Anders.

Ik was nooit eerder zo moe op vakantie vertrokken. En toen we eenmaal goed en wel aan de rand van het zwembad zaten, zeiden mijn hersenen: ‘Luister vriend, dat was allemaal leuk en aardig wat je dit voorjaar hebt uitgespookt, knap ook, hoe je van de ene opdracht naar de andere klus rende en tussendoor een boek uitbracht maarrrrr: nu gaan we het er eens over hebben.’
Zo. Dat waren lange gesprekken.
Soms werd ik midden in de nacht wakker en dacht terug aan de oogopslag die ik bij iemand had waargenomen drie maanden eerder en wat die te betekenen zou kunnen hebben gehad. Ondertussen stond de wereld in brand. Dat zorgde dan weer voor schaamte. Jezus, had ik, als schrijver, echt niks beters te doen? En toen las ik allemaal columns van collega-schrijvers die vonden dat wij iets beters te doen hadden en dacht ik: echt niet. Zinnen die ik anders had willen opschrijven, gesprekken die ik anders had moeten voeren, fouten en nalatigheden van anderen maar vooral mijn eigen slappe zelf die hen er mee weg had laten komen. Ja, de sfeer zat er goed in, in dat hoofd van mij. Na twee weken was ik compleet uitgeput.
De derde week haalde ik de oude vishengel van mijn vader boven die ik in een impulsieve bui op het laatste moment in de koffer had gegooid en liep naar de rivier die de camping doorkruiste. Ik begon te vissen. Had ik al jaren niet meer gedaan. Valt van alles over te zeggen en op aan te merken. Kan mij niks schelen. De eerste middag ving ik vier vissen en ik dacht aan niets. Daarna liep ik terug naar de tent, ging in de hangmat hangen, zette nog één keer de voornaamste zaken aangaande dit voorjaar op een rij die mij dwars zaten, schreef ze op en besloot: deze dingen ga ik anders doen. Welke dingen dat precies zijn? Nu ja. Alles.


Giel op 3FM.

Vanochtend was ik te gast bij Giel Beelen op 3Fm om te praten over de Lowlands literatuurprogrammering maar ook over Dieven van vuur, waaruit ik een stukje mocht voordragen onder soundscapegewijze begeleiding van Giel zelf. Je kan het hieronder terugkijken, want ja, radio is tegenwoordig ook televisie. Wat niet eigenlijk?

3FM / Bob Dylan / Lowlands.

Even een nieuwsbericht. Morgenochtend, tussen zeven en acht, ben ik te gast bij Giel Beelen op 3FM om er te praten over de Lowlands literatuurprogrammering en een stukje voor te dragen uit Dieven van vuur. Okidoki. Dezelfde avond nog sta ik een uitverkocht Concertgebouw met allemaal mensen die veel beroemder zijn dan ik om eer te betonen aan Bob Dylan. Ik heb een gedicht geschreven samengesteld uit zinnen uit vijftien verschillende Bob Dylan-songs. Je moet wat. Daags nadien vertrek ik naar Lowlands waar ik 's zondags ook nog optreed met Waumans & Victoria. Ter voorbereiding daarop las ik Feest van het begin, de AKO-winnende roman van Joke van Leeuwen die bij ons te gast is op Lowlands. Dat is een goed boek. Over goede boeken gesproken. Op vakantie las ik On Chesil Beach van Ian McEwan, Monte Carlo van Peter Terrin, Poppy en Eddie van Herman Brusselmans en Een geval van ordeverstoring van Richard Yates. Dat zijn allemaal - i kid you not - goede tot zeer goede boeken. En kort. Korte goede boeken zullen de literatuur van de ondergang redden. Wellicht daarom dat ik nu Cloud Atlas lees van David Mitchell. Een heel dik en raar boek; ik ben op 100 bladzijden van het eind en pas nu begin ik het erg goed te vinden, maar toch kostte het me weinig moeite om die eerste 400 pagina's door te komen, dus ja.
Afijn. Dit is al lang geen nieuwsbericht meer. Maar het was een eeuwigheid geleden, van toen de Belgen nog Wereldkampioen voetbal waren, dat ik hier nog iets schreef. De vakantie is voorbij. Ik heb weer zin om te schrijven. Ik ga het vanaf volgende week doen. Ook hier.

