Het vakmanschap dat humor vergt.

Twee berichten op de mediapagina’s van de Volkskrant. Aan de rechterzijde: volgens onderzoek vinden Nederlanders humor belangrijker dan seks, economische zekerheid en lekker eten en drinken en zien ze humor als het bindingsmiddel bij uitstek. ‘We vinden het leuk als het gezellig is en houden niet van afzeiken’. Aan de linkerzijde de tv-column van Jean-Pierre Geelen: 'Humor doe je er niet even bij'. Over het vakmanschap dat humor vergt.

Misschien is dat het probleem van Nederland. Dat iedereen het gezellig wil houden maar dat niet iedereen het belang van goed vakmanschap ziet. Zo wordt humor al snel een vorm van sociale onhandigheid en gezelligheid een manier om afstand te bewaren.
 
Toen ik pas in Amsterdam woonde werd ik door Nederlanders, zelfs mijn beste vrienden, als ietwat zuur en negatief ervaren. Tegenwoordig maak ik snel een grapje, nog voordat ze erover kunnen beginnen. Een vakkundig grapje, uiteraard.

Verder niemand gezien.

Ik stak een sigaret op en keek om me heen. Ooit was dat één van mijn basiskwaliteiten. De schuld van de iPhone. Ik moet twitteren, ik moet mail checken, ik moet Facebooken, ik moet foto’s maken die eruit zien alsof het 1974 is. Ik moet helemaal niets.
 

Aan de overkant van de straat liep een meisje op zwarte laarsjes. Er liepen ook andere mensen. Ter hoogte van de tramhalte stopte ze. Uit een gouden doosje - zo’n doosje dat je opa vroeger had – nam ze een sigaret. Ze begon erop te zuigen, met korte trekjes, en na elk trekje liet ze haar arm weer helemaal naar beneden zakken. Sigaret tussen wijs- en middelvinger, vingertoppen tegen handpalm. Na een tijd leunde ze achteruit, tegen een muur en rookte zo verder. Ze keek me aan. Ik keek terug. Nou ja, ik was al aan het kijken. Dus zij keek terug, ik bleef kijken en ondertussen rookten we. Langzaam ging haar arm op en neer. Ze bleef me aankijken. Nu snap ik dat. Maar zoveel mensen in de stad en dan met zijn tweeën naar elkaar kijken; het heeft iets decadents.
 

Er fietste een man voorbij. Hij zoog aan een rietje – cola, uit een beker. Tenslotte kwam de tram. Verder heb ik niemand gezien.

Rico.

Eind jaren tachtig was ene Bart Van den Bossche in mijn ogen de Jim Morrison van België. Dat is een status die moeilijk haalbaar is voor iemand die Bart Van den Bossche heet. Daarom noemde hij zichzelf Rico. Ik ken nog mensen die eigenlijk Bart Van den Bossche heten maar zichzelf herdoopt hebben. Dat is zijn schuld.

Ik had net The Doors ontdekt toen ik ze nog eens ontdekte: Ze Noiz. Een wild, onbesuisd gezelschap dat zowel de catchy drie minuten-popsong als de epische, door feedbackende gitaren gedragen poëzie niet schuwde. En ik was zeventien. Dus.

Ik bezocht Père-Lachaise, ik luisterde The Doors en Ze Noiz. Na twee albums verdween Ze Noiz. Tot het jaar 2000 werd er van Rico niets meer vernomen.

Nu zat ik in goed gezelschap op het terras van Café Schiller. Te roken. De deur van het café zwaaide open en een grote man stapte op mij af, stak zijn hand uit en zei: ‘Ivo! Bart Koubaa.’ Ik schudde zijn hand en lachte als een fan. Daarna verdween Bart Koubaa in het fluo van het Rembrandtplein en ik stak nog een sigaret op, en bood mijn gezelschap een glas bier aan.

Lezen, luisteren en zuipen voor het goede doel.

Vanochtend werd ik wakker en ik herinnerde mij de maar liefst twee goeie ideeën voor een verhaal die ik vlak voor het inslapen had gekregen. Dus ik ben kapot. Want naast vergeetachtig van nature (mijn manier om te omschrijven dat ik tien jaar geleden al mijn korte termijn geheugen helemaal kapot geblowd heb), ben ik ook een tikje lui dus ik weigerde uit bed te komen om mijn notitieboek te halen maar bleef de twee ideeën urenlang voor me uit fluisteren totdat ik zeker was van mijn zaak. Desalniettemin, een kleine maar belangrijke overwinning in mijn eeuwigdurende strijd tegen de vergeetachtigheid.

Dit alles gezegd zijnde betekent dat dus dat er nog voldoende hersencellen over zijn om mij zondagmiddag met een gerust gemoed richting Café 't Blaauwhooft te begeven alwaar ik zal voorlezen, u zal luisteren en wij allemaal zullen zuipen ter meerdere eer en glorie van barman Fons Jansen en zijn buitengewoon goede doel.

Tevens zal ik ter plekke boeken verkopen en signeren en alle centjes zijn voor Fons, en zijn doel. Dus. Ook van de partij: Starik, Thomas Zijlma, Dirk Jan Roelleven en de legendarische Vele Anderen! Tot dan?

U zal mij niet zo snel horen beweren dat ik een sportboek geschreven heb...

...maar ik ben volgaarne bereid af te zien van elke vorm van muggenzifterij op dat vlak nu Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) genomineerd is voor de Nico Scheepmaker-beker als mogelijk het beste sportboek van 2009. Er zijn heul veul andere kandidaten.

Stemmen kan hier. Ik zou zeggen: gebruik al uw emailadressen. Dankuwel!

Dit is het.

