Reactie.

Gisteren zag ik op Twitter een bericht van iemand die zei: 'Lees veel defensieve reacties op Elly’s Choice. Dan zal het wel een succes worden.’ Dat bericht werd dan weer gefavorited door mensen betrokken bij Elly’s Choice.
Nu voelde ik me niet aangesproken want volgens mij had ik een best genuanceerd stukje geschreven maar dit gezegd zijnde is defensief reageren natuurlijk in het algemeen heel populair op sociale media. Er is maar één soort reactie populairder en dat is de bovenstaande variant die eigenlijk zegt: ‘Wat reageer je defensief, hier ga ik inhoudelijk niet op reageren.’
Kortom. De defensieve vicieuze cirkelreactie. Je ziet ze vaker. Eerst was de Ice Bucket Challenge tof, daarna was hij overdreven ego-gedoe, daarna kwamen de ‘zeur niet zo over dat ego-gedoe’-tweets, daarna de ‘zeur niet zo over dat zeuren over dat ego-gedoe’-berichten en nu moet ik me al sterk vergissen als we de laatste 48 uur niet alweer begonnen zijn aan de herwaardering van de Ice Bucket Challenge want moet je zien hoeveel geld hij heeft opgeleverd. In al dat gekakel las ik hooguit 1 of 2 relevante artikels die hun best deden om iets zinnig te zeggen over waar de Ice Bucket Challenge-hype uiteindelijk, zij het ongewild, wérkelijk over gaat namelijk: welke overwegingen zijn van belang wanneer je kiest welk goed doel je steunt en welk niet (want kiezen moeten we, helaas). Sociale (media) druk lijkt me het minst wenselijke argument, zowel waar het de Ice Bucket Challenge betreft, als waar het gaat om enthousiast doen over Elly’s Choice ‘omdat zij tenminste iéts ondernemen.’ Rustige rationele redeneringen daarentegen.
Ik ben altijd een groot fan van sociale media geweest en ik heb veel aan het fenomeen te danken. Maar steeds vaker bedenk ik dat het een goeie zaak zou zijn als wie zijn mening gehoord wil krijgen, daarvoor weer eens wat meer moeite zou moeten doen. Zoals vroeger. Krijg je die gedachte nu pas, Victoria? Ja. Eigenlijk wel. En ze is even simplistisch en naïef als de gemiddelde defensieve reactie, dat weet ik ook wel.

Elly.

