Vanavond, met het oog op morgen.

As we speak, lieve mensen, zit Liefje bij de make-up annex kapster en er is mij verzekerd dat deze operatie tot minimaal 16.00h CET zal duren. Daarna wacht ons nog een lange en naar verwachting slopende discussie over de kleur panties die Liefje gaat dragen – we kwamen er vanochtend niet uit.
Alleszins, de kans is groot dat zij er vanavond zo waanzinnig goed uit ziet dat ik haar niet kan krijgen. Het wordt zaak Tommy Wieringa uit de buurt te houden.

Zelf ga ik zo mijn nieuwe schoenen inlopen. Schoenen, het is van 1993 geleden dat ik ze nog gedragen heb. Ik weet niet waar mijn plotse bereidheid om te lijden vandaan komt, ik heb lijden nooit hoog in het vaandel gedragen; ik vond het altijd meer iets voor soldaten en moeders. Vanavond vertrouw ik evenwel op mijn oude vriend, alcohol genaamd, om dit lijden te verzachten en nog meer om mijn interim-job als verslaggever-ter-plaatse van het nodige je ne sais quoi te voorzien. Tussen elf en twaalf moet ik immers zo ongepast mogelijk interveniëren in het Nederlandse Radio 1-programma Met het oog op morgen; ze weten daar maar al te goed wie ze voor dat soort klusjes moeten vragen en ik heb teveel zelfkennis om nee te durven zeggen.

Ja, het leven van een beginnend schrijver gaat niet altijd over rozen. Gelukkig moet ik de volgende dag naar Heerlen.

Pornopoezie.

Deze maand in Goedele (het maandblad, bedoel ik): een pornoverhaal van mijn hand. Deze middag komt mijn moeder op bezoek in Amsterdam, om op Lola Victoria te letten terwijl Liefje en ik in Den Haag gaan warmlopen voor het Boekenbal. Ik heb de Goedele subtiel op de stapel tijdschriften in het toilet gepositioneerd. Benieuwd of ik bij thuiskomst nog een moeder heb.

Dat het verhaal kan inspireren is evenwel reeds duidelijk. De Stiftdichter, oftewel Dimitri Antonissen, maakte er een gedicht van. Op 7 april wordt zijn bundel Schrap me voorgesteld in Perdu te Amsterdam en ik heb de eer en het genoegen die presentatie te mogen inleiden. Voor een poëzie-analfabeet als ik, een unieke kans. Op wát zal nog moeten blijken maar tegen die tijd verzin ik vast iets wat tot een duizelingwekkende verkoop van Schrap me zal leiden - af en toe een dosis rechtvaardigheid op zijn tijd mag er zijn.

In tussentijd: check it out!

Pak.

Ik wilde een nieuw kostuum. Ik wist precies wat voor kostuum. Geen ruiten, geen strepen, geen motieven van welke aard dan ook, geen andere kleuren dan grijs of donkergrijs. Strak getailleerd. Dunne revers. Kortom, een pak dat er precies zo uit ziet als het pak dat ik reeds bezit.

Ik kocht het zeven en een half jaar geleden voor de begrafenis van mijn vader. Wanneer je je verdriet niet kan verbergen, kan je het maar beter mooi vorm geven. Daarna heb ik dat kostuum jaren niet gedragen.
De presentaties van mijn boek waren op 5 en 6 september 2009 – precies zeven jaar na het overlijden van mijn vader. Er waren ongetwijfeld mensen die dachten dat dit geen toeval kon zijn, maar dat was het wel. Wat géén toeval was: op die presentaties droeg ik mijn kostuum weer. En ik ben het blijven dragen op alle gelegenheden waar ik het voorbije half jaar in mijn functie als auteur aanwezig was.

Behalve twee weken geleden in Leuven. Ik had geen kostuum aan en op slag wees Joost Vandecasteele mij streng terecht, in één vloeiende beweging de gelegenheid te baat nemende om mij op vaderlijke toon te beledigen.
‘Amai, gij ziet er slonzig uit.’
Die dag gebeurde er vanalles wat normaal gezien nooit gebeurt wanneer ik een pak draag.

Het Boekenbal leek mij een geschikt moment om over te schakelen naar een nieuw kostuum. Niet uit symbolische overwegingen. Wel omdat ik weliswaar nog steeds niet dik ben, maar wel een kilo of vier dikker dan zeven en een half jaar geleden. En er zijn twee dingen die ik ten allen prijze wil vermijden wanneer ik op het Boekenbal vertoef. Ik wil er niet slonzig uitzien. Dat gun ik Joost Vandecasteele niet. En ik wil op geen enkele manier door mijn outfit gehinderd worden bij het uitvoeren van die sexy motherfuckers van danspasjes waarvoor ik wijd en zijd bekend sta. Dat wilt u ook niet. Geloof mij.

