Beeld.

Iets na drieën kwam de klas naar buiten en toen Lola me zag wrong ze zich tussen de andere kinderen door om de juf een hand te geven en daarna stormde ze op me af en we knuffelden. We liepen naar mijn fiets, ik legde mijn arm op haar schouder en zij sloeg haar beide armen rond mijn been, ik zag ons in de ramen van de school gespiegeld en vroeg me af of zij zich dit zou herinneren, later, of dit beeld af en toe weer bij haar op zou komen, misschien aan het eind van een lange werkdag terwijl ze in de vochtige koude staat te wachten op de trein naar huis en de batterij van haar telefoon is leeg en ze is haar handschoenen vergeten en straks moet ze nog het laatste stuk met de fiets, wind tegen, wellicht zou dat zo’n avond zou kunnen zijn waarop zo’n beeld uit het niets haar hoofd komt binnen zeilen: zij die het been van haar vader dicht tegen zich aan drukt en zo met hem naar de fiets bij de deur van de crèche wandelt waar we eerst nog haar zus op gaan halen en ook vroeg ik me af of ik zelf zo’n herinnering aan mijn vader heb. Ja, ik heb er een. Het is de jaarlijkse voetbalwedstrijd van de bank waar hij werkt. We lopen over de modderige parkeerplaats naar de kantine, hand in hand, en in zijn andere hand draagt mijn vader een sportzak. Ik weet niet hoe oud ik ben, en of je op die onduidelijke leeftijd al tevreden kan zijn, een besef hebt van wat dat is, tevredenheid, maar ik denk wel dat ik het was en die hele middag bleef, misschien afgezien van het moment waarop ik vaststelde dat mijn vader de scheidsrechter was.

Rolkoffer.

Bij aankomst in Leuven was het koud en ik was moe en had geen zin om met mijn rolkoffer de hele stad door te ratelen naar het hotel. Ik hou van mijn rolkoffer, seriously, en van eerdere bezoeken aan Leuven weet ik dat de Bondgenotenlaan nog prima te doen is, een normale stoep, met normale tegels, maar zodra het Stadhuis in zicht komt gaan die stoeptegels over in een veel kleinere variant hetgeen het ratelen van mijn koffer aanzienlijk in frequentie doet toenemen en ter hoogte van het Stadhuis zelf gaan ze over in rasechte kasseien waardoor mijn rolkoffer en ik voor de plaatselijke bevolking onuitstaanbaar worden, voor zover het minutenlang afgaan van een volautomatisch geweer onuitstaanbaar kan zijn, dan wel mensonterend vreselijk.
Kortom, ik begaf mij onmiddellijk naar de dichtstbijzijnde taxi. Een lange, onverzorgde chauffeur keek me verdwaasd aan en ik zei: ‘Het Ibis hotel in de Brusselsestraat.’
De man toonde mij zijn handpalmen en antwoordde: ‘Jamaar. De Brusselsestraat… Ja, maar. Dat is…’ En hij wees in de richting van de Brusselsestraat.
‘Ik weet waar de Brusselsestraat is,’ zei ik.
‘Ja, maar allez… Dat is… Eeej, maar, komaan.’
Nu hield hij het hoofd schuin terwijl hij mij nog steeds zijn handpalmen toonde maar ik kon eerlijk gezegd niet zien wat er zo bijzonder aan was. Het leek alsof hij uiting wenste te geven aan een bepaalde verontwaardiging. Niet kwaad of onbeschoft – in Amsterdam zou deze taxichauffeur nooit kunnen overleven. Het had iets weg van een houding die hij cultiveerde en door de jaren heen had geperfectioneerd zoals anderen aan hun conditie werken in de sportschool en de gewichten opdrukken terwijl ze naar zichzelf kijken in de spiegel. De chauffeur zuchtte diep, zei nog één keer ‘De Brusselsestraat. Ja…maar allez jong.’ En verroerde zich verder niet.
‘Oké. Dus ge wílt niet rijden? Ook goed!’ schreeuwde ik. En na deze wellicht zwakste en meest pathetische repliek waarop een taxichauffeur in de geschiedenis van de mensheid ooit is getrakteerd, ratelde ik woedend weg, met mijn rolkoffertje, in de richting van de Bondgenotenlaan.
Later, tijdens de knusse leesclubbijeenkomst, was de eerste vraag die ik kreeg: ‘Waarom zijn alle personages in jouw boeken altijd zo alleen?’
Daar had ik vreemd genoeg niet zo snel een antwoord op.

Borrel.