Tot voor een paar jaar mengde ik mij veelvuldig in het debat omtrent de digitalisering van het boek, en ook mocht ik graag zelf een potje experimenteren. Daar ben ik mee gestopt. Ik dreigde die-schrijver-die-het-altijd-over-ebooks-heeft te worden. Had ik geen zin in.
Bovendien komt die iTunes/Spotify/Netflix voor boeken er heus wel, vroeg of laat, ook zonder debat, en vooral ook zonder dat Nederlandse en Vlaamse uitgevers er veel over te zeggen zullen hebben, daarvoor is hun rol op mondiaal vlak veel te klein en lokale initiatieven zoals nu Elly’s Choice zijn wat dat betreft slechts vederlichte intermezzo’s in afwachting van de definitieve stabilisering van de wereldmarkt, de spelers die er wel toe doen moeten nog even hun robbertje uitvechten, nog een paar jaar zeg maar, en dan weten we wie gewonnen heeft en de rest van de boekenwereld zal zich daarnaar moeten voegen zoals de rest van de entertainmentwereld zich naar het model zoals uitgerold door iTunes/Spotify/Netflix/Etc heeft moeten voegen. Wie kent er nog de namen van Nederlandse mp3-downloadshops? Ze hebben bestaan.
Wat Elly’s Choice betreft, ik zie wel wat de bedoeling is: wind uit de zeilen van het illegaal downloaden halen en ik denk dat het aanbod en het doelpubliek daarvoor goed zijn gekozen. Verder kan je altijd kritiek hebben op de concrete uitvoering, maar laat mij maar gewoon aannemen dat men daarover heeft nagedacht. Twee dingen evenwel, bevreemden mij. Ten eerste. Men maakt nog steeds de klassieke denkfout: men denkt de consument te kunnen opleggen wat hij moet lezen. Top down. Terwijl internet precies andersom werkt: de consument bepaalt, de consument kiest en het aanbod is eindeloos. De zogenaamde poortwachterfunctie, het uitlichten en aanraden van titels, werkt alleen in de context van een eindeloos aanbod. Niet als de selectie samenvalt met het aanbod. Dat is ongeloofwaardig en er valt niet tegenop te argumenteren. Dat is trouwens een tweede klassieke denkfout: denken dat de consument vatbaar is voor rationele redeneringen. Mizzi van der Pluijm betoogde enkele weken geleden vol vuur en vlam dat de boekenprijs echt niet omlaag kon gezien het vele werk dat het produceren van een boek kost. Rationeel gezien heeft zij ongetwijfeld gelijk. Maar de consument zal haar niet geloven, zeker niet nu haar uitgeverij deelneemt aan een initiatief dat boeken verkoopt aan 30 cent het stuk. IK weet wel dat het twee verschillende zaken zijn, IK snap dat allemaal wel, en elke boekenvakker snapt dat. Maar het gaat niet om ons. Het gaat überhaupt niet om wie gelijk heeft. Het gaat om hoe het op de consument overkomt. Dertig cent voor een boek is gevoelsmatig gratis. Dat het een boek is waarvoor de kosten al zijn gemaakt, dat het tijdelijke korting is, … al die nuanceringen zijn niet aan de consument besteed. Boeken zijn dus gratis. (En Elly’s Choice heeft een beperkt aanbod, en de Torrentboer heeft een onbeperkt aanbod. Wie gaat winnen denk je?) Dat is de boodschap. En dat moet je jezelf realiseren. En dat men zich dit nog steeds niet realiseert, dat is het tweede punt wat mij bevreemdt. Maar goed. Ik juich elk initiatief toe. Ik ken veel van de mensen die betrokken zijn bij Elly’s Choice. Dat zijn geen domme mensen. Dus alle succes gewenst aan Elly, en hopen maar dat ik mij vergis. Ik zal het volgaarne toegeven.
(Heb ik toch weer een mening over digitaal uitgeven gehad. Ga ik nooit meer doen. Ik ga schrijven. Beloofd.)

De Kempervennen.

Iets voorbij Eindhoven verliet ik de autostrade en vervolgde mijn route over een regionale weg. In principe reis ik liever met de trein, maar op zijn tijd kan ik de hypnose van een lange autorit waarderen. Ik speelde een cd van Bright Eyes. ‘…everything seemed different and completely new to me. The sky, the trees, houses, buildings, even my own body.’ Keihard. En zo gleed ik over de Limburgse wegen terwijl ik allerlei zaken overdacht zonder een beslissing te nemen, vage plannen voor de toekomst die overgingen in herinneringen aan gebeurtenissen die ik liever was vergeten, en hoe ik alles anders ging doen, ja alles anders doen, dat is momenteel het overheersende thema – als u in het recente verleden met mij te maken heeft gehad, nou, zet je dan maar schrap – en ondertussen lintbebouwing, velden, rotondes en een file in Valkenswaard (arbeiders met bier in hun handen op het terras van een café) en dan opnieuw lange rechte stukken met hoge fiere bomen aan weerszijden en de horizon verstopt achter de ruggen van vrachtwagens en een bordje langs de kant van de weg: De Kempervennen. Als bronstige puber bracht ik menige herfstvakantie door in Center Parcs, ik mocht altijd mee met een goede vriend en zijn ouders en hun vrienden en het was in De Kempervennen dat ik voor het eerst een meisje zoende, een Engelse die Sarah heette en naar wie ik nog brieven heb geschreven waarvan de kladversies ergens boven in de kast moeten liggen en hoe de moeder van mijn vriend me daarop aansprak, een lieve vrouw die enige tijd geleden volkomen onverwacht overleed, tenminste toch voor mij, ik vond de overlijdensbrief pas dagen na de begrafenis bij terugkomst van vakantie, alleszins ze zei dat ik misschien wat meer aandacht aan mijn vriend moest besteden en ze had natuurlijk gelijk, mijn hele leven lang zou ze gelijk hebben als het op mijn vrienden aankwam en ik herinner me dat we na afloop van die week gingen eten bij een Chinees restaurant in Eindhoven, de Blauwe Lotus, die zit daar volgens mij nog steeds, en dat ik het visitekaartje van dat restaurant nog jarenlang heb bewaard.
Ondertussen kwam ik in Sint-Truiden aan. Ik parkeerde de auto en liep naar het hotel. De toegangsdeur was gesloten en met mijn hoofd nog vol muziek en beelden en spijt, belde ik aan. De intercom lichtte op. Een vervormde, gebroken stem riep ‘Hallo!’. Daarna volgde een eindeloze, harde, koude pieptoon.

