Meestal droevig.

Ik stapte naar buiten en wachtte op de bovenste trede van de trap die naar de stoep leidt tot ik het geluid hoorde van de zware toegangsdeur die in het slot viel. We mogen niemand binnen laten die geen sleutel heeft, zo gaat dat hier, soms probeert er een slimmerik achter je rug naar binnen te glippen.
Het bleek een schitterende herfstdag te zijn. Ik werk op de tweede verdieping: mijn uitzicht bestaat deze dagen uit niets dan takken en verkleurende bladeren die het schaarse zonlicht filteren dat ’s ochtends door de statige ramen op mijn bureau valt. Daarom haat ik stormen. Eén echt zware herfststorm en al het geleidelijke en trage en verleidelijke van het wisselen der seizoen is overbodig geworden.
Ik liep in de richting van de Leidsestraat en kwam een vrouw tegen die mij deed denken aan een meisje uit de muziekscene dat ik leerde kennen bij een optreden van een band waarin ik speelde. Ze was stagemanager, ik geloof bij Lux in Nijmegen of Ekko in Utrecht, ze begon nors zoals de meeste stagemanagers maar na een grap of drie van onze bassist, kregen we extra bier. In de jaren daarna kwam ik haar af en toe tegen en dan glimlachte ze, meestal droevig. Kleine ogen, sierlijke neus, half lange haren die altijd tegen haar hoofd aanplakten alsof ze net haar muts had afgezet. Eigenlijk vrijwel identiek aan de vrouw die ik nu tegenkwam op weg naar de Leidsestraat maar toch was ze het niet, dat weet ik honderd procent zeker, daarvoor had ik die hele vrouw niet eens hoeven te zien.

In de Standaard over De Bezige Bij Antwerpen.

Het was een raar dagje gisteren. Om half acht 's ochtends werd ik bij het ontbijt gebeld en door een journalist van de VRT Radio op de hoogte gesteld van het verdwijnen van mijn uitgever. Daarna ging ik over tot het uitgebreid vieren van Lou Victoria, die drie werd. Tussen het zingen en chocoladecake eten door, deed ik wat bij Hautekiet, stond de VPRO Nooit Meer Slapen te woord, en schreef een opiniestuk dat vandaag in De Standaard staat. KLIK HIER.

Vanochtend stond ik op en ik wilde slechts één ding: schrijven.

In Hautekiet over De Bezige Bij Antwerpen.

Mijn uitgever, De Bezige Bij Antwerpen, dreigt te verdwijnen. Dit zei ik erover in De Minuut bij Hautekiet op de Vlaamse Radio 1 vanochtend:

Het is natuurlijk altijd supertof om uit de krant te vernemen dat je uitgeverij ophoudt te bestaan maar geloof het of niet: er zijn ook negatieve aspecten aan het verdwijnen van de Bezige Bij Antwerpen.
Men schrijft dat De Bezige Bij Antwerpen de enige echte literaire uitgeverij van Vlaanderen was. Een kandidaat voor understatement van het jaar: het is een van de enige uitgeverijen in de lage landen die zich nog met uitgeven bezig houdt zoals het is bedoeld: mooie boeken maken, met liefde, en aandacht en ambacht. Geen bandwerk van voorspelbare paperbacks die lijken te zijn geredigeerd met de Word spellingscontrole maar boek per boek, kijkend naar inhoud, vorm, bladspiegel, formaat, met mensen die van literatuur houden en – het is zeldzamer dan je denkt in de uitgeefsector – er ook echt iets vanaf weten.
In de krant zegt de WPG-baas dat ‘Men zich zal beraden over welke auteurs uit het fonds men aan boord houdt’. Bedankt voor het meedenken WPG-baas, maar dat zal ik toch echt zelf wel bepalen.

Annette.

‘Nog één keer slapen en dannnn…’
Lou keek me aan alsof we het er de voorbije weken totaal niet onophoudelijk over hadden gehad.
‘…is Lou jarig!’ riep ik.
‘Ja!’ zei Lou.
‘Hoeveel jaar is Lou dan?’
‘Weet ik niet.’ Ze haalde de schouders op.
‘Weet je wel,’ zei ik. En ik liet een vinger zien, en daarna nog een en zo telden we tot drie.
‘En dan is je feestje,’ zei ik.
‘Ja,’ zei Lou.
‘En dan komt oma. En nonkel Leon en nonkel Paul.’
‘En Annette, toch?’ vroeg Lou.
‘Ja natuurlijk, Annette ook.’
‘Annette gaat niet naar de crèche, toch?’
‘Nee gekkie,’ zei ik. ‘Annette is toch geen kindje?’
‘Neehee.’ Lou lachte. ‘Annette is groot, toch?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Annette is een grote mens.’
‘Ja, Annette is een mens,’ zei Lou. ‘En dus mag ze drinken.’

