Recap.

En zo ging elke dag voorbij en daarna begon er een nieuwe. Soms vind ik het verwarrend. Maar ik ben nogal snel in de war. Moet je eieren nu in de koelkast bewaren of juist niet?

Literanita was uitermate gezellig, kijk dan.

Daarna werd ik gebeld door de charmante mensen van Radio Online. Of ik het nog eens wilde komen uitleggen, van dat e-book en en passant wellicht enige visionaire dingen kon debiteren over De Toekomst van het boekenvak in zijn algemeenheid. Ja, dan moet je mij hebben. Uiteraard was ik de laatste gast in de uitzending waardoor van de oorspronkelijke 8 geplande minuten er nog enkele overschoten. U merkt het aan de wijze waarop ik mijn stembanden in overdrive gezet had.  

En zo snel ik richting Noordwijk. En tussen dat alles door verscheen er ook wat ik zou willen benoemen als een 'evenwichtige' recensie van Hoe ik nimmer... in het NRC Handelsblad. Zodra ik die in handen heb, zal ik er gepast uit citeren. En morgen is er weer een dag. Wellicht. Je weet het nooit.

Literanita.

Morgenavond is het voor de eerste keer Literanita geblazen in De Nieuwe Anita te Amsterdam. Geen idee wat u mag verwachten maar er is drank en samen met Merel Roze, F. Starik (die onlangs een dichtbundel uitbracht met een ijzersterke titel), Maartje Wortel, Roland van der Vorst (wiens non-fictie boek HOOP ik afgelopen weekend nog in mijn handen had en nét niet kocht - misschien trekt hij mij morgen over de streep) en Bernard Wesseling zal ik er het beste van mezelf geven dus komt allen.

Het thema van deze literaire avond is Er is hoop (geen gezeik).

Ik heb het even nageteld. Het woord hoop komt 35 keer voor in Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt). Dat is puur statistisch gezien erg weinig op een totaal van ongeveer 47 000 woorden (nog niet eens 0,1 procent!) maar toch vind ik het veel. Zeker als je in beschouwing neemt hoeveel Nederlandse woorden er bestaan: ik had de keuze uit meer dan 60 miljoen Nederlandse woorden en woordvormen en toch kies ik 35 keer voor hoop. Het woord gezeik daarentegen komt niet 1 keer voor in mijn boek. (Ik laat dit open doel met liefde aan de Veerles Dobbelaere onder u.)

Momenteel lees ik een boekje van Connie Palmen waarin zij stelt (naast, vele, vele, vele andere zaken) dat het doel van de roman is of dient te zijn: het vertellen van de onzichtbare, machtige scenario's achter een zichtbare werkelijkheid. Hupakee. Ja daar pakte ik u koud mee, dat begrijp ik, maar het werpt ons in deze natuurlijk vooral terug op de, in het kader van de feestelijke eerste editie van Literanita, kwintessentiële vraag: welke machtige scenario's heb ik willen ontvouwen in Hoe ik nimmer... door 35 keer het woord hoop te gebruiken en niet 1 keer het woord gezeik?

Wie het mij morgenavond denkt te kunnen vertellen, trakteer ik een pint. Tot dan?

Terzake.

Dus dat hebben we ook weer gehad.

De komende dagen en weken ga ik maar weer eens de schrijver uithangen. Te beginnen met een bezoekje aan KRO's Nacht van het goede leven op de Nederlandse Radio 1, vannacht om 01.00h. Ja. Inderdaad. Maar goed, ik mag de plaatjes kiezen en dan ben ik nogal makkelijk uit mijn bed te krijgen.

Houdt u verder vooral zelf even de knop Ivo Victoria in het echt in de gaten? Ik passeer binnenkort ook nog bij Kink FM, bij Literanita en wat al niet meer. Gekkenhuis.

Groningen (4): laat ik eens iets voorspellen waarmee ik op mijn bek kan gaan.

Ik zat te eten. Alleen. Heerlijk. Nadat ik een half uurtje tegen niemand had moeten praten werd ik vervoegd door de manager van Kyteman en de beste DJ van Nederland. Geen straf.

Kyteman wordt nadrukkelijk genoemd als winnaar van de Popprijs die een kwartier nadat ik dit stukje gepost heb wordt uitgereikt. De winnaar van de Popprijs is altijd een groot geheim. De afgelopen maanden had ik de eer en het genoegen te zetelen in het management team van de organisatie van EuroSonic Noorderslag. Dat MT bestaat uit vijf mensen. Van wie er één wist wie de Popprijs ging winnen. En dat was ik niet.