WK-column De Standaard (5): geen reserves.

Zondagochtend. Ik sta in de keuken en ik snij appelsienen in vieren. Het zijn die tien, vijftien minuten wanneer de moeder en de kinderen nog slapen. Buiten het zomerse ochtendlicht, binnen de stilte; alleen het rinkelende gezang van glazen flessen die op de koelkast staan, dicht bij elkaar, alsof ze huilen, en het getik van mijn mes dat het hout raakt.
Ik denk aan de avond voordien, toen ik tussen tweehonderd Amsterdamse Belgen stond. Er was niets gegaan zoals gewoonlijk. Om te beginnen had Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond een professioneel scherm geïnstalleerd, in tegenstelling tot de vorige keer, toen er naar goed oud-Belgisch gebruik een vergeeld projectiedoek had gehangen en de beamer met behulp van een paar bierviltjes net niet waterpas stond. Wat was daar mis mee? En tijdens de wedstrijd liet het beeld op dat professionele scherm het ook nog eens afweten. Al in de eerste helft waren er digitale blokjes verschenen, die het spel van de Belgen exact weergaven zoals het was: haperend. Ach, hoe vaak heb ik al niet de genen in mijn lichaam vervloekt die ervoor zorgen dat ik in álles symboliek zie. Maar ik bleef hopen, net als u, tegen beter weten in, ik bleef hopen. Op de bank. Onze reserves. Op de geniale wissel die alles zou veranderen – en hij was gekomen, een uur of vijf te laat, en hij zal mij blijven achtervolgen voor de komende vier jaar.
Ik trek het vruchtvlees met mijn blote handen van de schillen en gooi het in de sapcentrifuge. Ik kijk naar de kwartjes appelsien die voor mij op de snijplank liggen en zie mezelf zitten in de kleedkamer tijdens de rust van mijn laatste voetbalwedstrijd voor het roemruchte KFC Michiel uit Emblem, vlak voor de verhuis naar Amsterdam. (Als speler had ik veel weg van Dries Mertens. Ik had weliswaar niet zijn snelheid, noch zijn dribbel of schot maar verder: twee druppels water.) Hoe de délégué van onze ploeg binnenkwam met een plateau van één of ander biermerk, vol met kwartjes appelsien. Wanneer je in die appelsienen beet, vermengde het zweet dat op je hals en borstkas stond zich met het sap dat uit je mond droop en je kaakspieren trokken strak van het zuur. En terwijl wij elk twee of drie kwartjes aten, opende onze kapitein de deur van de kleedkamer en stak een sigaret op. Het was een stille, bonkige kerel, het type Mascherano zeg maar, die op de meest onverwachte momenten in woede kon ontsteken – er huisde iets in zijn lijf dat ik nooit heb begrepen, maar het was er altijd, smeulend als een vuur.
Ik giet het sap in een beker. Drink. Zuur. En ik besef dat ik vannacht, bij thuiskomst, precies zo op ons balkon heb gestaan: rokend, smeulend, als die kapitein in de open deur van onze kleedkamer terwijl hij uitkeek over het veld dat leeg was. Of misschien liepen er een paar reservespelers zich op te warmen, dat kan. Spelers van de tegenstander; wij hadden geen reserves.


Tijdens het WK verscheen de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn vijfde en laatste bijdrage, van maandag 7 juli.

WK-column De Standaard (4): Alles bij het oude.

