Hand.

Lola was boos op me en Liefje zei dat ik het moest uitpraten. Ik ging op de rand van het bed zitten, streelde haar haren en kietelde haar in de zij en ze begon onmiddellijk te lachen. Ik zei: 'O maar je bent niet boos.' Meteen begon ze te huilen. Ik bleef haar haren strelen, en praatte rustig op haar in en uiteindelijk zei ze wat haar dwars zat. Ik zei: 'Sorry daar heb je gelijk in, dat had ik niet moeten doen.' En terwijl ik dat zei, en met mijn rechterhand haar haren bleef strelen, zag ik ineens iets groot en harig naast haar schouder liggen, vleeskleurig en roerloos, een ding, een beest, een monster wellicht dat ik niet kon thuis brengen en dat ook niet in dit bed leek te horen, niet in het bed van een meisje met verdriet – dat was mijn linkerhand.

Verlanglijst.

We kwamen thuis van de naschoolse opvang en Lola zei dat ze die middag aan haar verlanglijst voor Sinterklaas was begonnen en ze toverde een afgescheurd stuk papier tevoorschijn waarop ze in potlood had geschreven en ze vroeg of ze haar lijst mocht voorlezen. Ik zei: nu even niet, doe dat straks maar. Veel had ik die dag niet gedaan op kantoor. Een paar verplichte klusjes waardoor de rest van de weekagenda nu maagdelijk leeg was en ook de weken daarna lijkt er tijd te zijn, grote witte vlakken vol tijd, en dus mogelijkheden, en dus verplichtingen. Zo werkt dat in mijn wereld. En het was over die verplichtingen, die ik welbeschouwd niet heb, enkel aan mezelf (en dat is pech want ik ben wellicht de vervelendste knakker aan wie een mens dingen verplicht kan zijn) dat ik de rest van de dag had zitten piekeren terwijl ik ongeconcentreerd een boek las dat nochtans in deze kwestie van nut zou kunnen zijn. Ik begon de bak van de fiets uit te laden, mijn tas, Lola’s rugzak, mijn jas, ik zette de fiets binnen, tilde de kleinste uit haar zitje, duwde Lola’s fiets naast de auto, bedacht wat ik dadelijk voor die twee bandieten zou gaan koken en tegen de tijd dat ik de sleutel in de voordeur stak hoorde ik Lola nog net, triomfantelijk en ter conclusie, zeggen: ‘En een knuffel pinguïn.’

Brugge.

Tijdens het interview voelde ik me moe en leeg, een staat van zijn die er meestal toe leidt dat mensen achteraf zeggen dat het fijn is dat ik zo ‘bedachtzaam’ praat en altijd ‘rustig mijn tijd neem’ vooraleer een vraag te beantwoorden hetgeen een kwaliteit schijnt te zijn, maar toen begon ik plots te vertellen over die kwestie die mij ’s nachts, op klassieke wijze starend naar het plafond, liggend op de veel te harde matras van het hotelbed had wakker gehouden, iets wat ik normaal gesproken nooit doe, over het algemeen weet ik prima hoe ik een publiek kan entertainen zonder iets van mezelf te laten zien, ik weet hoe ik een charmant ogende grote mond moet opzetten en nu vroeg ik me plots af waar de ik gebleven was die in vroeger dagen altijd en overal een charmante grote mond op had, en meteen daarna werd ik bang dat die ik voor altijd verdwenen was, net als die dagen, en dacht ik aan het raam van de hotelkamer dat ik bij aankomst had gesloten en waarvoor ik was blijven staan, niet op klassieke wijze naar buiten starend maar naar het raam zelf, een glasplaat in een oude camera waarop langzaam contouren zichtbaar werden en hoe ik dacht: als ik lang genoeg stil blijf staan, zal ik mezelf zien.

Rechtsaf.