We keuvelden wat vrijblijvend en toen besloot ik het onderwerp ten berde brengen.
‘Zo, jij zit er wel heel relaxed bij.’
‘Vanwege de Popprijs bedoel je?’ vroeg de manager van Kyteman.
‘Ja,’ zei ik. ‘Vanwege de Popprijs.’
De manager van Kyteman keek opzij, naar de beste DJ van Nederland terwijl hij zei: ‘Nou, volgens mij wordt het Johan.’
‘’t Is prima te rijden toch, Hamburg – Groningen?’ voegde ik voor de zekerheid nog toe. Want Kyteman zou vanavond een TV-optreden in Hamburg doen.
‘Zeker, het is prima te rijden,’ zei de manager van Kyteman. De blik bleef strak op de beste DJ van Nederland gericht. Rond zijn lippen speelde een lachje.

Nu ken ik de manager van Kyteman al enige tijd. Zoals u hier kan lezen. En ik ken dat lachje. Wanneer dat lachje rond zijn lippen gaat spelen, dan is de manager van Kyteman in zijn nopjes. Maar sinds ik het onderwerp ter sprake had gebracht, had hij me niet één keer aangekeken. Dat is wat mensen doen wanneer ze liegen. Dus.

‘Nou,’ zei ik. ‘Dan hoop ik dat wij straks heel hard om dit gesprek zullen kunnen lachen.’

Toen begon de manager van Kyteman wat te griniken. Terwijl hij met zijn vork in een leeg bord prikte.

Groningen (3): een paar meningen om het af te leren.

Toen ik enkele blogjes geleden beweerde dat iedereen maar eens moest ophouden met over alles een mening te hebben, bedoelde ik uiteraard: iedereen, behalve ik.

Dus daar stapten wij alras moedig voorwaarts door de Groningse dooiaanval richting Vera. Al maanden zeur ik mijn Nederlandse vrienden de oren van de kop over The Hickey Underworld. Daarbij roep ik dingen als ‘fenomenaal’, ‘gevaarlijk’ en ‘eindelijk weer een Belgische band die terecht internationale ambities koestert’. Op plaat zijn The Hickey Underworld namelijk fenomenaal, gevaarlijk en mogen zij terecht internationale ambities koesteren. Dus wie schetst mijn verbazing toen daar gisteravond geen fenomenaal, gevaarlijk, terecht internationale ambities koesterend stel klootzakken het podium opstapt maar gewoon ehm... een groepeke? Een braaf groepeke dat één voor één haar liedjes speelde en tussendoor ‘dank u vriendelijk’ zei tegen het publiek. Ik wil de zanger van The Hickey Underworld niet ‘dank u vriendelijk’ horen zeggen, ik wil hem zijn songs de zaal in horen spugen alsof zijn leven ervan af hangt, ik wil dat The Hickey Underworld zo hard speelt dat de speakers gaan bloeden, ik wil helden zien, klootzakken van helden. Maar de keiharde conclusie was: op het podium is The Hickey Underworld een groepeke.

Daarop zetten wij koers richting het Grand Theatre voor Everything Everything. Blijkbaar hadden wij daarmee de potentiële sensatie van het festival te pakken want iedereen die verondersteld is verstand van muziek te hebben was aanwezig, ja, er hing zoveel hype in de zaal dat er nauwelijks nog zuurstof over was. Eventjes leek dat zwaar terecht want kakelfris gingen de heren van start en al bij het derde liedje speelden ze de hit met de beste catchphrase van het moment: ‘Who is gonna sit on your face when I’m gone’. Op dat moment mompelden wij, muziekkenners, in het publiek nog dingen tegen elkaar als ‘snuifje XTC’ en ‘scheutje vroege Fisher Z’, maar hoe langer Everything Everything met die vier piepstemmetjes van hen allerlei hoge moeilijke dingen gingen zingen, en hoe vaker zij daar discogitaartjes en inventieve danceritmes onder gooiden, hoe vaker wij iets anders gingen denken, namelijk: Bronski Beat. Bronski Beat. Bronski Beat. Het was van 1984 geleden dat wij nog zo vaak Bronski Beat gedacht hadden en dat kon onmogelijk de bedoeling zijn. Na 20 minuten gaven wij Everything Everything een 6+ voor de moeite en snelden richting Operatent alwaar 4 dj’s en een MC lieten zien dat het allemaal niet moeilijk hoefde te zijn, sterker nog, dat het best wel eens een keertje heel makkelijk mag ook: Boemklatsch heetten ze en wij gingen met de voetjes van de vloer.