Bij het begin van dit WK waren de gevels in onze straat leeg en zonder hoop. Nu kijk ik uit het raam tegen een oranje zee van slingers en vlaggen aan. Zelf bezit ik een klein formaat Belgische vlag, bestemd voor ons grachtenbootje, maar dat mag ik van mijn Franse, voetbal hatende, vrouw niet gebruiken. Zij ruikt namelijk haar kans. Ooit, tijdens het EK 2004, toen we in een appartementje in Amsterdam-Noord woonden met als onderburen een variant op de Familie Flodder, had zij op een dronken nacht de schaar bovengehaald om de oranje vlaggetjes die vanaf de lantaarnpaal aan de rand van de weg naar de regenpijp liepen, door te knippen. De volgende ochtend keek ik uit het raam en zag vader Flodder op een trapladdertje staan om de eindjes van zijn oranje droom weer aan elkaar te knopen terwijl zijn zoon, een ettertje met overgewicht in een Ajax-trainingspak, met tranen in de ogen toekeek. ‘Het is ook ónze regenpijp,’ had mijn vrouw ijskoud gezegd, zoals alleen Franse vrouwen dat kunnen.
Wonderlijk hoe de realiteit de wereld uit haar spiegelbeeldstand heeft gehaald. Een maand geleden waren mijn Nederlandse vrienden bang en berustend terwijl de Belgische gek en overmoedig wat lollig deden over Ron Vlaar of Daley Blind. Daarna kantelde dat beeld, wedstrijd voor wedstrijd. Afgelopen zondag, na de wonderbaarlijke ontsnapping van Oranje tegen Mexico, feliciteerde ik per sms een Nederlandse vriend en sprak mijn hoop uit op een halve finale der Lage Landen. Hij sms’te terug: ‘Zitten de Belgen er nog in dan?’. Kortom. Alles is weer bij het oude: de Nederlanders zijn zo goed als wereldkampioen en wij Belgen, na drie kleurloze overwinningen op nietszeggende tegenstanders, leken klaar om uitgeschakeld te worden door een land waar voetbal een leuke hobby is voor wie niet uitblinkt in American football, honkbal of atletiek.
In de uren voor de wedstrijd tweetten Nederlanders mij gretig artikelen over België van Amerikaanse satirische websites door. Een ‘vriend’ veranderde zijn avatar in een Amerikaanse vlag. Een ander hoopte op Argentinië in de halve finale. ‘Bergkamp!’ antwoordde de volgende. Ik had nood aan rust. Optimale concentratie. Wie weet hoe vaak ik al door denkkracht het verschil heb gemaakt voor de Belgen? Wilmots heeft de mond vol over de bank maar dit is een WK: iederéén staat reserve.
Toen Lukaku scoorde, werd ik gek, zoals u. Daarna heel bang. Na het eindsignaal haalde ik, fysiek en mentaal uitgeput, mijn Belgisch vlaggetje uit de berging en drapeerde hem liefdevol over de schouders. Ik maakte een selfie-met-vlag en wilde de foto naar mijn vriend sms’en toen ik merkte dat er een vreemde, oranje gloed over het beeld hing; licht dat vanop straat via het raam in de kamer viel. Behoorlijk irritant, ik kon niet anders dan het toegeven.
Ik nam een schaar uit de keukenla en liep ermee naar onze slaapkamer, zette de deur op een kier, liet de messen glanzen in de schemering terwijl ik net te luid ‘Lukaku’ fluisterde. En stelde tot mijn tevredenheid vast dat mijn vrouw klaarwakker was.

Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn vierde bijdrage, van woensdag 2 juli.

WK-column De Standaard (3): niks op het spel.