Loodgieter.

Om half drie ’s nachts werd het gehele gezin Victoria wakker omdat Lou moest plassen. Dus moest Lola ook plassen. En ik ook. Nadat iedereen geplast had, kropen we weer in bed en Lola riep: ‘Papa, het regent in mijn kamer!’
Dat bleek te kloppen. Dikke druppels aan het plafond. Huize Victoria worstelt al een jaar of twee met een hardnekkig lekkend balkon. Tien weken geleden spendeerden we een paar duizend euro spaargeld om dat euvel ‘voor eens en voor altijd’ te verhelpen. Al die tijd werkten we met een loodgieter over wie ik bijzonder tevreden was omdat hij altijd op tijd kwam, in staat bleek vlot via email te communiceren en wanneer verbale communicatie noodzakelijk bleek, uitstekend articuleerde wanneer hij zijn zorgvuldig opgebouwde volzinnen debiteerde. Kortom, een man die de indruk wekte bekwaam én omzichtig te zijn, een man met een plan die niet alleen het probleem wilde verhelpen maar ook oog had voor de esthetische kant van de zaak – want ik ben dol op ons kleine fijne balkonnetje met houten vlonder, bankje en bloemetjes – iemand van ‘mijn soort’ die niet over één nacht ijs ging. Maar twee jaar is lang.
Terwijl de kinderen bij liefje in bed kropen en ik emmer en dweil onder de druppels positioneerde, begon ik hevig te verlangen naar een klassieker type loodgieter. Eentje die te laat zou opdagen, afwezig mijn hand zou schudden – ‘Theo.’ – mijn exposé over de mogelijke oorzaken van de lekkage totaal zou negeren terwijl hij naar boven stampte onderwijl onverstaanbare, korte, brute zinnetjes mompelend. Waarna hij mijn andere loodgieter zou bellen om te overleggen en terwijl die feilloos articulerend zijn betoog hield, naar mij zou kijken, de telefoon van zijn oor weg zou houden en hevig rollend met de ogen diep zou zuchten waarna hij twee blikken op ons balkon zou werpen gevolgd door drie welgemikte dotten kit op een plek die wij al die tijd over het hoofd hadden gezien.
Vandaag kwam die loodgieter. Bij het afscheid drukte hij mij een zelf gemaakt, gelamineerd visitekaartje in de hand. ‘En nou niet meer naar die rare bellen, oké?'
Ik boog schuldbewust het hoofd. En nu wacht ik vol verlangen op de regen.

Fantasie.

Lola vroeg of de Paw Patrol echt bestaat. Ik zei van niet en dat vond ze jammer. Later die dag vertelde ze een verhaaltje dat ze had verzonnen en het verhaal was precies wat ze die dag allemaal had gedaan en de hoofdpersoon heette Lola en het verhaal eindigde op de plek waar wij zaten, op een stoel aan tafel in de woonkamer, Lola ongeduldig wiebelend op mijn knie terwijl ze zei dat ze een verhaal had verzonnen. Ik begon maar niet over het Droste-effect.
Ik zei: ‘Nu gaan we vertellen wat er vanaf nu gaat gebeuren.’
‘Jamaar,’ zei Lola. ‘Dat is nog niet gebeurd.’
‘Dat maakt niks uit,’ zei ik. ‘Dat is fantasie, dat mag gewoon als je een verhaal vertelt, fantasie is niet hetzelfde als liegen.’
Ik sloeg geen acht op de lege blik in haar ogen die deze woorden genereerden en vertelde over de draak die onder de bank verborgen zat waar zij dadelijk op zou gaan zitten en hoe die heel voorzichtig onder die bank uit zou komen en dat zij daar niets van zou merken omdat ze Paw Patrol aan het kijken was en hoe die draak vervolgens heel voorzichtig aan haar teentjes zou beginnen likken om te kijken of ze lekker waren.
Dat vond ze heel grappig en ik zei: ‘Oké en nu vertel jij het verhaal vanaf waar we nu zitten, verzin maar wat.’ En ze vertelde precies hetzelfde verhaal, over de draak onder de bank, dat ik net had verteld.
Over fantasie gesproken. De afgelopen weken lees ik elke avond een paar verhalen van Jorge Luis Borges. Ik vermaak me kostelijk. Vaak vraag ik me af hoe ik zelf met een verhaalgegeven zou zijn omgesprongen, maar veelal kan ik me nauwelijks iets anders voorstellen dan wat hij ermee heeft gedaan. Dat is meestal een goed teken.

