minuten gelopen door een voorheen onopvallende zwoeger. Ik dacht aan doping. Tot bleek dat die jongen tijdens de zomervakantie was beginnen trainen. De sukkel.

Anyways. Op de kop van het Java-eiland deed ik enkele stretchoefeningen. Een typisch gevalletje van jezelf keihard uit je cadans halen. De rest van het parcours stelden ik en mijn rechterknie onszelf slechts één vraag: waarom?

Of zou het toch waar zijn: dat wij uiteindelijk alles wat wij doen, doen om onszelf terug te vinden zoals wij lang geleden waren?

Volondat.

De recensent omschreef Sergei Katsjatrian als de ‘Lionel Messi van de viool’. Een compliment voor Sergei, een compliment voor Messi, een compliment voor de recensent – want ik geloof niet dat het in klassieke kringen bon ton is om violisten met voetballers te vergelijken. Op slag dacht ik aan de Franse pianist Pièrre-Alain Volondat.
 
Ik ken de Koningin Elisabeth-wedstrijd voornamelijk van alle avonden dat ik als jongen geen voetbal mocht kijken op televisie omdat mijn moeder geen recital wilde missen. Ik zette mij mokkend op de bank met een boek en luisterde of keek zo uitdrukkelijk mogelijk niet naar de uitzending.
Behalve in 1983 – toen Volondat de eerste drie prijzen won. Wijd opengesperde ogen, hevig transpirerend, ziekenfondsbrilletje, traag het podium op marcherend als een emotieloze soldaat; vervolgens flamboyant, manisch spel, alsof er demonen bedwongen dienden te worden, een psychiatrische patiënt met de emoties van een gedrogeerde, egocentrische rockster. Met de kennis van nu zou ik zeggen: Volondat was de Maradona der pianisten. Een groot filosoof ook, net als Diego. Ik was direct fan. En net zoals bij Maradona kwam na de glorie, het verval.
 
Volondat geeft nu les op de muziekschool van Montmorency. Hij acteert niet onverdienstelijk in de plaatselijke toneelgroep. Zijn favoriete tv-personage is Inspecteur Colombo. Een tijdje geleden zag ik hem in een documentaire piano spelen – nog altijd weergaloos, wild.  
 
Over zijn beklemmende verschijning in 1983 zei hij: ‘Ik liep langzaam om de angst te bedwingen’.
 
Ik hoor Messi zoiets niet zeggen. Om van Sergei Katsjatrian nog maar te zwijgen.

Goed geschreven onsamenhangende vage shit.

Daar zaten we, in een museum, te Oss: veertig mensen die niks gaven om Parijs-Roubaix en ik. Op het moment dat Cancellara demarreerde, begon de voordracht.

Paul De Reus, de kunstenaar, was aanwezig. Het was moeilijk te zeggen of hij blij was met de verhalen die Nelleke Zandwijk en ik op basis van zijn tentoonstelling geschreven hadden. Daarvoor zei hij tijdens het tafelgesprek net iets te vaak dat hij het leuk vond. Het uitleggen van wat waarom en hoe was hem overduidelijk een martelgang. Ik begreep hem.

Het verhaal dat ik schreef heet ‘Dolende’. Nieuwsbriefleden krijgen het ooit in de mailbox. Aanvankelijk was ik ontevreden over het verhaal. Onsamenhangende, vage shit. Goed geschreven onsamenhangende vage shit – dat dan weer wel. Maar de deadline naderde dus ik leverde het in. Naast zin voor zelfkritiek draag ik het nakomen van afspraken hoog in het vaandel. Vervolgens bleken een boel mensen, waaronder ook verschillende mensen wier mening ik serieus neem, het een heel goed verhaal te vinden. Hetgeen het uitleggen van wat waarom en hoe er niet makkelijker op maakte. En hetgeen mij aan het denken zet, met het oog op boek 2 waarvan het schrijven op dit moment het best te vergelijken valt met het dronken door een mij onbekend, horizonloos, leeg landschap zwalken: ik heb veel lol maar ik weet nauwelijks waar ik ben, laat staan waar ik naartoe ga.