Wat te doen wanneer er niets op het spel staat? Die vraag flitste door mijn hoofd toen ik een uur voor de wedstrijd in het oosten van Nederland uit de auto stapte en naar het festivalterrein liep waar ik dit weekend voor vertier mag zorgen. De organisatie sms’te dat er – check! – een televisietoestel in mijn bungalow stond. Wat moest ik ermee? De achtste finale was al lang een feit.
Het festival heet Down The Rabbit Hole. De bungalow kijkt uit op een fabelachtig mooi meer. Men beweert dat er een gezonken bos op de bodem ligt. Ik dacht aan de Zuid-Koreanen die als Alice in Wonderland over dit WK draven: nét te ijverig en een tikje naïef.
De afgelopen dagen had ik het speelschema bestudeerd. Als groepswinnaar en met de VS als tegenstander in de achtste finale, was er slechts één knalprestatie nodig om de laatste vier te halen: de kwartfinale tegen Argentinië. En zo’n wedstrijd, zo’n verbijsterende buitenaardse trip waarbij spelers uit zichzelf treden en supporters versmelten met de waanzinnige rollercoaster der gebeurtenissen als tuimelen zij altegader door een eindeloos diepe konijnentunnel, zo’n wedstrijd zit er altijd bij. Daarna de halve finale tegen een haalbare tegenstander: bij voorkeur Nederland – want die hebben hún Wonderland-wedstrijd al gehad – en anders Griekenland, Mexico of Costa Rica. Kortom. Alleen nog even Zuid-Korea en we zaten in de finale! Ik besefte plots: op dit WK is niets wat het lijkt. Er stond wel degelijk iets op het spel tegen die Koreanen. Wisten de spelers dat wel? Konden zij gefocust blijven, als in de eerste wedstrijden? Maar, dacht ik dáár meteen achteraan: die eerste wedstrijden waren slecht, op de winst na. Wat als ze juist nú, tegen Zuid-Korea, een volstrekt overbodige knalprestatie leverden? Dan konden wij die finale op onze buik schrijven. Kortom. Deze wedstrijd diende zich aan als een mindfuck van de bitterste soort.
Precies om middernacht stond ik opnieuw aan de oever van dat meer. De maan speelde in het donkere water. Aan de overkant werden de lichtinstallaties van het festival getest – een feeëriek stukje technologie, midden in verstilde natuur. Vooraf had het een schier onmogelijke opdracht geleken: groepswinnaar worden zonder het spelniveau van de eerste wedstrijden nodeloos te overstijgen. Maar onze jongens hadden zichzelf overtroffen, om maar eens een eufemisme te gebruiken. Wereldkampioen. Het was alleen nog een kwestie van uitvoering. Maar saai! En irritant! En net op dat moment begon het water in het midden van het meer te bruisen. Ik zag takken en bladeren verschijnen. Daarna hele stammen en struikgewas die door het oppervlak braken totdat daar zomaar een compleet bos dreef waaruit een wit konijn sprong dat met snelle slagen naar de oever zwom, even flink het water van zijn vacht en oren schudde, mij aankeek en vroeg: ‘Wat is de belangrijkste les die dit WK u tot nog toe heeft geleerd?’
Ik zei: ‘Het stelt niks voor als er niks op het spel staat.’
‘Goed geantwoord’ zei het konijn. ‘U gaat door naar de volgende ronde!’

Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn derde bijdrage, van vrijdag 27 juni.

De ring van Alex Turner / Knut Hamsun / Hard Gras 96.

Vandaag verschijnt de speciale festivalbijlage van De Standaard. Daarin staat een vrij lang kort verhaal van mijn hand, getiteld De ring van Alex Turner. Ongeacht of u dat verhaal nu mooi of niet mooi vindt: applaus voor De Standaard om op deze wijze ruimte te (durven) geven aan fictie, dat mag ook wel eens gezegd. U kan het verhaal HIER lezen (betalende link).

Ook vandaag, in weekblad Knack, een groot verhaal van Marnix Verplancke over één van mijn favoriete schrijvers, de Noor Knut Hamsun. Ik mocht enige quotes leveren voor dit prima artikel. Op 6 juli aanstaande neem ik het op voor Knut Hamsun op het Schwobfest in Haarlem, naar aanleiding van de heruitgave van zijn roman Zwervers door uitgeverij De Geus, die overigens eerder al mooie heruitgaves van de romans Pan, Victoria en Mysteriën uitbracht.