Wilco / Honderd / Sint-Truiden.

Twee jaar geleden publiceerde ik in Passionate Magazine een verhaal over mijn favoriete songtekst in de rubriek Losgezongen. Ik koos voor Jesus Etc. van Wilco. Raar eigenlijk, want ik ben zoals bekend vooral een fanatiek Elvis Costello-fan wanneer het op songteksten aan komt (Costello wordt vandaag 60 trouwens - hiep hiep!), wellicht hebben wij hier te maken met een typisch gevalletje van l'embaras du choix. Alleszins. De papieren Passionate bestaat helaas niet meer, maar hun website is springlevend, en sinds een dag of twee staat ook dat verhaal van mij online en wel HIER.

In dat Wilco-verhaaltje heb ik het over een trip naar New York in november 2001, twee maanden na de aanslagen. Een vrij memorabele trip was dat, om tal van redenen, behalve de reden waarom ik eigenlijk ging: ik begeleidde toenmalig Humo-journalist Gert van Nieuwenhove die daar De La Soul ging interviewen. (Wij spreken nu over de tijd dat ik nog in de wondere wereld der muziekindustrie werkzaam was.) Na die trip verloor ik Gert uit het oog en deze week dook hij plots weer op om mij te wijzen om zijn nieuwe blog Honderd waarin zijn persoonlijke hitparade aftelt. Nou en? Zal u denken. Maar ik herinner mij Gert als iemand met een vrij encyclopedische muziekkennis én een eigen mening. Dus dit is voor muziekliefhebbers wellicht een aanradertje.

Tot slot: aanstaande woensdag ben ik te gast in Sint-Truiden alwaar ik in het kader van Zin In Zomer geïnterviewd zal worden door Kurt van Eeghem. Ook Frank Pollet is van de partij en een en ander vindt plaats in een wonderschone Capucijnenkapel. Meer info HIER. Vooraf is er ook een martinoworkshop maar die is - i kid you not - uitverkocht.

Dat soort schrijver.

