Niet helemaal lekker.

Ik fietste naar een Classical Rave – don’t ask. In de verte weerklonk een sirene. Het regende of dat leek het te willen doen maar echt veel kwam er niet van terecht. Desalniettemin greep ik mijn stuur stevig vast en trok mijn schouders op hetgeen niet mag wanneer je een lichaam hebt zoals het mijne waarin zowat alles kraakt en piept en schrijnt, ja nu reeds, na nauwelijks 45 miezerige jaren. Ik heb altijd gedacht dat ik niet veel ouder zou worden dan 65 maar de laatste tijd bekruipt mij het gevoel dat ik wel eens de tachtig zou kunnen halen. Nog minstens 35 jaar piepen, kraken en schrijnen. Waarschijnlijk ben ik volledig demonteerbaar tegen de tijd dat ik die laatste adem dan eindelijk uit mag blazen. 
Alleszins, lekker weer dus, en ik trapte stevig door. Bij een kruispunt werd ik plots afgesneden door een wagen die rechtsaf ging terwijl ik rechtdoor moest – hij wist net op tijd te stoppen en ik wist hem net te ontwijken en reed er omheen terwijl ik opzichtig mijn hoofd schudde zoals geroutineerde Amsterdamse fietsers horen te doen, met precies genoeg minachting om onuitstaanbaar te zijn en zonder oogcontact te maken uiteraard. Achter mij schreeuwde de chauffeur door zijn open raam: ‘Ik ging verdomme aan de kant voor een ambulance!’. En ik stak mijn hand op zonder om te kijken, gewoon stug doorfietsend. 
Had ik nu excuses gemaakt? Formeel gezien wel, dus formeel was dit opgelost. Maar ik had niet omgekeken, en geen oogcontact gemaakt, sterker nog alles in mijn krakende, piepende, schrijnende lijf had uitgestraald dat ik de chauffeur in kwestie nog steeds een lul vond en daarbij was er in de hele wijde omgeving geen ambulance te zien, en geen sirene meer te horen dus misschien had hij wel een fout gemaakt, gedacht dat die sirene een ambulance was, aan de kant gegaan, fietser afgesneden, woedend geworden om het minachtende hoofdschudden en toen maar snel dat raampje opengedraaid en mij nageschreeuwd om zichzelf te verantwoorden. O mijn god, dacht ik, dit is net het huidige maatschappelijke debat en kut zeg ik maak er deel vanuit. 
Daarna natuurlijk gewoon naar die Classical Rave gefietst of wat dacht je? Er speelden twee progrock bandjes, waarin jonge hippe mensen met waarachtige intenties op blokfluiten speelden voor een publiek van al even jonge en hippe mensen. Verdomd dacht ik, hier zit ook al iets niet helemaal lekker.

Vrouwen.

Voor de tweede opeenvolgende nacht werd ik wakker om 3:16. Ik dacht: als dit een roman van Murakami was dan ging nu de telefoon en kreeg ik een mysterieuze vrouwenstem aan de lijn die mij in de grootst mogelijke moeilijkheden zou brengen op een rustige en vanzelfsprekende manier. Maar dat gebeurde niet. Ik ging op mijn rug liggen en dacht na over de dromen waaruit ik beide keren was ontwaakt.
Gisterennacht bezocht ik de Euromast, samen met een dame. Rotterdam spreidde zich uit aan onze voeten maar ik keek helemaal niet naar de stad, ik keek om me heen en ik zei de hele tijd: ‘Kijk, we zijn alleen.’ En telkens wanneer ik dat zei legde ik mijn hand op haar onderrug en telkens wanneer ik dat deed, loste ze op in de lucht. 
Afgelopen nacht stond ik met de buurman te praten op de stoep, die tevens de oever van het IJ bleek te zijn geworden. Het sneeuwde. Even later kwam de lievelingstante van de kinderen aangevaren met onze boot, Lola stapte in, en ze begonnen rondjes te varen op het IJ terwijl de buurman en ik toekeken. ‘Nou,’ zei ik. ‘Wel fijn om te zien dat de motor het nog doet, ondanks de kou.’ Net op dat moment accelereerde de boot zo snel dat het voorsteven omhoog schoot, en het achtersteven volledig in het water verdween. Een seconde later was de hele boot gezonken. De buurman en ik doken het water in en zwommen ernaartoe. De lievelingstante kwam al snel boven maar Lola niet. Ik speurde rond in paniek, en plots zag ik onder mij een rode vlek en ik wist dat zij het was en ik dook – en werd wakker.
U hoeft het me niet te vertellen. Dit draait inderdaad allemaal om vrouwen die op vreemdsoortige wijze verdwijnen terwijl ik ze het liefst dichtbij me wil houden. Story of my life. 


