Leiden, zaterdagmiddag.

Zij zat naast hem op het bankje bij het water, met het kind op haar schoot. Ze keek hem aan. Hij keek naar het water. Het kind keek naar de lucht.
 
Sommige mensen lullen je de oren van je kop totdat je volstrekt niets over hen te weten bent gekomen. Anderen gaan op een bankje zitten.

Het was warm. Novemberhitte. Het kind droeg een sjaal en een winterjas. Wanneer zal het zorginstinct van moeders zich aanpassen aan de klimaatcrisis? Alles gaat zo traag en nog kunnen we niet volgen.

De man richtte zich op, spreidde zijn armen, opende zijn mond en dook weer in elkaar, zijn blik gericht op de grond. Zij bleef hem aankijken.
 
‘Nee,’ zei de man terwijl ik langs liep. ‘Nee, er is geen reden.’
 
Ik hield even in en keek opzij. Onze blikken kruisten elkaar, als degens, een schelle tik van staal. Toen liep ik snel weer verder. Ik wist genoeg. Als er een reden was geweest, dan hadden ze daar niet gezeten.

Ah, incest.

Vandaag staat er een interview met ondergetekende in De Standaard naar aanleiding van de Boekenbeurs en De Nachten. U kan het hier en hier lezen.

Ik was ontzettend moe die dag. En ik had een bad hair day. Dat zal je altijd zien. En toen ik weer opstond van dat bankje had ik een knoert van een stijve nek. Maar dat is allemaal overbodige achtergrondinformatie want ik heb verder niets aan dit artikel toe te voegen. Nou ja. Ik heb natuurlijk nog ontzettend veel toe te voegen, maar je moet ergens beginnen.

Er staat vanalles te gebeuren.

Ik heb de knop Ivo Victoria In Het Echt even grondig onder handen genomen want er staat vanalles te gebeuren in de komende weken. Nu was de voorbije anderhalve maand al niet bepaald saai te noemen.

Gisteren had ik een afspraak met mijn agent en redactrice. We hadden het over boek 2 en over het buitenland en over verkoopcijfers alsof we het hadden over het weer. Goed weer, that is. Toen ik naar huis fietste dacht ik even terug aan het voorjaar van 2008 en aan hoe zenuwachtig ik toen kon worden bij de gedachte dat ik mijn baan had opgezegd om een boek te gaan schrijven. Vervolgens dacht ik na over hoe 2010 eruit zou gaan zien. Toen moest ik heel hard lachen om mijn zenuwachtigheid in het voorjaar van 2008.

Maar goed. De komende weken kom ik dus nogal eens onder de mensen. Te beginnen met het NS Tryout Festival in Leiden. Kom af, ik vind dat gezellig. Verder schrijf ik momenteel een brief aan Vincent van Gogh; daarin geef ik hem advies op amoureus vlak. Ik geniet in beperkte kring een vrij goede reputatie wanneer het gaat om dergelijk advies en ik vind het jammer dat dit advies te laat komt voor onze Vincent want die Kee Vos was in no time de zijne geweest, als hij maar mijn instructies had opgevolgd. Tot slot komt het door mij zeer bewonderde en bejubelde TED.com naar Amsterdam en daar wordt een sjiek boek bij gemaakt en in dat boek zitten 8 bookletjes van jonge creatieven en ik mocht 1 van die booklets vullen met een tekst. Gisteren mailde ik mijn opdrachtgever de tekst met de melding dat het om 'weird shit worth spreading' ging. Hij heeft dat per kerende mail volmondig beaamd. Trots!

Als u ooit kans zou willen maken om zowel mijn liefdesadvies aan Vincent van Gogh of mijn TEDx-tekst in alle exclusiviteit in uw mailbox te ontvangen, dan zou ik hier even uw emailadres invullen.

Brussel, half zes.

Uiteindelijk belandde ik in een bar, in het Centraal Station. Zo’n bar waar ’s ochtends om half negen al bier getapt wordt. Maar het was niet ’s ochtends. Het was het begin van het einde van een lange dag.

Er speelde een house-remix van Modern Talking op de stereo. Een house-remix van Modern Talking. Voor sommige mensen is niets ooit genoeg. Er kwam een man met een aktetas de bar binnen.
‘Bonsoir Marie-Rose!’
‘Hé Maurice,’ zei de barvrouw.
Maurice liep tot achter de bar en hij zoende Marie-Rose driemaal.

Naast mij zat een vrouw die angstig koffie dronk. Ze praatte met een schrale heer die onophoudelijk het bier in zijn glas walste. Ik sloot de ogen en zag matrassen zonder overtrek, vochtplekken op de muur, haastig uit de inbox verwijderde beloftes. Daarna vermengde de vertraging van de trein naar Charleroi zich met de beat. Een reiziger rende een statafel omver. Maurice bestelde er nog eentje. De vrouw naast me lachte, net te luid.  

En ik dacht: dit is een prima plek om een glas bier van anderhalve euro te drinken. Daar rennen de mensen, daar rennen allemaal mensen, waarnaartoe? Waar gaan wij toch altijd allemaal naartoe? Waarom blijven we niet gewoon thuis. Nee, waarom blijven we niet gewoon hier? Dit is een prima plek om een glas bier van anderhalve euro te drinken. En dat heb ik dan ook gedaan.

