Fuck it.

Gisteren had ik Billie & Seb uitgelezen en ik was in een feestelijke stemming geweest. ’s Avonds ging ik een biertje drinken met een paar vrienden. Pardoes bestelde ik een Duvel. Dan weet je het wel. Maar toen ik vanochtend de laatste wijzigingen doorvoerde in het manuscript, kon ik bij elke zin die ik bewerkte de stemmen horen van bepaalde recensenten van wie ik denk te weten dat zij dit boek zullen haten en wat erger was: hun argumenten sneden hout. Fuck’em. Alsof die mensen gelukkig zijn.
Ik voltooide het werk en mailde het manuscript naar de editor-in-chief. Meteen daarna merkte ik een mailtje op dat ik aan mezelf had verstuurd met daarin nog een handvol wijzigingen die gisteravond bij thuiskomst uit de kroeg erg belangrijk hadden geleken en die ik niet had verwerkt. Fuck it, dacht ik. Alsof de editor-in-chief daar iets van gaat merken.
Ik ging naar buiten en keek een tijdje naar de boten in de haven, voelde de motregen op mijn gezicht, genoot van de wind die over het water joeg, ging weer naar binnen, at een boterham, nam opnieuw plaats voor mijn computer en onmiddellijk werd ik overvallen door een enorm lamlendig gevoel, en ik wist dat ik voor de rest van de dag niks meer ging doen want ik herkende die specifieke leegte, die enorme verveling en onverschilligheid, ja, ik ken ze maar al te goed, sterker nog, ik ken haar naam: klaar.

Waumans & Victoria op tour!

Waumans & Victoria's Groot Internationaal Literair Variété Spektakel komt naar je toe. De literaire talkshow die ik sinds een aantal jaren samen met Rob Waumans en onze one woman showband Milena Haverkamp maak, gaat voor het eerst op tour. Herman Koch en Karin Amatmoekrim zijn onze vaste gasten, en daarnaast doen er een heleboel fijne schrijvers één of meerdere keren mee: Gerbrand Bakker, Joris van Casteren, Saskia Noort, Nyk de Vries, Jente Posthuma en veel, veel meer.

Kijk in de Agenda voor alle data en line-ups, volg ons op Facebook of Twitter en vooral: kom kijken. 

[Dit alles is overigens mogelijk dankzij de gulle steun van het Nederlands Letterenfonds, Amsterdams Fonds voor de Kunsten, K.F. Hein Fonds, gemeente Den Bosch, BNG Cultuurfonds, en het Lira Fonds. Merci!]

Negeren.

‘Ongelofelijk,’ zei de huisarts, terwijl ze de resultaten van de gehoortest bekeek. ‘Zo een goed gehoor zie ik eigenlijk alleen maar bij kinderen.’  Maar verder viel er weinig te zeggen. Een brughoektumor, of bloedarmoede, ja, dan hadden de huisarts en ik zaken kunnen doen. Maar helaas. Ook de toon zelf heeft in de gaten dat de aardigheid eraf is. De laatste weken is hij het merendeel van de tijd afwezig, slechts af en toe duikt hij weer op, ik vermoed om me scherp te houden.
‘Er zijn therapieën,’ zei de huisarts. ‘Om te leren die toon te negeren.’
Woensdag was ik in Brussel om een congres te observeren en aan het eind ervan een praatje te houden over wat ik had gezien. Er waren veel mensen uit het onderwijs en wat ik zag was dat ze worstelden met de diversiteit aan leerlingen waarmee ze werden geconfronteerd, de verschillende achtergronden en culturen. Ze worstelden kortom met het grote probleem van deze samenleving: hoe vertel je aan zoveel verschillende mensen één gezamenlijk verhaal waarin ze zich allemaal kunnen vinden? Had ik het antwoord niet op.
De volgende dag zag ik een filmpje op Facebook gemaakt door een jongedame, Des, die op bezoek was geweest in Poelenburg en Premier Rutten uitdaagde met haar in gesprek te gaan. Er zijn betere filmpjes gemaakt in de historie van de mensheid maar ik keek het uit omdat ik werd getroffen door haar oprechtheid, en haar verhaal, dat ik te slecht ken. Ik postte het filmpje op mijn Facebookpagina. Een dag later had het nul likes. Dat is het verhaal van deze jongeren. De meeste mensen in de wereld waarin ik vertoef, horen hen niet, of hooguit als een vervelende toon op de achtergrond van ons bestaan; we snappen niet waar die toon vandaan komt, we willen ervan af, en de dokter zegt: ‘Het beste wat je kan doen is: negeren.’

Hoogtepunt.