Die ochtend vertoefde ik aan de rand van een met kinderen gevuld zwembad op een Franse camping terwijl ik het leven overdacht en alles wat er tijdens mijn vakantie in de wereld gebeurde. Gaza, Israël, MH17, ISIS en ook dacht ik aan de hoogdravende stukken van collega’s die tot engagement opriepen terwijl ik zelf nog maar net mijn laatste lollige WK voetbal-stukje in de Standaard had gepubliceerd. Een licht gevoel van schaamte bekroop mij, daar, in de zon bij het water, en net op dat moment viel een brede schaduw over mij heen en hoorde ik een stem die vroeg: ‘Wat voor schrijver ben jij eigenlijk?’
Ik keek op en herkende een gezette man die de avond voordien deel had uitgemaakt van een gezelschap waartoe ik ongevraagd was gaan behoren tijdens de wekelijkse campingbarbecue waaraan ik onder dwang van mijn dochters deelnam. Meestal zeg ik op zulke gelegenheden dat ik in de ICT werk, maar nu was het me ontglipt voor ik het wist. Onmiddellijk was die ene vrouw die er altijd bij is beginnen giechelen en zenuwachtig had ze gezegd ‘dat iedereen dan maar beter op zijn woorden kon letten’. En zoals altijd had ik beleefd geglimlacht. Want wanneer mensen op hun woorden gaan letten, vertellen ze meestal de interessantste dingen.
‘Ehm. Ik schrijf verhalen en romans,’ zei ik.
‘Dat dacht ik al,’ zei hij op een toon die deed vermoeden dat de lokale autoriteiten gewaarschuwd waren. ‘Luister, ik heb niks tégen cultuur of zo maar ik wil niet in één van uw ‘verhalen’ voorkomen, oké?’
‘Oké,’ zei ik.
‘En mijn vrouw ook niet,’ zei hij.
‘Wie is uw vrouw ook alweer?’ vroeg ik.
‘Pas op hé vriend, ik heb u gewaarschuwd!’
Daarna liep deze overigens volstrekt fictieve man naar de rand van het zwembad en sprong er in.
Wat voor schrijver was ik? Aan het eind van die barbecue, had ik bedacht dat mijn nieuwe roman wel zo ongeveer in de steigers stond, zo mooi was het materiaal dat het gezelschap mij nietsvermoedend cadeau had gedaan. Maar nu, ingeklemd tussen wereldleed en campinganekdotiek, voelde ik me plots schuldig, nutteloos en zwak. Mijn tot engagement oproepende collega’s hadden gelijk: ik was geen schrijver, geen echte, ik was zo’n gast die schrijver wou zijn, ik schreef omdat ik dacht dat ik het was – maar misschien moest IK maar eens wat beter op mijn woorden gaan letten.
Ik liet mijn blik over het water gaan. De fictieve man kwam boven in het midden van het zwembad, schudde de schaarse haren op zijn hoofd als een hond, nam zijn vrouw bij de polsen vast en duwde haar lachend naar de kant. Dat ging bruusk, en zij gilde en riep ‘nee nee stop nou gek’ en al snel stond ze met haar rug tegen de zwembadrand. Rode striemen verschenen in haar vlees. Ze zat klem tussen de armen en de buik van de fictieve man en deze diepte een oranje spons op uit het kruis van zijn zwembroek en begon de vrouw daarmee op het hoofd te slaan, hard en lang, en zij onderging het, gelaten, terwijl de druppels die van haar natte haren over haar gelaat liepen zich vermengden met haar tranen.
En ik, ik haalde mijn notitieboekje boven, verontschuldigde mij in gedachten aan alle wereldleed en schreef het op. Want dát soort schrijver ben ik dus, en daar zal ik het mee moeten doen.

Anders.

Ik was nooit eerder zo moe op vakantie vertrokken. En toen we eenmaal goed en wel aan de rand van het zwembad zaten, zeiden mijn hersenen: ‘Luister vriend, dat was allemaal leuk en aardig wat je dit voorjaar hebt uitgespookt, knap ook, hoe je van de ene opdracht naar de andere klus rende en tussendoor een boek uitbracht maarrrrr: nu gaan we het er eens over hebben.’
Zo. Dat waren lange gesprekken.
Soms werd ik midden in de nacht wakker en dacht terug aan de oogopslag die ik bij iemand had waargenomen drie maanden eerder en wat die te betekenen zou kunnen hebben gehad. Ondertussen stond de wereld in brand. Dat zorgde dan weer voor schaamte. Jezus, had ik, als schrijver, echt niks beters te doen? En toen las ik allemaal columns van collega-schrijvers die vonden dat wij iets beters te doen hadden en dacht ik: echt niet. Zinnen die ik anders had willen opschrijven, gesprekken die ik anders had moeten voeren, fouten en nalatigheden van anderen maar vooral mijn eigen slappe zelf die hen er mee weg had laten komen. Ja, de sfeer zat er goed in, in dat hoofd van mij. Na twee weken was ik compleet uitgeput.
De derde week haalde ik de oude vishengel van mijn vader boven die ik in een impulsieve bui op het laatste moment in de koffer had gegooid en liep naar de rivier die de camping doorkruiste. Ik begon te vissen. Had ik al jaren niet meer gedaan. Valt van alles over te zeggen en op aan te merken. Kan mij niks schelen. De eerste middag ving ik vier vissen en ik dacht aan niets. Daarna liep ik terug naar de tent, ging in de hangmat hangen, zette nog één keer de voornaamste zaken aangaande dit voorjaar op een rij die mij dwars zaten, schreef ze op en besloot: deze dingen ga ik anders doen. Welke dingen dat precies zijn? Nu ja. Alles.