Daarna was het tijd voor een paar welgemikte shotjes Jack-met-geen-ijs tot de sfeer er zo in zat dat wij ons warempel gewillig lieten entertainen door een stel Duitsers: Frittenbude. Een bratwurstenversie van De Jeugd van Tegenwoordig die met hun ‘Raven gegen Deutschland’ een catchy stukje zelfrelativering in huis hadden. Alleen als Frittenbude Oostenrijkers waren geweest, hadden wij ze nog grappiger gevonden.

Aldus konden we met een gerust hart afsluiten in de Knarie alwaar het rookverbod was bezweken onder de weinig diplomatieke druk van de Belgische delegatie. Toen ik binnen kwam duwde iemand een boek onder mijn neus. Gewillig signeerde ik het. Daarna bekeek ik het omslag en verrek: ik had het ding geschreven. Zo eindigde de avond met de meevaller die ik verdiend had. Ik heb andere tijden gekend.

Groningen (2): grijnzen als een koe.

Ik ben een hardcore republikein. Ik vind het fundamenteel onrechtvaardig en ethisch gezien onverantwoord om iemand een positie of macht te verlenen omdat zij of hij toevallig iemands zoon of dochter is. Of getrouwd is met iemands zoon of dochter.

Maar zet mij tegenover een prinses en ik ga grijnzen als een koe.

Luister. Ik schrijf niet alleen. Ik werk ook. Je zou het niet zeggen. Maar de voorbije maanden was het mijn werk om een awards show te organiseren. Dus dat deed ik. Die show werd bezocht door Prinses Máxima.

Dat doet wat met een mens. De afgelopen dagen volgde ik met toenemende fascinatie het gevecht om de beste plaatsen. Mensen wierpen hun huid af als een slang, slopen door de schemering van het eigenbelang in de richting van de beoogde rang (hupakee, poëzie!). Ze dwarrelden om elkaar heen, trokken elkaar aan, stootten elkaar af, naar waar het voorschrijdende inzicht hen bracht en dan dwarrelenden ze weer verder.  Opportunistische stofwolken. En dan het wijzen, het wijzen naar de anderen, heel veel wijzen naar de anderen en zeggen: kijk hoe iedereen plots anders doet omdat een prinses hier komt.

Mooi. Genoten.

En na afloop van de show stond ik daar dus, ja ik, die hardcore republikein die ik ben, die man die vindt dat het fundamenteel onrechtvaardig is blablabla, ja, daar was ik dan, de principiële Pipo van dienst, oog in oog met Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima der Nederlanden. Te grijnzen als een koe. Ik dan hé.

Ik heb geen idee of ik nu de kroon aan het ontbloten ben, maar: Prinses Máxima en ik, wij spraken met elkaar. Het ging over karakters en hoe die kunnen verschillen van elkaar. Jaha. En dat elk land zo verschillend is. Net als karakters. Enzovoort. Dat duurde al bij al zo’n vijf minuten en ik was niet bijdehand. Dat viel me ontzettend tegen van mezelf en het is me al vaker opgevallen: ik ben heel bijdehand behalve wanneer het er echt op aan komt. Dan ga ik plots grijnzen en u zeggen en komen alle goede manieren die mijn moeder mij meegaf even onweerstaanbaar als onuitstaanbaar naar boven, als een instinct. En hoezeer ik ook mijn best deed, ik vond Máxima sympathiek. Na vijf minuten werd ik op subtiele wijze aan de kant geschoven door de Hofdame, een professional, en ook al sympathiek. Nee, het zat me allemaal niet mee.

Toen ik op mijn hotelkamer aankwam, zag ik de hoofdpunten van het Journaal: tienduizenden doden in Haïti, Esmée Denters wint een EBBA. Het derde hoofdpunt ben ik vergeten.

Groningen, als was het de laatste keer.

Volgend jaar rond deze tijd zal ik niet in Groningen zijn. Denk ik. Dat zou een unicum zijn want de voorbije elf jaar was ik rond deze tijd altijd in Groningen. Ik heb ook geen idee waarom ik volgend jaar rond deze tijd niet in Groningen zal zijn. Ik voorspel het slechts, zoals een reumapatiënt het regenweer voelt aankomen.

De voorbije paar jaar blogde ik vanuit Groningen. Neem nou vorig jaar. Toen begon ik hiermee. En toen had ik hier nog over. En ik merk dat ik toen ook nog een grote behoefte had om mijn mening over bandjes te geven. Van die meningen neem ik geen woord terug maar ik merk wel dat ik steeds minder de behoefte heb om mijn mening te geven. Misschien omdat tegenwoordig iedereen al een mening heeft. Dat moet ook maar eens een keer ophouden. Maar daarover later meer. Misschien.