Aan het eind van het gesprek had Cancellara drie minuten voorsprong en toen moest de uitslag van de verhalenwedstrijd nog volgen. Na het beluisteren van de drie beste inzendingen, vond ik het zo vanzelfsprekend dat Eva Mouton zou winnen dat ik vergat haar te feliciteren.

Daarna kreeg iedereen bloemen.

Beroepshalve verliefd.

Vanaf vandaag ben ik beroepshalve verliefd op Eva Mouton. Of ik ook zonder er een vergoeding voor te ontvangen verliefd zou kunnen zijn op Eva Mouton is moeilijk te zeggen zonder het gezinsleven ten huize Victoria te onwrichten. Het is ook nog niet duidelijk of Eva Mouton verliefd is op mij, beroepshalve dan wel uit vrije wil. Dat wordt in de komende weken duidelijk.

U kan onze briefwisseling volgen op de website van 1001 Liefdes. Ik kan niet deeplinken omdat de verder lieve mensen van 1001 Liefdes het onzalige idee hebben gehad hun website in flash te bouwen. Dat zou bij wet verboden moeten worden. Maar goed. Klik HIER en dan linksonder op het woordje gluren.

Ik ben nu in bange afwachting van haar antwoord. Ik hoef niet meteen te scoren - de briefwisseling duurt tot begin juni. Tegen die tijd moet Eva Mouton zot van mij staan. Dat lijkt me mooi, zo aan het begin van een lange, hete zomer.

De Ingreep.

Ik weet dat weinigen onder u op regelmatige basis overvallen worden door het verlangen om naar Oss te reizen. Dat hoeft ook niet. Eén keer is ruim voldoende. Zelf ga ik - het lot tartende - aanstaande zondag voor de twééde maal in mijn leven naar Oss. En Lola gaat weer mee.

Een beangstigende belediging.

Ik wilde nog iets zeggen over dat Wikileaksfilmpje. Voor een Amerikaanse soldaat is oorlog dus niets meer dan een real life videogame. Dat is op zich niet zo verwonderlijk. Maar het is wel een beangstigende belediging aan het adres van een tegenstander die van nature toch al fanatieker is.
 
Mensen die er verstand van hebben zeggen dat soldaten die cynische grapjes maken uit zelfbescherming – om de echte emoties uit te sluiten. Ik vrees meer voor de afwezigheid van die emoties, of van een geloof in wat dan ook. Op de een of andere manier heb ik moeite om mij een Talibanstrijder voor te stellen die op dezelfde videogamende wijze de eer van Allah verdedigt.
 
Ik weet niet goed wat gevaarlijker is: soldaten die bereid zijn zichzelf op te blazen omdat ze geloven in een hogere macht die niet bestaat, of soldaten die het leven zien als een videogame, bij gebrek aan dat geloof.

Ivo Victoria en de wondere wereld der dichtkunst.

Ergens in de nazomer van 2008 blogde ik hetvolgende stukje waarnaar ik helaas niet meer kan linken omdat PivotX - de verder fijne software waarmee deze website gebouwd is - de gewoonte heeft om zo af en toe volautomatisch blogjes uit het archief te verwijderen met de willekeur van een videogamende Amerikaanse militair. Maar goed ik blogde dus dit:

Ik geloof dat het Ellingmann was die een tijd geleden, toen Vandenb voor de 27ste keer in 3 dagen tijd van layout veranderd was, uitriep : 'Gooi die comments dicht, Walter. Het levert niks op.'  Maar soms. Zo klikte ik vanuit een comment rechtstreeks door naar het fijnste weblog dat ik in tijden ben tegen gekomen: Gemarkeerd, van Dimitri Antonissen, u kent hem van Boekblog. Een simpele vondst, geestig en ontroerend uitgevoerd; ik wou dat ik het kon.

En nu is er de dichtbundel. En de dichtbundelpresentatie waarvoor Dimitri mij vroeg als gastspreker. Gezien mijn wijd en zijd bekende staande, ja haast encyclopedische kennis van de dichtkunst, zou dat zomaar eens gezellig kunnen worden. Kom erbij, morgenavond vanavond in Perdu!

Het kan een keer gebeuren.