Dus zonet heb ik een nieuw pak gekocht. Een strak getailleerd, donkergrijs pak met dunne revers. Dat ik mij bij deze aankoop noodgedwongen heb moeten laten adviseren door twee zonnebankbruine sportschooljeanetten, heb ik voor lief genomen. Dat was niet makkelijk.

Op reis.

‘Mama is op reis,’ zei ik.
‘Ja,’ zei Lola. Haar stem sleepte zich voort.

We reden naar Oss. Ik was nooit eerder in Oss geweest. Dat overkomt me wel vaker. Vorige week rond deze tijd bijvoorbeeld, was ik ook al op een plek waar ik nooit eerder was.
 
In het museum hingen er piepkleine wolken boven de entreehal.
Moutons,’ zei Lola.
Een kleine os stond naast een huis dat in een manshoge glazen fles was opgesloten.
‘Bambi,’ riep Lola.
Een pekzwart kind staarde ons aan. In zijn open mond glinsterde een spinnenweb.
‘Lola beetje bang,’ zei ze stil. Ik tilde haar op.
 
We liepen naar de uitgang. Bij de trap leunde een vrouw met haar gezicht tegen de muur. Ze droeg een houten stoel, vastgebonden op haar rug. Achter haar lagen voetstappen op de grond.
‘Dat is mama,’ zei Lola. Het werk heette: Op reis.
 
Ja, ze zeggen wel eens dat ze mijn ogen heeft. Dan ben ik trots. Maar ik zou natuurlijk veel liever de hare willen.

Gisteren dus, in EenVandaag.

sitestat

Ivo Victoria in Een Vandaag.

UPDATE: de uitzending is verplaatst naar 11 februari, nou ja, naar ergens in televisiewonderland.

Zonet liet ik de cameraploeg van EenVandaag uit. Vanavond Morgenavond brengen zij een item over e-books en daarin kom ik aan het woord. Net zoals vorige week bij Radio Online en deze week in Revu. Ik moet stilaan opletten of ik word 'die schrijver die altijd over e-books zeurt' in plaats van de mooie jonge literaire held die ik in werkelijkheid ben.

Het is voor de goede zaak, denk ik dan altijd maar.

En het is goed dat er de laatste weken zoveel over e-books gediscussieerd wordt. Blijkbaar wordt men stilaan wakker, laat ons hopen dat het nog niet te laat is. Voor wie een handige round-up wil van de laatste stand van zaken om straks morgen om kwart over zes goed voorbereid voor de televisie post te vatten, hier een prima blogpost van Niels.

Zelf ga ik niet kijken want er is werk aan de winkel: ik heb toegezegd een erotisch verhaal te gaan schrijven voor het Vlaamse maandblad Goedele en dat moet vrijdag af zijn. Een erotisch verhaal. Ik. Nee, serieus.

Bij-angst.

Ik heb bij-angst. Voilà. Ik heb geen idee of dit een officiële term is, die gekend is onder een breder publiek dan mijn allerbeste vrienden en ikzelf maar het verandert niks aan de zaak: ik heb bij-angst. Het is een taboe en ik doorbreek het, als een machtspositie.
 
Dit is zowel een uitleg als een waarschuwing: wanneer ik sta te plassen en er komt iemand naast me staan, dan lukt het niet. Voilà. Het lijkt banaal.
 
Ik weet niet meer wanneer ik het ontdekte. Het heeft zich stilletjes ontwikkeld in de schaduw van mijn bewustzijn tot het klaar was voor een publiek leven. Het is geen angst in die zin dat ik de ander vrees of dat ik mij schaam voor zijn nabijheid. Het is geen angst zoals het gruwelen bij een horrorfilm, het is geen angst zoals die voor de dood. Het is een slimme, zelfstandige angst die niet uit mij voort komt maar die mij besluipt, in stilte.
 
Er is niets aan de hand, ik voel een gezonde aandrang, ik sta met het juiste materieel in de aanslag, er komt iemand naast me staan en dan, op dat moment, voel ik een klamme hand in mijn nek die alle leven uit de relevante afvoerkanalen wegzuigt en ze afsluit met een blok beton.
 
Nu las ik onlangs een essay van A.F.Th. van der Heijden waarin hij op entertainende wijze zijn visie op De Roman uit de doeken doet. Leerrijk, zeker, maar ook onthullend. Want wat blijkt: wanneer A.F.Th. schrijft, gaat hij niet naar toilet.