Knetterende Letteren.

Vanmiddag was ik te gast bij het programma Knetterende Letteren. Het resultaat kan vanavond bekeken worden door Nederlanders die over digitale televisie beschikken. En later online, geloof ik. Verder wil ik daar drie dingen over kwijt.

1. Ik was vergeten hoe mooi make-up meisjes zijn. Alle make-up meisjes zijn mooi en deze was erg mooi. Poeh. Tal van gedachten drongen zich aan mij op maar ik bood kranig weerstand. Wellicht zwerven die gedachten daar nu nog rond in de make-up ruimte, als sigarettenrook.

Lang geleden was ik verliefd op een make-up meisje. Het was een onmogelijke liefde. Daar stelt u zich vast veel drama bij voor maar ik kan u verzekeren dat ik in die periode gemiddeld een Onmogelijke Liefde of 7 per maand consumeerde. Ja, welbeschouwd waren Onmogelijke Liefdes in die periode mijn core business. En ik was goed.

Maar deze Onmogelijk Liefde was bijzonder. Dus ik trok een extra blik zelfmedelijden open en vertrok naar Portugal. Tien dagen lang mediteerde ik in een tentje op een camping net onder Lissabon. De camping werd aan de ene kant afgezoomd door een drukke weg en aan de andere kant door een strand vol Duitsers.

Ik ben daar mentaal gezien ijzersterk uit gekomen.

2. Wat is het fijn wanneer een journalist je boek met aandacht gelezen heeft en daar vervolgens pertinente vragen over stelt. Moeilijk ook. Sommige vragen waren zo pertinent dat ik de neiging om een hulplijn te vragen tenauwernood kon onderdrukken.

3. Joost Swarte was ook te gast in het programma, tezamen met andere striphelden. Na afloop vertelde hij me dat hij als kind in Edegem kwam en dan ging hij met zijn tante in de Lentelei patatten kopen bij de kruidenier op de hoek, de Jef. Ik had niet gedacht dat ik ooit nog iemand zou tegenkomen, behalve mijn moeder dan, die herinneringen heeft aan de Jef. De Jef komt ook kort voor in het boek overigens, zij het dat ik hem heb samengevoegd met een ander kwintessentieel figuur uit mijn jeugd: nonkel Jef, die bij ons in de straat woonde. Dit gezegd zijnde. Ik denk dat het ook erg fijn is om Joost Swarte als nonkel te hebben.

Een eis die ik aan de literatuur niet kan stellen.

Ik stond net op het punt om mij te gaan vervelen, toen ik onder zachte dwang werd meegetroond naar het interview met de Pakistanees Ali Sethi. Ik sta meestal nogal wantrouwig tegenover types die op hun 21 al publiceerden in de New York Times, een klassieke zangopleiding volgen, druk bezig zijn met het maken van twee TV-documentaires tegelijk en vervolgens een roman publiceren over het harde leven in hun thuisland. Maar toch was ik onder de indruk van zijn verhaal. En er viel wonderlijk genoeg ook nog wat te lachen.
‘You can’t be a writer and not go to the marketplace,’ zei Ali op een gegeven moment. Een waarheid als een koe.
’s Avonds, tijdens het auteursdiner, vertrouwde hij mij toe dat het allemaal alleen maar zo kon omdat zijn familie stinkend rijk was. Op slag vond ik hem ook nog eens sympathiek. Ik vroeg hem hoe het kwam dat hij als vijfentwintigjarige praatte als een veertigjarige.
‘Dat komt omdat ik zo vaak met mensen van rond de veertig omga,’ zei hij.
Wederom: een waarheid als een koe, tenminste voor zover ik het kon overzien.

Tijdens dat auteursdiner zat ik overigens niet naast Ali, maar samen met drie vijftigers aan een kleine ronde tafel: Nick Davies, Alonso Cueto en Ingo Schulze. Hoog gezelschap, zal u merken wanneer u eventjes flink googlet, maar toch kan ik de avond het best als volgt samenvatten.
Bij het begin van het diner stootte Ingo Schulze zijn glas water om, half over mijn bord eten en mijn kostuum heen. Hij excuseerde zich zo omstandig dat ik me bijna schuldig begon te voelen.
Alonso Cueto zei halfweg de avond: ‘You know, in Holland, they have this politician called Wilders. He wears his hair like Marilyn Monroe.’
Aan het slot van de avond was Nick Davies er nog steeds niet in geslaagd het publiciteitsmeisje van Het Andere Boek te versieren maar mén voor een vijftiger kwam hij akelig dicht in de buurt.

Daarna stapte ik in de auto en reed naar mijn moeder. Onderweg vroeg ik me af of het nu al een beetje begon te wennen, dat literaire wereldje. Ik dacht: ja, het begint best al wat te wennen. Het voelt niet als thuis. Maar Amsterdam voelt ook niet als thuis. En het appartement van mijn moeder voelt niet als thuis. Welbeschouwd is thuis al enige tijd geen referentiepunt meer in mijn leven. Dus dat is een eis die ik aan de literatuur niet ga stellen.