Toen ik het tuincentrum uit liep, zag ik een man met een kind bij de wagen naast de mijne om zich heen kijken. Het portier stond nog open. Als jonge ouder weet ik dat zulke dingen enkel gebeuren wanneer de eigenaar van het voertuig naast je er net aan komt.

‘Hij deed de deur open, zonder kijken,’ zei de man.
Ik knikte. Samen keken we naar een kras van drie millimeter bij drie millimeter. Ik wreef er met mijn vinger overheen. Hij wreef er met zijn vinger overheen. Het was een kras. De moeder stapte nu ook uit de auto.
‘Sorry,’ zei de vader.
‘Sorry,’ zei de moeder.
‘Wat zeg je tegen die meneer,’ zei de vader.
Het was een witte BMW, van het hummer type. Auto’s voor mensen die gewend zijn dat alles te koop is, ook en misschien wel vooral persoonlijkheid. Het jongetje keek uitdrukkingloos voor zich uit.
‘Het spijt hem,’ zei de vader.

De man keek me aan als een schuldenaar. Ik was klaar voor het nekschot. Er was hier een fout begaan, ik was ten prooi gevallen aan onrecht veroorzaakt door een verkeerde levenshouding. Maar toen, om onverklaarbare redenen, won mijn desinteresse voor de toestand waarin mijn wagen zich bevond het van mijn dwangmatige hang naar wat de fascist in mij ziet als rechtvaardigheid. Het kan een keer gebeuren.

Een reguliere ochtend ten huize Victoria.

Terwijl papa koffie zette, bakte Lola confituur in de oven, deed wat aubergine in haar chocomelk, legde haar koekjes in de schuif, stak de wc-bril in haar valies, peuterde in haar neus, veegde het snot aan het fornuis, nam een kleenex om ‘schoonmaken doen’, stak de kleenex terug in de doos, haalde de confituur uit de oven, smeerde confituur op een banaan, bakte een appel op het fornuis, kroop bij mama op de schoot, kroop bij papa op de schoot, kroop in de kattenmand onder tafel, nam een cd van de kast, stak de cd in de dvd-speler, haalde de appel van het vuur, bracht vier babies naar bed, trok aan de poes, trok aan de andere poes, haalde haar koekjes uit de schuif, smeerde confituur op de appel, kookte een croissant voor papa, haalde de cd uit de dvd-speler, beval papa om ‘muziek spelen doen’, danste met papa, danste met mama en at haar koekjes op. Daarna deden we onze jas aan en stapten in de auto want er moet natuurlijk ook gewoon gewerkt worden vandaag.

In de auto vroeg ik: 'En wat gaat Lola vanavond koken?'
Lola riep: 'Bier!'

Tijd voor een goed gesprek met mezelf.

1 april.

Ik was op zoek naar de 1 april-grap in de krant toen ik las dat een landelijk verbod op het dragen van boerka’s in België bijna een feit is. Dat was helaas een te reëel bericht om als vakmanschap af te kunnen doen – mijn land laat zelden een kans liggen om onwaarschijnlijke fictie in realiteit om te zetten.

Ik ben uiteraard tegen het onderdrukken van vrouwen. Maar ik ben niet tegen het vrijwillig dragen van uiterlijke tekens van een (religieuze) overtuiging. En het gebeurt dat mensen vrijwillig boerka’s dragen. Dat zij zichzelf hiermee isoleren, is een keuze die ik niet wens te betwisten.
Vrouwen die Ajax-shirts dragen, daar kan ik me aan ergeren. Sommigen onder hen worden zonder twijfel onderdrukt – maar ook hun keuze betwist ik niet, zij het met moeite. Dat je gelaat zichtbaar blijft bij het dragen van een Ajax-shirt bevordert mijn veiligheidsgevoel overigens niet in het minst.
Kortom. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat het misbruik van vrouwen hier misbruikt wordt. Het verbod geldt niet tijdens carnaval – in die periode is het onderdrukken van vrouwen, zoals u weet, algemeen aanvaard.

Op de achterpagina maakte Aaf melding van het feit dat Gordon gedichten schrijft en deze in boekvorm dreigt te gaan publiceren. Dat moest ‘m zijn. Een weggevertje, dat wel.