Frits.

Nog geen kwartier nadat ik het vorige stukje hier had gepost, voelde ik me pedant. Dat is meestal het teken dat ik het ook was. Maar ja, dat kan gebeuren, gewoon doorgaan, zo snel mogelijk het vorige stukje naar beneden schrijven door een nieuw te posten, desnoods eentje dat nog pedanter is, alles om te vergeten en daarna iets om dát weer te vergeten en zo alsmaar door – wat een leven – en ondertussen gebeurden er nog dingen ook, leuke dingen bovendien, waardoor ik diep en droomloos sliep en vanochtend zo superrelaxed was dat ik de vroege pont haalde en pas toen die halverwege het IJ was besefte dat ik mijn telefoon thuis had laten liggen, en toen ik eenmaal aan dit stukje begon te tikken en me afvroeg hoe dit nu verder moest, realiseerde ik me dat de tijd trager ging, dat ik langer bleef zitten, dat het zonlicht de kamer binnen viel op een bepaalde manier, waardoor ik opnieuw moest denken aan het bericht dat nog altijd in mijn facebook mail zat, sinds zondagavond, een bericht dat me allerminst beviel maar dat ik nu weer open klikte, en dat me meevoerde naar de eeuwwisseling toen ik met diverse muzikale gezelschappen stad en land af struinde op zoek naar een klein beetje roem en aandacht van meisjes, een zoektocht die meestal niets opleverde behalve enkele duiten die wij grotendeels investeerden in bier en in onze geluidsman, een goeie gast, een Limburger die zelfs aan de meest gammele p.a. nog een acceptabele sound kon onfutselen hoewel hij dan wel meer vloekte dan gewoonlijk, een kerel die zoveel van muziek afwist en dan met name de rootsy hoek, dat wij, onnozelaren die per se popmuziek wilden spelen, er altijd een beetje door geïntimideerd waren, ons bewust van onze nietige plek in een geschiedenis waar wij geen benul van hadden, en bier drinken, dat kon hij ook al veel beter dan wij. Ik kan me niet herinneren wanneer ik hem voor het laatst heb gezien. Ik zag dat ik zelfs geen facebook vrienden met hem was, zo lang is dit allemaal geleden. Zondagavond kwam dat vervloekte bericht binnen.
‘Godverdomme,’ zei ik tegen Liefje. ‘Ze beginnen te vallen.’
Dag Frits.


Brief.