Tot slot: er ligt een nieuw nummer van literair voetbaltijdschrift Hard Gras in de winkel. Ik schreef een verhaal waarin ik de generatie van Spanje '82 vergelijk met die van Brazilië '14, inclusief een persoonlijk gesprek dat ik in 1982 voerde met bondscoach Guy Thys. Het verhaal is getiteld Misschien wel wereldkampioen, vrij naar Will Tura. Koop dat blad.

WK-column De Standaard (2): eindelijk samen zijn.

Ik verhuisde naar Nederland vlak voor aanvang van het WK 2002 in Japan en Zuid-Korea. De gehele eerste ronde van dat wereldkampioenschap bracht ik alleen, blowend op de zitbank van mijn vriendin door, met wie ik een kamer van dertig vierkante meter deelde. Om de hoek was een coffeeshop die Rusland heette en daar ging ik in een poging om gunstige voortekenen af te dwingen, hash kopen voorafgaand aan de beslissende wedstrijd, tégen Rusland. Toen Marc Wilmots de verlossende 3-1 scoorde, was ik zo stoned dat ik niet meer kon juichen.
Nu fietste ik naar Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond in een zwart t-shirt waarop een afschrikwekkende beeltenis prijkte van een rode Satan die met de ene hand het standbeeld van Christus De Verlosser greep terwijl hij met de andere zijn drietand in een brandende wereldbol prikte. Het voelde niet goed. Een beetje geforceerd. Eerder deze week had ik in NRC Handelsblad de Rode Duivels-gekte vergeleken met het gedrag van Asperger patiënten. Mét excuus aan alle Asperger patiënten ter wereld maar mijn punt was dat het mij voorkwam dat wij Belgen gedrag imiteerden – de oud-Hollandsche WK-beleving met name – ten einde te kunnen functioneren in een situatie die ons bevreemdde, namelijk: wij hadden een goeie voetbalploeg.
Op het plein voor de Brakke Grond ging ik naadloos op in het duivelse feestgedruis. Ik kende niemand. In de rust haalde ik twee pintjes en gaf er één aan mijn buurman met wie ik af en toe wenkbrauwen fronsend oogcontact had. Er ontstond een spontaan gesprek, ook al zo’n discipline waar wij Belgen niet bovenmatig in excelleren, en we hadden het erover dat wij nooit in de Brakke Grond kwamen. Alleen als het moest, zeg maar. En nu moest het.
Fransen, Engelsen, Oostenrijkers: allemaal vormen ze een levendige, hechte community in Amsterdam. Ik ken hier geen énkele Belg. Wij gaan op in de stad en het land, zeggen binnen de kortste keren dingen als ‘te gek’ en – in dit geval – ‘kutwedstrijd’. En nu stonden we samen op een plein te doen alsof we zwart-geel-rode Hollanders waren.
Het spel werd er niet beter op. Hier en daar gingen mensen weg. Mijn buurman haalde geen pintje voor mij. Wij waren misschien een soort van Asperger patiënten, maar we waren er niet heel erg goed in. Tot Origi scoorde. Het plein ontplofte. Ik sprong als een gek op en neer en bleef minutenlang ‘Ja! Ja! Ja!’ schreeuwen. Mijn buurman hield zijn vlakke hand omhoog en ik knalde de mijne er tegen aan. En het gekke was: het voelde echt. Al die Amsterdamse Belgen waren bang geweest. Iemand had ons in een situatie geplaatst waar wij totaal niet op rekenden. En nu, eindelijk en wellicht juist daarom, kon het: samen zijn.
Drie pinten later fietste ik naar huis langs statige grachtenpanden en groen water waarover smaakvolle houten sloepen gleden. Intuïtief draaide ik een smal steegje in en stond voor coffeeshop Rusland. Ik stapte af, ging naar binnen en kocht twee gram Afghaan van een goed jaar. Volstrekt overbodig: ik was al high.