En misschien ga ik dit jaar ook weer bloggen vanuit Groningen. Ik weet het niet. Ik weet eigenlijk niet zoveel momenteel. Sorry daarvoor. Ik ga nu even eten. Buiten is het koud. En terwijl ik dit opschrijf biedt iemand mij een zelfbruinende bodylotion aan. Dat is hoe het met mij gaat, blijkbaar.

Beterschap.

Ik staar naar het scherm en ik bedenk me dat ik beterschap had beloofd. Dat doe ik wel vaker. Vooral aan mezelf.

Zo liep ik gisteren nog te mompelen door de Groningse nacht, mezelf beterschap belovend. Daarna stapte ik de nachtwinkel binnen. Op mijn hotelkamer nam ik een flesje whisky uit de mini-bar. De dop kraakte toen ik ‘m los draaide. Ik keek in de spiegel en gleed met mijn vingertoppen over mijn gezicht, als een blinde. Ik las nauwelijks teleurstelling.

Andere mensen beloof ik liefst zo weinig mogelijk. Ik wil te graag dat ze van me houden. Iedereen moet van mij houden, uiteraard. Of op zijn minst het gevoel hebben dat die dag ooit zal komen, dat ze eindelijk van me zullen kunnen houden. Wacht, lieve mensen, wacht, u houdt nog niet van mij maar kijk, kijk naar die kwinkslag in mijn ogen, kijk hoe mijn grijze tanden sympathiek van tussen mijn lippen door komen loeren, hoe mijn mondhoek zich optrekt aan het grapje dat ik net maakte. Geen grapje ten koste van u, maar eentje om u te behagen, om even te testen welk soort humor het bij u doet zodat ik vaker de juiste grapjes kan maken zodat u straks, later, ik weet niet wanneer maar ooit, zonder meer, van mij zal houden.
Zoiets.
Laat mij maar verwachtingen wekken.

Maar goed. Ik staar naar het scherm en ik bedenk me dat ik beterschap had beloofd.

Dus hier hebt u het. Beterschap.

Boeken lezen, je moet het willen.

Zoals u ongetwijfeld gemerkt hebt aan de CO2-uitstoot van de voorbije weken, bracht ik de feestdagen door in Quimper, Bretagne en Antwerpen, België met af en toen een kleine tussenstop te Amsterdam. Ik hoef eventjes niet meer te autorijden.

Tijdens die dagen noopte enkel een ongeplande interventie van Lucien mij ertoe mezelf op het wereldwijde web te begeven. Voor de rest sliep ik twaalf uur per nacht en een uur of twee per dag, dronk wijn, rookte nauwelijks en las boeken. Dat laatste ga ik blijven doen; het is toch plezanter dan ik dacht en ik heb mezelf beloofd om de komende maanden een bescheiden poging te doen mijn onherstelbare, weinig trots genererende en door jarenlang uitslapen, in groepekes spelen en met foute vrienden hangen veroorzaakte leesachterstand ehm... compleet teniet te doen. Ambities moeten er zijn.

Ik las de voorbije weken drie boeken helemaal van begin tot eind. Jaha. Daarna besloot ik dat ik boeken vanaf nu nog vijftig bladzijden de kans geef. Van het vierde boek las ik de eerste vijftig bladzijden. Dat kost nog altijd veel meer tijd dan snel door de eerste vijf tracks van een cd skippen stelde ik tot mijn schrik vast.

Maar even over dat ene geweldige boek dat ik las. Hoe de soldaat de grammofoon repareert van Sasa Stanisic. Ik ben heel blij dat ik het nu pas gelezen heb en niet voordat ik er zelf eentje begon te schrijven. Er wordt her en der al wel eens iets lovends gezegd over de verteltoon van het romanpersonage Ivo Victoria, maar de verteltoon van het romanpersonage Ivo Victoria moet nog heel veel boterhammen met spek eten voor hij ook maar een beetje in de buurt komt van die van het romanpersonage Aleksandar Krsmanovic. En de schrijver Ivo Victoria ook trouwens.
Ik beloof dan ook plechtig dat ik tal van ideeën uit dit boek ga pikken voor boek 2 zonder dat u het zal doorhebben. Kortom, ik daag u uit dit boek nauwkeurig te lezen.

Verder heb ik voor dit jaar heel veel goede voornemens gemaakt. Eén van die voornemens ga ik nu onherstelbaar beschadigen.