Ik had de hele week in het bos gezeten en nu dwaalde ik door een druk café alsof ik als enige nuchter aankwam op een feestje dat al uren aan de gang was, maar dat was niet zo; ik had best al wat op. Het ene stroeve gesprek volgde op het andere. Elke zin van betekenis die mijn mond verliet werd uit de lucht geschoten door de ronddwalende blik van mijn gesprekspartner, en viel dood neer op de grond. Iemand liet haar glas bier vallen alleen maar omdat ze mij zag. Talloze keren stond ik zwijgend naast de ander tot die een excuus had gevonden om onze stilte op te geven. Ze werden steeds schaamtelozer. Toilet. Roken. Op een bepaald moment stond ik volledig ingeklemd tegen de stalen leuning van de trap en keek alleen maar tegen ruggen aan. 
Uiteindelijk stelde iemand voor om naar de Queerklub te gaan, in Slotervaart, en dat leek mij plots een heel goed idee, ik verlangde er hevig naar om op een plek te zijn waar iedereen er compleet gestoord uitziet maar verder wellicht gewoon vrij normaal is, in plaats van omgekeerd. 
Zover kwam het niet. Een bepaalde flow maakte zich alsnog van mij meester. Er volgde een lang gesprek over schrijven dat er toe deed. Er waren sigaretten. Op de dansvloer bewoog ik ruim een minuut de heupen op Dr. Dre. En aan het eind, toen ik toch weer ergens verdwaald in het midden van de kroeg stond, kwam Roos voorbij zeilen en ze gaf me een klapzoen op de wang zonder ook maar een moment vaart te minderen. Dat was zonder meer het hoogtepunt.

Dus.

’s Nachts werd ik wakker van het onweer dat het bos geselde. Ik zat recht op de bank. Na het wespennest incident was ik niet meer in de slaapkamer geweest; ik ben geen mietje, die bank lag gewoon heerlijk, en met zicht op de tv. Jaja, dacht ik, jaja. Met onweer, en donder en bliksem en zo, zijn die bomen natuurlijk niet zo handig. De regen sloeg ongenadig hard naar beneden. Er liep iets angstig over het dak. Er krabde iets aan de muur. Ook dat nog; iedereen kwam bij mij schuilen. Ik zag een lichtflits gevolgd door een enorme dreun. Daarna iets dat scheurde. Een lang gerekt kraken van hout. De ene na de andere boom stortte neer en gelaten wachtte ik op de genadeklap.
De volgende ochtend stond alles weer overeind en buiten was het koel. Ideaal hardloopweer. Daarvoor was het de voorbije dagen te warm geweest hoewel ik bij het boodschappen doen steevast enorme hoeveelheden pensioengerechtigden tegen kwam, zwoegend door het pittoreske landschap op de fiets. Mensen voor wie het hitteplan is uitgevonden zou je denken maar hier zwierven ze gewoon brutaal rond, in het wild. Ik zette koffie en dacht na over de voorbije week. Er was van alles veranderd. Er waren dingen gebeurd waarvan ik dacht: echt waar joh, zit dat zo? En ook nieuw: wanneer ik een volgens mij goede ingreep had voltooid, applaudisseerde ik voor mezelf. Zijn er schrijvers die dit herkennen of moet ik hulp zoeken?
Ik ruimde op en zette de vaatwas aan. Ik besloot een deel van de lege wijnflessen zelf mee naar huis te nemen, voor het zicht. Daarna klapte ik voor de laatste keer de laptop open en dacht: kom, ik F5 er nog even doorheen en elimineer een maximaal aantal keer de woorden ‘wel’, ‘nog’, ‘maar’ en ‘dus’. Daar knapt zo’n manuscript enorm van op. 

Fiets.

’s Ochtends ontving ik een appje met een filmpje waarop is te zien hoe Lou Victoria – die geen vier meer is maar bijna vijf – voor het eerst zelf naar school fietst. Op haar fluo roze fiets, waarover ik twee nachten geleden had gedroomd dat ik hem met een spuitbus helemaal zwart geverfd had. Niet meteen het beste voorteken maar daar ging ze, driftig peddelend achter haar grote zus aan, overmoedig met een handje zwaaiend naar een hond. 
Is dat niet eenzaam, zo’n week alleen in een huisje? Die vraag stellen mensen dan. Ik kan daar kort over zijn: nee. Bevrijd van verantwoordelijkheidsgevoel kijk ik vanop afstand naar het leven dat ik thuis leid terwijl ik ondertussen in menig ander fictief leven mag wroeten én een idee krijg hoe het mijne eruit had kunnen zien als dingen anders waren gelopen. In de wetenschap dat ik straks gewoon terug kan keren naar de realiteit uiteraard. Zo kan iedereen het. Sterker nog, iedereen doet het, op de een of andere manier. 
En nu moet ik – don’t ask – plots denken aan iets wat ik las over het verlangen iemand totaal te vernietigen. Dat het realiseren van dat verlangen zo teleurstellend kan zijn omdat degene die je doodt onmogelijk kan beseffen dat jij dat doet – want ja: dood – terwijl juist dat verlangen vaak aan de basis van de moord ligt, je wil dat het slachtoffer wéét dat jij hem gepakt hebt. Ik denk dat het Coen Simon was die hierover schreef: de dood is het ondoordachte gevolg van het verlangen iemand werkelijk te raken. 
Welnu, het is zonder twijfel ver gezocht, maar een weekje weg in het bos om aan een boek te werken is precies het omgekeerde: het kunstmatige, geplande gevolg van een onschuldig en veilig verlangen naar een ander leven. En een week later fiets je gewoon weer elke ochtend naar school, samen met een meisje op een fluo roze fiets. 