Toen ik vanmiddag mijn jas wilde aandoen om naar Heerlen te vertrekken, zag ik dat één mouw gescheurd was en de rest van de jas besmeurd was met het soort vocht dat zich verzamelt op vloeren van kroegen waar veel mensen samen drinken en dansen. Toen kwam het allemaal langzaam terug.

F. Starik en ik leunden met onze rug tegen de bar van Café Cox.
‘Dus dan heb je besloten om schrijver te worden,’ zei F. Starik, ‘en het is je gelukt.’
Ik knikte.
‘En dit is wat je ervoor terugkrijgt.’
Ik knikte opnieuw.
‘Dit is het,’ zei ik. ‘We mogen willen wat we willen. Maar dit is het.’
Nu was het F. Starik’s beurt om te knikken. Ik draaide mij om en bestelde: wodka voor hem, bier voor mij. Toen ik onze consumpties in ontvangst had genomen, leunde ik opnieuw met mijn rug tegen de bar en duwde mijn glas tegen dat van F. Starik.
‘Op dit dan.’

Voor ons bevond zich een indrukwekkende hoeveelheid zwetend vlees. Er spatte drank uit glazen, uit monden, uit verhalen voor morgen. Er gleden handen over dijen, ogen over konten, tongen over tongen. Er bleven mensen binnenstromen omdat het niet meer kon, zo vol was het.

Ik sloeg F. Starik op de schouder en dook het zwetende vlees in. Achterin Café Cox werd ik tot stilstand gebracht door het mooiste meisje van het Boekenbal ná 01.22 uur – het uur waarop, volgens mijn sms-inbox, Liefje de Stadsschouwburg verlaten had. Ze bestelde een whisky zonder ijs voor me. Er ontstond een gesprek, zo’n gesprek dat heel bijzonder is op het moment dat het plaats vindt maar waarvan je een dag later alleen nog de ogen van je gesprekspartner herinnert en hoe je erin keek, om het belang te onderstrepen, en hoe zij keek, zwijgend, glimlachend. Daarna kreeg de DJ een helder moment en hij legde ‘Call Me’ van Blondie op. Op dat nummer heb ik naar mijn gevoel een uur lang gedanst met het mooiste meisje van het Boekenbal ná 01.22 uur. Daarna liepen we terug naar voren, naar de bar waar F. Starik en ik tegen geleund hadden maar we gingen niet leunen, we zochten onze jassen en de mijne lag op de grond, in een hoek en hij was nat.

Buiten stapte het mooiste meisje van het Boekenbal ná 01.22 uur in een taxi op de Marnixstraat en ik liep naar het Leidseplein. Ook mijn sjaal was nat. Ik stapte in de taxi, met mijn natte jas aan en mijn natte sjaal om en ik zei waar ik naartoe wilde. De chauffeur zei niets.

P.S.: Over wat ik voor 01.22 uur gedaan heb, lopen de meningen uiteen. Zelf vermoed ik dat het aardig wordt samengevat in de drie interventies die ik live vanop het Boekenbal ten berde bracht tijdens het Radio 1-programma Met het oog op morgen, hier terug te beluisteren.

Vanavond, met het oog op morgen.

As we speak, lieve mensen, zit Liefje bij de make-up annex kapster en er is mij verzekerd dat deze operatie tot minimaal 16.00h CET zal duren. Daarna wacht ons nog een lange en naar verwachting slopende discussie over de kleur panties die Liefje gaat dragen – we kwamen er vanochtend niet uit.
Alleszins, de kans is groot dat zij er vanavond zo waanzinnig goed uit ziet dat ik haar niet kan krijgen. Het wordt zaak Tommy Wieringa uit de buurt te houden.

Zelf ga ik zo mijn nieuwe schoenen inlopen. Schoenen, het is van 1993 geleden dat ik ze nog gedragen heb. Ik weet niet waar mijn plotse bereidheid om te lijden vandaan komt, ik heb lijden nooit hoog in het vaandel gedragen; ik vond het altijd meer iets voor soldaten en moeders. Vanavond vertrouw ik evenwel op mijn oude vriend, alcohol genaamd, om dit lijden te verzachten en nog meer om mijn interim-job als verslaggever-ter-plaatse van het nodige je ne sais quoi te voorzien. Tussen elf en twaalf moet ik immers zo ongepast mogelijk interveniëren in het Nederlandse Radio 1-programma Met het oog op morgen; ze weten daar maar al te goed wie ze voor dat soort klusjes moeten vragen en ik heb teveel zelfkennis om nee te durven zeggen.

Ja, het leven van een beginnend schrijver gaat niet altijd over rozen. Gelukkig moet ik de volgende dag naar Heerlen.

Pornopoezie.

Deze maand in Goedele (het maandblad, bedoel ik): een pornoverhaal van mijn hand. Deze middag komt mijn moeder op bezoek in Amsterdam, om op Lola Victoria te letten terwijl Liefje en ik in Den Haag gaan warmlopen voor het Boekenbal. Ik heb de Goedele subtiel op de stapel tijdschriften in het toilet gepositioneerd. Benieuwd of ik bij thuiskomst nog een moeder heb.

Dat het verhaal kan inspireren is evenwel reeds duidelijk. De Stiftdichter, oftewel Dimitri Antonissen, maakte er een gedicht van. Op 7 april wordt zijn bundel Schrap me voorgesteld in Perdu te Amsterdam en ik heb de eer en het genoegen die presentatie te mogen inleiden. Voor een poëzie-analfabeet als ik, een unieke kans. Op wát zal nog moeten blijken maar tegen die tijd verzin ik vast iets wat tot een duizelingwekkende verkoop van Schrap me zal leiden - af en toe een dosis rechtvaardigheid op zijn tijd mag er zijn.

In tussentijd: check it out!