Ik werd wakker om zes uur, onrustig, en met een hoofd vol rondspringende gedachten. Ik draaide me op mijn rug en bleef zo liggen gedurende precies 45 minuten terwijl ik probeerde te reconstrueren wat er was gebeurd. Iets met een vrouw, uiteraard, een die ik nooit eerder in mijn dromen had gezien. Daarna nam ik een douche en ging naar boven.
In principe hecht ik eraan om langzaam in de wereld te landen, bij voorkeur alleen, gedachteloos aan tafel, met een kopje koffie en de krant, in een volmaakte stilte. Maar nu klapte ik de laptop open, tikte een paar zinnen op, legde een croissant in de oven, sloeg de krant open, tikte weer een paar zinnen, gaf Liefje een zoen, en daarna Lou, tikte drie woorden, daarna Lola, zette nog een kopje koffie, las verder in de krant, schreef weer wat dingen op. Kortom, het was gezellig. 
Nadat ik de boterhammen had gesmeerd, beantwoordde ik iemand op Facebook met de woorden: ‘De zeldzame keren dat schrijvers elkaar brieven schrijven, zijn tevens de enige momenten waarop ze elkaar recht in de ogen kijken.’ Een prima aforisme, al zeg ik het zelf, maar was het ook waar? Daar ging ik over nadenken, terwijl ik mijn kroost naar beneden joeg om tanden te poetsen en daarna de hele weg naar school, en terug, en daarna op de pont, starend in de vlammen die de zon in het water wierp, en nog later, in wankel evenwicht, fietsend door het bos, over ijs, en tenslotte over de dijk en tegen de tijd dat ik goed en wel achter mijn bureau had plaats genomen, was ik eruit.
Vervolgens opende ik mijn mailbox en warempel: daar zat een brief van een schrijver in. Een vrouw, die ik nooit eerder heb gezien of gesproken. Over een onderwerp dat mij dierbaar is. Goddamnit, dacht ik. Nu gaan we het zien.

Dingen die dit weekend gebeurden.

Lou Victoria (5) beleefde de eerste sneeuwpret van haar leven. Ik sprak de acteur en regisseur die in Vlaanderen mijn debuut Hoe ik nimmer… op de planken gaan brengen. Rutte en Wilders lachten het Nederlandse volk keihard in het gezicht uit, zo zeker zijn ze van hun zaak – why bother to debate als je ook een journalist kan inhuren om je kritiekloos te interviewen? Nadat ik in een tweet een onschuldig grapje had gemaakt werd ik door diverse personen geadviseerd zelfmoord te plegen – de intimidatiemaatschappij nadert met rasse schreden haar voltooiing, zie ook DENK – en wederom prees ik die gelukzalige 3e januari 1987 waarop ik besloten had nooit meer in discussie te gaan op Twitter. (Dit is een tip. Hou er mee op. Het levert niks op. Sowieso: nooit in discussie gaan met iemand die je niet recht in de ogen kan kijken. Wederom een tip. Zonder dank.) Iemand appte me: ‘met dit soort literatuuropvattingen kunnen we de helft van de wereldliteratuur naar de prullenbak verwijzen.’ Dat ging over de recensie van Billie & Seb in de Volkskrant waaruit ik, opportunist als ik ben, de quote ‘zijn ambitie is een verademing’ zal onthouden én exploiteren waar mogelijk. We poetsten ons huis, met het voltallige gezin. Ik ontving een ander appje dat zei: ‘That why I can’t not heard your call.’ Hetgeen onze hoop voedt dat deze gezinsactiviteit haar uitzonderlijke status in de toekomst zal behouden. Ik las in Mysteriën van Knut Hamsun. Ik kocht voor iemand De Zevensprong van Tonke Dragt. Ik zag een waanzinnige eerste helft van Liverpool – Tottenham terwijl mijn eigen geliefde RAFC van zichzelf verloor. 
En dan was er die lange, donkere zaterdagnacht. Buiten de sneeuw, opgejaagd door de oostenwind. Binnen ik, alleen, lopend, op en neer, op en neer. De fles wijn op tafel zoog zichzelf leeg, mijn longen schreeuwden om genade, mijn ogen dreven vermoeid op het zwart van het televisiescherm, uit de babyfoon kwam de rustige ademhaling van een klein meisje met gelukkige, gloeiende wangen, en ik, lopend, steeds maar weer, op en neer, op en neer, ingesloten door mijn eigen gedachten, en ik vervloekte mezelf.

Sterren retour.