Na afloop was er een borrel in een kroeg waar ik bij een vorige gelegenheid ook al was beland en die toch op een heel andere plek gelegen bleek te zijn dan in mijn herinnering, namelijk, vlakbij het park, naast het grote toegangshek dat nu gesloten was. Nu ja. Niet precies er naast, want er zit nog een woonhuis tussen, een woonhuis dat ik ook al ken, en zeker de witte houten deur waar ik twintig jaar eerder een meisje tegenaan had gedrukt terwijl we zoenden, de deur ook waardoor ik vervolgens alsnog niet naar binnen mocht en ook die deur bleek zich nu te bevinden op een andere plek dan voorheen, tussen die kroeg en het park dus, en ook zat er op de deur een brievenbus, geen gleuf, maar echt een box, er was helemaal geen ruimte om iemand tegen die deur aan te drukken, dat zou pijn doen of op zijn minst onhandig uitpakken maar dat had het helemaal niet gedaan, zoveel kan ik je wel verzekeren.
Eenmaal binnen dronk ik een paar biertjes. Het was warm, er waren mensen die ik kende en mensen die ik niet kende en mensen die ik kende die zich gedroegen alsof ik hen niet kende maar dat kan ook aan mij hebben gelegen, alleszins, ik ging er al snel en ongemerkt weer vandoor en eenmaal buiten – de kroeg, de deur, het hek uit het zicht verdwenen, en de koude beukend op mijn kaken, en mijn tong tastend naar een pijnlijk wondje aan de binnenkant van mijn wang – besefte ik dat ik die avond nog niks gegeten had.

Op tijd.

Ik was ruim op tijd en liep het perron op met de bedoeling nog een kwartiertje te lezen toen ik een dame die ik kende op een bankje zag zitten spelen met haar telefoon. Ik wist dat ze in Amsterdam werkte, al meer dan een jaar, maar in die tijd hadden we elkaar niet één keer gezien en ook nu zag zij me niet, volledig verdiept, en ik twijfelde of ik door zou lopen. Ik zou twee uur op de trein zitten en die tijd wilde ik gebruiken om de tegenwoordig weer verplichte duizend woorden per dag te tikken, twee uur voor duizend woorden, dat is best krap maar daar stond tegenover dat ik al de hele ochtend tijdens het oppassen op Lou, en het smeren van boterhammen en het bakken van pannenkoeken, en het beantwoorden van emails en het uitladen van de vaatwasser had nagedacht over wat ik tijdens die twee uur zou gaan tikken.
Ik stapte op haar af. We raakten aan de praat en ik merkte bij mezelf dat ik moeilijk op gang kwam. Ik was weliswaar het gesprek begonnen en toch gaf ik alleen maar korte, ontwijkende antwoorden. Pas na een tijdje realiseerden mijn lichaam en brein zich dat de situatie veranderd was, dat wij ons niet meer aan het voorbereiden waren op twee uur tikken maar ons in een gesprek bevonden dat aandacht en grapjes behoefde en dra ging de conversatie vlotten, kwamen de dame en ik beetje bij beetje in de oude modus terecht en nét toen alles weer als voorheen scheen te worden, arriveerde de trein. We namen afscheid, ik zocht haastig mijn plaats op, klapte de laptop open en toen begon het hele proces weer van vooraf aan maar dan omgekeerd.

Bril.

’s Avonds is het nu eindelijk bijna zo koud dat ik kan denken aan de voetbaltrainingen van vroeger. Kunstlicht in de mist, en de trainingsvesten die na een half uur dampend op elkaar langs de rand van het veld liggen. Sprintjes die je longen verbranden, partijtjes vier tegen vier, de grond vochtig en de opspattende aarde donker maar geen modder, nee, de modder ligt al achter de rug, de slidings zijn gemaakt, de zoden losgekomen, het gras wacht nog slechts, verminkt, op de vorst. Die komt volgende maand. Daarna: betonnen velden, rijm op gras of wat er van over is, oranje ballen die oncontroleerbaar hoog opspringen. Shoes zonder noppen – bah.
En ook denk ik aan affiches plakken, ’s nachts, de verdwenen IJzeren Brug op de Italiëlei, de muurtjes die daaronder stonden, de poster die een vriend had ontworpen: een zwart wit foto van een huilende, naakte baby die op de hoes van een van de eerste platen van de Pixies prijkte, en hoe de emmer met lijm in een kartonnen doos op mijn bagagedrager stond. De een smeren, de ander plakken, ondertussen uitkijken voor de politie, die kwam, de dolle race door de studentenbuurt, allemaal in diezelfde vochtige kou en daarna de kroeg, die warm was, en dáárna, misschien wel nu pas: de aandampende glazen van de bril waarvan ik in die tijd dacht dat ik hem nooit nodig zou hebben.

Goed verhaal.