Even hoopte ik dat het de bij-angst was die ons met elkaar verbond. Het schrijven van tekst, lieve mensen geloof mij, kan wel degelijk aanvoelen alsof er iemand naast je staat te plassen.

Maar de kloof werd enkel groter: hij is niet bang, hij onderdrukt het.

Ik ontvolgde 100 mensen; verslag van een sociaal media experiment.

Afgelopen maandag ontvolgde ik, zoals dat zo lelijk heet, meer dan 100 mensen op Twitter. Prima mensen, die ik ooit bewust ging volgen, maar wiens tweets om uiteenlopende redenen niet langer onmisbaar bleken. En dat moest het criterium gaan worden; het werd gewoon te veel.
 
Nu bestaan er webapplicaties die je met dagelijkse emailrapportjes op de hoogte houden van wie je ontvolgt. Ik gebruik er zelf ook eentje.
 
De resultaten: negen mensen die ik ontvolgde, stopten ook met mij te volgen. Eén persoon stuurde me een email. Via Facebook. Of ik haar dan ook niet van mijn Facebook moest gooien. Ik legde haar uit dat ik Twitter en Facebook twee verschillende dingen vond en dat ze het niet persoonlijk moest opvatten; ik was niet boos op haar, ik vond haar niet stom. Ze antwoordde dat ze het begreep, dat ze het gewoon jammer vond dat iemand die ze graag volgde, haar had ontvolgd - en bedankte me voor de verantwoording.
 
(Haar eerste email eindigde met ‘Groet, E.’. Haar tweede email eindigde met ‘Hartelijke groet, E.’. De wijze waarop mensen hun mails besluiten zegt veel over hun gemoedsgesteltenis. Zijn ze geïrriteerd of teleurgesteld, dan krijg je een groet. Zijn ze happy, dan wordt het een hartelijke of vriendelijke groet. Zijn ze echt heel erg boos maar krijg je toch zeer hartelijke groeten, dan willen ze daarmee aangeven dat het zakelijk is, niet persoonlijk. Of ze zijn cynisch. Ik groet zelden hartelijk of vriendelijk. Ik groet veel. Veel groeten, zeg ik dan, en zoek het verder zelf maar uit.)
 
Daarna werd ik keihard ontvolgd door E.
 
Het vreemde aan social media is dat mensen de neiging hebben de regels en gewoontes die gelden binnen real life relaties toe te passen op virtuele. ‘Als jij mij niet meer volgt, volg ik jou ook niet meer.’ Dat is natuurlijk raar. Op Twitter volg ik mensen uit interesse voor wat ze doen. Dat kan specifieke expertise zijn (nieuwe media), of gemeenschappelijke passies (muziek, literatuur) of gewoon omdat ik ze grappig vind. Maar ik verwacht niet dat een nieuwe media-specialist mij gaat volgen als hij niet geïnteresseerd is literatuur of melige one-liners.
 
Daarom was dat onderzoek van een weekje geleden, dat stelde dat meer dan 150 Facebookvrienden hebben zinloos is omdat mensen niet in staat zijn meer dan een handvol vriendschapsrelaties te onderhouden, ook zo’n complete onzin. Het was immers een onderzoek dat haar bestaansreden ontleende aan de op internet chronisch verkeerd gebezigde term ‘vriend’. Sommige van mijn Facebookbuddies zijn vrienden in het echte leven, maar de meesten niet. Dat is ook prima. Internet heeft voor mij in de voorbije jaren een nieuwe categorie van relaties gecreëerd: mensen die geen vrienden, kennissen of familie zijn maar die ik eerder zou willen omschrijven als niche-kennissen. We delen 1 interesse of we delen ze zelfs niet maar zij doen iets wat mij interesseert om te volgen en van te leren of om te lachen. En (soms) omgekeerd. En o ja, heel af en toe komt er een echte vriend uit voort. Bonus.
 
Daarmee vervallen wat mij betreft ook alle andere mechanismen die bij een echte vriendschap horen zoals: verantwoording afleggen over waarom je iemand wel of niet volgt. Maar niet voor iedereen dus en ik ben de slechtste niet.
 
Evenwel de eerstvolgende die mij nog eens via mijn Facebookwall aanspoort om een email te beantwoorden omdat hij/zij ziet dat ik online ben – die dump ik echt kei- en kei-hard. Hier en in het echte leven. Want bepalen wanneer ik de telefoon opneem, of een email beantwoord, dat zal ik tot aan mijn dood wel lekker zelf doen. Vriend.