Welk een wonderlijk recensieparcours legt die nieuwe roman van me af. Vrijdag verscheen in NRC een stuk waarin Billie & Seb ‘een hoogtepunt in het oeuvre van Victoria en volledig geslaagd bovendien’ wordt genoemd. Zo’n waardeoordeel is natuurlijk fijn, maar het was met name de aandacht waarmee Thomas de Veen het boek had gelezen en de grondige wijze waarop hij het besprak die ervoor zorgde dat ik zijn woorden met een stralende glimlach in ontvangst nam. 
Maar kijk, nauwelijks een dag later verscheen in het Parool een in alle opzichten povere bespreking van mijn geesteskind. Laat ons een kat een kat noemen: wie een bijvoeglijk naamwoord als drakerig uit zijn pen krijgt, moet gewoon zwijgen over het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden in het algemeen. 
Nu klink ik nijdiger dan ik was. Want laat ons niet vergeten dat terwijl dit alles zich in de marge van de brandende wereldactualiteit afspeelde, ik samen met mijn geliefde prinsheerlijk door Lissabon struinde, waarbij wij genoten van meerdere deugdelijke wijntjes en ik zowaar een fijne en ja, ik zou haast zeggen, bijdetijdse kasjmieren trui op de kop tikte die niet zwart was. Dan weet je het wel.
Sowieso accepteer ik élke analyse van Billie & Seb, laat dat duidelijk zijn. Toch wens ik – zonder in deze troebele tijden te gaan morrelen aan de redactionele onafhankelijkheid van de krant – van de drie sterren die Billie & Seb op onbegrijpelijke wijze alsnog van het Parool kreeg toebeeld, er twee aan de redactie te retourneren. Het zijn per slot van rekening mijn sterren nu, ik heb ze gekregen dus ik neem aan dat ik ermee mag doen wat ik wil.
Kortom: vier sterren in NRC, één in het Parool, dat zijn er samen vijf. Precies evenveel als ik Lissabon in het algemeen en het restaurant Boi Cavalo in de wijk Alfama in het bijzonder wens toe te bedelen.

Het totale begrip.

We stonden voor een kroeg waar even voordien iemands haar in brand was gevlogen. Ik wist niet dat dat zo kon stinken. 
‘De literatuur is een handboek, maar je komt er geen stap mee vooruit,’ zei de editor-in-chief. Goddamnit, blijkbaar hadden we die laatste daarnet tóch genomen. Het had geregend. De lucht zat vol zuurstof en de editor-in-chief snoof gulzig – maar dat was natuurlijk omdat wij stonden te roken.
Ik keek de dame in ons gezelschap aan en vroeg me af hoe ik haar zou gaan noemen in het stukje dat ik nu aan het schrijven ben. Lastige kwestie. Collega. Te afstandelijk. Vriendin. Zeker, maar te generiek. Er was iets aan de hand met haar. Ik dacht eerst dat ze naar de kapper was geweest maar nu dacht ik: ze straalt. Ze staat hier gewoon te stralen. Ondanks. Alles. Nog geen half uur geleden had ik haar in die rumoerige tent toegeschreeuwd: ‘Je vernedert hem omdat je hem terug wilt, hoe logisch is dat!’ Maar wat bleek: het was verdomde logisch. 

Eerder die avond was ik om de hoek, in een klein lokaal theater, te gast in een talkshow en ik had mezelf horen zeggen dat iedereen ernaar verlangt om volledig begrepen te worden, dat dit het verlangen is van Seb in Billie & Seb. Wat ik er niet bij had gezegd was dat het totale begrip ons kwetsbaar maakt. Eigenlijk verlangen we naar iets wat ons zal vernietigen. 
‘De dood, dát is het enige ware verlies,’ zei de stralende dame. Goddamnit, zeg. En dat allemaal op kosten van de uitgeverij.
De stiltes werden langer. Ik kreeg het idee dat niemand naar huis wilde. Voor mij hoefde het niet. Wat mij betreft konden we hier nog een paar uur blijven staan, of gewoon vertrekken naar nergens in het bijzonder en de boel de boel laten. Morgen bijvoorbeeld, vlieg ik zomaar naar Lissabon. Een heerlijk vooruitzicht, in principe. Met name op de zeldzame momenten dat ik erin slaag te vergeten dat ik ook mezelf mee moet nemen.

Oud zeer.