Voor mij fietste een jonge Chinese vrouw, stijf rechtop, met beide handen stevig aan het stuur. Wat verderop moest ze rechtsaf; heel even, en heel snel, liet haar rechterhand het stuur los en maakte een korte beweging naar rechts, die niet meer dan een seconde duurde maar in die seconde, van zodra de rechterhand het stuur had losgelaten, begon de fiets onmiddellijk vervaarlijk te zwalken, en dat zwalken ging nog meters door, ook nadat de hand het stuur al lang weer stevig beet had en ik moest denken aan Lola die een dag eerder, toen we van school naar huis fietsten, vol trots had geroepen dat ze met één hand kon fietsen en dat op precies dezelfde wijze had gedaan en op precies dezelfde wijze was gaan zwalken, alleen moesten wij niet naar rechts afslaan maar gewoon rechtdoor, en de hele verdere weg naar kantoor lang zag ik overal mensen hun rechterarm uitsteken, en ook het meisje dat in het midden van de weg tegen de richting in op mij en een stuk of wat toeterende auto’s kwam af gereden, heel langzaam, bijna surplacend, met onbewogen gezicht, alsof alles wat er in haar leven te beslissen viel al lang was beslist en het verder helemaal niets uit maakte wat ze nog zou doen of zeggen omdat er niemand op haar wachtte of naar haar zou luisteren behalve mensen die haar niks konden schelen, zo’n blik, welnu, ook dat meisje stak haar rechterarm uit.

(mvs).

Ik kwam aan op kantoor, zette het raam open, verbond mijn laptop met alle daartoe bestemde apparaten in de ruimte en zette de nieuwe Alt-J op. Die begint met een a capella intro. Niemand had mij dit verteld. En ook had ik tot nog toe niemand gehoord of gelezen die naar aanleiding van de nieuwe Alt-J over de Flying Pickets begon, terwijl mij dat een welverdiende straf lijkt, voor beide bands.
Nu lees ik niet meer zo vaak cd-recensies of interviews met bands, ik weet eigenlijk helemaal niet hoe het met de muziekjournalistiek is gesteld maar ik weet wel dat ik vroeger het meest genoot van recensenten die een verschil konden of beter, wílden maken. Ik ben altijd een liefhebber geweest van de eigenzinnige loftrompet én de goed geschreven, vileine afkraakrecensie. Daar schijn ik alleen in te staan, zeker onder schrijvers is het niet bon ton om te genieten van iemand die zijn volledige stilistisch vermogen in dienst stelt van het met de grond gelijk maken van een boek. Nochtans kan dat zeer mooi zijn. Ik heb zelf de nodige kutrecensies mogen ontvangen in mijn leven en ik heb van elk van die recensies kortstondig maar stevig gebaald. Daarna resteerde slechts de teleurstelling over het niveau van de tekst. Met uitzondering van een paar hilarische sneren van Marc Van Springel in Humo, back in the day. (Voor de liefhebber: Humo duikelde die recensie weer op naar aanleiding van het verschijnen van Dieven van vuur, te lezen onderaan dit interview.) Zeker voor een schrijver is een nog grotere belediging dan slecht gerecenseerd worden: slecht geschreven slecht gerecenseerd worden. Marc Van Springel schrijft volgens mij al een tijdje niet meer voor Humo, ik weet eigenlijk niet waar hij uithangt, maar om nog even terug te komen op de nieuwe Alt-J: hij zou er volgens mij wel raad mee weten.

Een al te pragmatische benadering is van de kwestie.

’s Middags kocht ik wederom een broodje bij de broodjeszaak. Mijn lievelingsserveerster zong en floot. Ik vroeg waarom ze zo vrolijk was. Ze haalde giechelend de schouders op en zei dat ze altijd zong en floot. Ik zei: ‘Niet wanneer ik binnen kom.’
En ze giechelde opnieuw, smeerde mijn broodje, een waarlijk fenomenaal broodje rosbief als u het graag wil weten en anders ook, en ging gewoon door met zingen en fluiten. Naar mijn idee iets luider ook.
Ik rekende af en liep terug naar kantoor. Op de brug stond een stelletje en ze namen een selfie met zo’n stick, je weet wel. Ik bleef staan kijken vanop een afstandje, volgde met mijn ogen de stick die de lucht in ging en ondertussen vroeg ik mij af hoe ik kon vermijden dat ik moe zou worden. Niet uit luiheid maar om te voorkomen dat de wereld te klein wordt. Ik veronderstel dat ik zou kunnen beginnen met iets te doen aan de afvoerpijp boven onze slaapkamer die mij vannacht wakker hield met aanhoudend, angstaanjagend regelmatig druppelen op het zinken dak, alsof de wereld zelf ook wel doorheeft dat hij aan het krimpen is en mij urenlang op de schouder bleef tikken ter waarschuwing maar ik vrees dat dit een al te pragmatische benadering van de kwestie is. We zullen zien.
De stick daalde neder. Je ziet hem tegenwoordig overal in Amsterdam, vooral bij de wat welgesteldere jonge toeristen heb ik de indruk hoewel, later, op de weg terug naar huis, zag ik zelfs een bejaarde vrouw met zo’n idiote selfiestick in de weer, midden op de weg. Nu zullen we het krijgen dacht ik en duwde de trappers stevig naar beneden terwijl ik enige gedrag corrigerende maatregelen in overweging nam. Eenmaal op haar hoogte aangekomen bleek het om een fluo paarse kruk te gaan. En toch.