Zaterdagavond was ik alleen thuis en ik stelde mezelf voor een hartverscheurende keuze: doorlezen in Portnoy’s Klacht van Philip Roth of een jointje blowen en Reservoir Dogs herbekijken.
Na een half uurtje lezen draaide ik alsnog een jointje en zette Reservoir Dogs op. Leer mij mezelf kennen. Het was 21 jaar geleden dat ik die film had gezien. Voor mij is hij onlosmakelijk verbonden met C’est Arrivé Près De Chez Vous. Beide films keek ik binnen het tijdsbestek van een week in een bioscoop in het centrum van London. Beiden bevatten gewelddadige scènes die in die tijd voor opschudding zorgden. Ik studeerde in London, woonde vlakbij Finsbury Park en ging tijdens mijn verblijf drie keer naar Arsenal kijken in het oude Highbury stadion. Tevens kwam ik een kilo of vijf bij (pizza & kebab) en probeerde ik mijn toenmalig lief te bedriegen; iets waarin ik deerlijk faalde. Verder herinner ik me niet zo gek veel van dat verblijf, net zomin als ik me veel kon herinneren van Reservoir Dogs. Of nee, het is precies andersom. Ik herinner me veel meer van Reservoir Dogs dan die film bij het herbekijken bleek te zijn: hij bestaat slechts uit een handvol scènes (ik dacht meermaals: dit is geen film, dit is een toneelstuk) en al die scènes zijn gebaseerd op kennis van feiten die de kijker niet of nauwelijks tot zijn beschikking heeft. Toch denkt de kijker – nu ja, ik in ieder geval – zich die feiten meer dan 20 jaar later nog steeds te herinneren. Zo vertel je een goed verhaal.
Onlangs deed zich de kans voor om naar London te verhuizen. Dat ging uiteindelijk niet door. Ook een goed verhaal, en lekker kort.

Pieten.

De grote meisjes stonden op de dranghekken, hielden hun plastic tassen klaar met beide handen terwijl kleine Lou tussen benen en tralies door naar de overkant keek en een vriendinnetje van de crèche ontdekte. Wij, volwassenen, hielden ons op de achtergrond en bespraken de actualiteit. Er fietsten heel wat politieagenten over en weer over het traject. Af en toe een motor. Na een half uurtje wachten zagen we de gepantserde wagens van de ME naderen. Meteen daarna kwamen de rolschaats-Pieten. De politieagenten fietsten evenwel nog steeds over en weer, dwars door de opstartende optocht heen. We begonnen er een sport van te maken de ‘stille’ Pieten te ontdekken. Eentje had een oortje. Eentje had een portofoon. Eentje stond lang en ingetogen te luisteren naar wat een agent tegen hem zei terwijl achter zijn rug het vriendinnetje van Lou om aandacht schreeuwde. De eerste feestwagens kwamen in zicht, steeds meer Pieten – de grote meisjes hingen nog steeds over de hekken maar lieten nu af en toe met een hand hun tas los om te high fiven met een Piet, en dan waren er nog de pepernoten. Sinterklaas zelf ging vrijwel onopgemerkt voorbij.
Toen we naar huis fietsten zag ik nog een turkoise Piet. Ik wees de buurman erop.
‘Ja,’ zei hij, ‘Maar hij heeft wel oorringen.’
Dat was waar. Kortom, er bestaat momenteel een enorme diversiteit aan Pieten, dat is zonneklaar. Het zou me verbazen als het ooit anders is geweest.

Hangmat.

Sinds enige tijd heb ik op mijn werkkamer de beschikking over een hangmat. De opzet was dat ik in deze hangmat zou kunnen lezen. (Ik heb geen goede leesstoel op kantoor, ik heb sowieso slechts 1 stoel op kantoor, een uitstekende, ergonomisch verantwoordde en veel te dure bureaustoel die ik begin 2008 kocht, bij aanvang van mijn zelfstandigenbestaan, een investering in de toekomst en mijn gammele rug waar ik nooit spijt van heb gekregen edoch een goede leesstoel? Nee.) Daarnaast: films bekijken op de iPad, en belangrijkst van al: een middagdutje doen. Middagdutjes zijn cruciaal. Wij zouden in een heel andere wereld leven als iedereen kort na de lunch een middagdutje zou doen, dat is mijn overtuiging.
Nu heb ik die hangmat sinds een week of twee en ik heb er hooguit al een keer of drie in gelegen, kort, niet langer dan enkele minuten tijdens dewelke ik overdacht welk een grandioos idee het is geweest. Meestal zit ik aan mijn bureau en denk ik: ik doe nog even snel dit of dat en dan ga ik in de hangmat liggen. En wanneer ik dan dit of dat heb gedaan, denk ik aan iets anders dat ik nog even snel ga doen voordat ik in die hangmat ga liggen en voor ik het weet is het alweer tijd om naar huis te gaan. Kortom. Een grandioos idee indeed, en zo krijgt een mens op een dag heel wat gedaan.