Nu beginnen.

Vanochtend, kort na elven, had ik het to do-lijstje voor Billie & Seb afgewerkt dat ik voor deze week in het bos had mee genomen. Het laatste actiepunt, waarvoor mij nog drie dagen resten, is: het hele boek doorlopen van de eerste zin tot de laatste, en alle ruis en pretentieus geneuzel er genadeloos uit slopen.
Ik durf er niet aan te beginnen. Zit verdwaasd aan tafel, of dwaal door de kamer. Eet een boterham, drink een glas sinaasappelsap, rook buiten een sigaret (ik mag roken deze week, verder ben ik nog steeds gestopt). 
Nederland schijnt te zuchten en te kreunen onder de hitte, maar in het bos is het koel en het schrijvershuisje wordt tegen de zon beschermd door de hoge bomen. Tot diep in de middag heb ik hier binnen een trui aan. Het is een lekker wild bos, alles staat kris kras door elkaar, onkruid en struiken tieren welig. Daarstraks zag ik er weer twee konijnen huppelend in verdwijnen. Een eekhoorn sprintte een boomstam op en neer. In de verte schreeuwde een vrouw op een hond die Bruno heette. Ik moest denken aan Gerbrand die ik een keer sprak over het Vliegenbos in Amsterdam en dat hij dat bos haatte omdat het zo’n chaos was en toegaf dat hij eigenlijk helemaal niet van de natuur hield – in tegenstelling tot wat veel mensen over hem denken – maar van orde.
Nu zit ik opnieuw aan mijn computer, en ik tel de minuten en uren totdat PSV – Atletico Madrid begint. Er staat een televisie in de woonkamer en ze hebben Netflix. Gisteravond keek ik vijf afleveringen van Californication, mijn favoriete guilty pleasure. Een fantastische serie, nog steeds, met talloze geweldige dialogen. Ik wil ook geweldige dialogen schrijven. In Billie & Seb heb ik het geprobeerd. Ook die kom ik de komende dagen weer allemaal tegen, er is geen ontkomen aan. En ik ga het doen, maar echt. Sterker nog: ik ga nu beginnen.

Tik.

Het schrijfhuisje waar ik momenteel vertoef, ziet er precies zo uit als op de foto’s en op de foto’s had het eruit gezien als zo’n huisje in het bos waar kabouters wonen of jonge meisjes tegen hun wil worden vastgehouden door types zonder vaste verblijfplaats. Het zonlicht valt prinsheerlijk door het bladerdek, een roodborstje molesteert het vetbolletje dat aan een boomstam hangt, eekhoorns springen van tak tot tak. 
Tevens is het hier stil. En waar echte stilte heerst zijn overal geluiden, zoals u weet. Tok tegen het raam. Kriep in de kast. Tik boven het plafond. Daarmee was het begonnen, met die tik, op de eerste dag. Of liever tik, tik, tik. En toen ik achterom naar buiten liep, zag ik wat het was: een wespennest. Het mannetje was er snel. Hij deed zijn pak aan dus het was ernst. Nadat hij zijn ding had gedaan en was weggereden, begonnen de wespen in de kamer te vallen door de lichtaansluiting in het plafond. Versuft kropen ze over de grond, wachtend tot ik ze dood zou trappen en dat deed ik ook. De hele kamer zoemde van het stervende nest. Ja, de natuur, het is er me er eentje.
Ondertussen werk ik naarstig door aan de voltooiing van Billie & Seb. Alles wat ik toevoeg of weghaal is briljant. Pas wanneer ik ’s nachts wakker word, en versuft lig te luisteren naar de tok en de tik en de kriep, komt het stemmetje. Collega-schrijvers kennen het wel. Het stemmetje zegt: ‘Dit gaat helemaal mis, sukkel, wie denk je wel dat je bent?’ En de argumentatie, moet ik zeggen, is bijzonder overtuigend. Maar zodra het ochtendlicht in de kamer valt, ben ik alles wat het stemmetje zei weer vergeten en hervat ik onmiddellijk het werk in de stilte van de tik, tok en kriep en verder hoor ik hier helemaal niets, zelfs geen toon.