Bugatti boven water.

Vorige week las ik Bugatti boven water van Dea Loher. Op vakantie had ik een interview met haar gelezen in een oude Vrij Nederland. Daar had ik blijkbaar een notitie van gemaakt en die notitie was ik na thuiskomst weer tegen gekomen.
Dea Loher is een Duitse auteur, vooral theater. Ik was verondersteld haar te kennen, op die toon was het artikel in Vrij Nederland geschreven. Bugatti boven water is erg goed. Nooit voorspelbaar, nergens krampachtig – een combinatie die je zelden tegen komt. Intens ook; soms moest ik aan Hertha Müller denken. Opnieuw maakte ik notities. Opnieuw was het een kort boek. Het ding met korte boeken: ze lijken zo simpel. Achterin Bugatti boven water staat een verantwoording waaruit blijkt dat Dea Loher vreselijk veel werk in dat boek heeft gestoken. Honderddrieëndertig pagina’s (in epub format). Vreselijk veel werk. Het is vaak moeilijk uit te leggen.
Momenteel lees ik De geschiedenis van de liefde, van Nicole Krauss. Ondertussen orden en verzamel ik materiaal voor vier verschillende ideeën. Of vijf. Ik doe het ongeconcentreerd, wip van de hak op de tak, ben ongedurig, wil beginnen schrijven, weet dat dit heel dom zou zijn. Denk: dit wordt een fabelachtige mozaïekvertelling. Denk: dit worden vier aardige novelles waar niemand ene fuck om zal geven. Lees in De geschiedenis van de liefde: accepteer nooit de dingen zoals ze zich aan je voordoen. Denk: wat het ook wordt, dit wordt vreselijk veel werk. Geen probleem.

Totsi.

’s Ochtends zei Lou Victoria: ‘Ik luistert niet naar jou.’
‘Hoezo?’ zei ik.
‘Ik luistert wel naar jou,’ zei Lou. ‘Als jij boos is!’
‘Nou, lekker dan,’ zei ik.
We fietsten naar school en crèche en ergens halverwege begon mijn fiets te piepen. Nog geen twee weken geleden liet ik hem herstellen. ‘Iets in de achterwiel,’ had de fietsenmaker gemompeld en ook nu leek het geluid uit mijn achterwiel te komen, het geluid van metaal op metaal. Mijn fiets kraste en krijste. Vijf jaar oud is het ding nu, ik kreeg hem van mijn toenmalige uitgever, bij het verschijnen van mijn debuut. De fiets was deel van hun contractvoorstel, maar ook zonder die fiets had ik wel bij hen getekend en dat zou ik nu ook weer zo doen. In die vijf jaar schreef ik drie romans. Dat is te veel. Dat zou ik niet meer zo doen.
Krassend en krijsend fietste ik naar de C1000 en kocht er de basisbenodigdheden van elk jong gezin: melk, toetjes, een sixpack Jupiler. De dag op kantoor verliep rustig en zonder noemenswaardige calamiteiten of het moest het tosti-apparaat zijn dat de jongens die verderop in de gang zitten in een klein kamertje schuin tegenover mijn werkkamer hebben geïnstalleerd. Ik weet niet wat voor zaken die jongens doen, maar er moet heel veel over getelefoneerd worden terwijl ze voor mijn deur op en neer lopen en ook moeten er tosti’s bij gegeten worden. Totsi’s, zoals Lou Victoria zou zeggen. Maar de totsi’s die wij thuis maken, op woensdagmiddag, die stinken niet.