Vanochtend in De Morgen een gematigd positieve of gematigd negatieve – ik kom er niet uit – recensie van Billie & Seb (***). Geen probleem. Dirk Leyman volgt mij op de voet sinds mijn debuut en ik waardeer en respecteer zijn mening. 
Toch merkte ik irritatie op bij mezelf toen ik de inleiding las. Oud zeer. Ik las dat ik een opportunistisch schrijver ben die wanhopig op zoek is naar de grote doorbraak met behulp van slinkse marketingtechnieken. Maar dat schrijft Dirk niet. Helemaal niet zelfs. Maar zo lees ik het. Dat is dat oude zeer. Een stuk in De Morgen twee jaar geleden over de teloorgang van de Bezige Bij Antwerpen waarin ene Jan Stevens het niet nodig vond een gerucht uit het literaire roddelcircuit (‘Victoria werd weggekocht door Ammerlaan voor 50.000 euro!’) bij mij te verifiëren terwijl ik hem met liefde de waarheid zou hebben verteld. (Ik ben zelf op Harold Polis afgestapt, heb Ammerlaan nooit gesproken, heb helaas ook die waanzinnige zak geld nooit gezien), een gerucht dat door Kevin Absillis klakkeloos werd overgenomen in een reconstructie. (Zie ook de update onderaan deze blog) De suggestie een geldwolf te zijn en het impliciete leedvermaak over het feit dat Dieven van vuur geen bestseller werd, deed mij pijn. En nu zou mijn overstap naar Lebowski mijn zoveelste poging zijn ‘de kip met de gouden eieren te slachten’. 
De waarheid is dat ik op de dag dat De Bezige Bij Antwerpen werd ontmanteld, aan de Bij heb laten weten dat ik weg ging. Omdat mijn uitgeverij werd opgedoekt, maar vooral uit woede over het broddelwerk dat in Amsterdam was verricht rond Dieven van vuur. (Ondertussen is daar veel veranderd en kijk ik met plezier toe hoe Katrijn van Hauwermeiren dat mooie uitgeefhuis een nieuw elan geeft.) Ik belde de editor-in-chief, die toen nog gewoon een eenvoudige zzp-er was, en huurde hem op eigen kosten in om te gaan samen werken. Helemaal klaar met uitgevers. Twee jaar lang werkten we aan allerlei teksten en één daarvan werd Billie & Seb. En toen bleek de editor-in-chief plots editor-in-chief te zijn bij Lebowski, en tekende ik voor drie boeken bij een warm bad van een uitgeverij met een uitgeefbaas die gelukkig veel meer verstand heeft van marketing dan ik. 
Twee jaar geleden was ik een verdrietige, boze, moedeloze schrijver. Nu ben ik productiever dan ooit, en ik stel met genoegen vast hoe Billie & Seb de meest uiteenlopende reacties los maakt bij lezers en literaire kritiek. Dát is wellicht het soort schrijver dat ik ben, sterker nog: dat is het soort schrijver dat ik wil zijn. 
Wie heeft iets aan deze informatie? Niemand. Oud zeer. Het moest er nog één keer uit. Sorry. De volgende keer noteer ik het in mijn privé dagboek waarover ik in mijn testament heb laten opnemen dat het na mijn dood binnen 24 uur moet worden vernietigd, voordat een of andere opportunist – nee, ik noem geen namen, al zeker niet die van de editor-in-chief – ermee aan de haal gaat. Ondertussen denk ik rustig na over mijn volgende boek; een mild, humoristisch werk, zo stel ik me voor.

UPDATE: Kevin Absillis laat mij weten dat wij al eerder hierover hebben gecorrespondeerd - hetgeen ik mij niet herinner maar ik geloof hem - en hij heeft daarom dit gerucht ook niet opgenomen in het later verschenen boek over de geschiedenis van Meulenhoff/Manteau en BBA getiteld 'Allez ge gaat het ook eens proberen' waarvan de gelinkte reconstructie een voorbode was. Prima. Dit blog gaat uiteraard met name over hoe ik het heb ervaren, en hoe dit oude zeer vanochtend weer even bij me op kwam.