Oog.

Op weekdagen hebben we tussen negen en vijf een receptionist bij wie bezoek zich moet melden. Als je het gebouw binnenkomt zit hij met zijn rug naar je toe, links boven zijn hoofd flikkeren vier kleine monitors maar zijn blik is gericht op het computerscherm. Facebook, internetbankieren. Ik meen hem één keer patience te hebben zien spelen, op zijn smartphone.
Het is een wat oudere, rustige man. Een huisarts op pensioen. Let op leegstaande gebouwen om toch wat om handen te hebben. Wellicht. Elke ochtend, wanneer ik de receptie passeer, zeg ik ‘Goeiemorgen.’ En hij zegt ‘Goeimorgen’ maar echt van harte is het nooit. Soms zie ik andere mensen een praatje met hem maken. Ik vraag me af waar die praatjes over gaan.
Mijn fiets staat in de stalling aan de zijkant van het gebouw. Ik werk hier nu iets meer dan een jaar en in dat jaar is de stalling van achter uit langzaam overwoekerd geraakt met onkruid dat tot manshoogte is opgeschoten. Iedere keer wanneer ik mijn fiets er zet of haal, en ik dat onkruid wegtrek of plat trap, dwaalt zijn blik af van het computerscherm naar één van die monitors.
Vanochtend arriveerde ik vroeg, nog voor negen uur, maar hij was er al. Onder zijn linker oog zat een donkere streep. Het oog zelf traande, was rood en ongewoon klein, alsof het zichzelf in zijn gezicht had teruggetrokken of beter: iemand had het er in geslagen. Huisarts op pensioen. Let op leegstaande gebouwen om toch wat om handen te hebben. In het weekend: vechten in de kroeg.
’s Avonds, toen ik het gebouw verliet, was het oog volledig verdwenen. Op de plek waar het had gezeten, was alles donkerblauw.

Mooi.

Het meest geniet ik van de momenten dat het stil is in huis. Daarmee bedoel ik: dat ik de enige ben die er is, of de enige die wakker is.
Dat klinkt lullig voor de andere leden van het gezin. Misschien is genieten het verkeerde woord. Ik heb zo een moment per week, dat het stil is in huis, meestal in het weekend, op zondagochtend. Ik slaap uit tot ik de voordeur dicht hoor gaan en het ronken van de automotor is uitgestorven en het gegiechel van meisjes die stil proberen te zijn, is verstomd. Dan sta ik op, neem een douche en ontbijt uitgebreid met ei, spek, croissant, koffie, verse jus of een glas water met een bruistablet Supradyn. Daarna lees ik. Een boek of de krant en onderwijl zet ik muziek op, lekker luid. Een plaat die ik al lang niet meer heb gespeeld of gewoon: iTunes op shuffle. Er zijn dagen dat er dan de ene topsong na de andere voorbij komt en andere dagen dat ik me afvraag hoe ik in godsnaam zoveel troep bij elkaar heb kunnen kopen. Het is van geen belang. Ook met de muziek luid door de speakers – eigenlijk vooral dan – kan het erg stil zijn in huis.
(Wat ik ook mooi vind: een houten tafel vlak nadat iemand er met een vochtige doek overheen is gegaan.)

De onrechtvaardigheid.

Ik had gezien dat het pas ging regenen rond de tijd dat ik dit stukje zou gaan schrijven dus ik besloot toch maar met de fiets te gaan. Halverwege begon het te regenen. Ik vloekte, niet omdat de Buienradar het weer eens fout had gezien – dat soort woede is mij te banaal, sorry hoor – maar wel omdat ik moe was. De avond tevoren had ik tegen beter weten in naar een Europaleague wedstrijd gekeken, iets wat ik nu echt nooit meer ga doen, daarvoor hou ik te veel van voetbal, net zoals ik nooit meer naar live uitzendingen van de Eredivisie kijk omdat het 80% van de tijd niet om aan te zien is, zelfs de samenvattingen zijn vaak kantjeboord vanuit voetbaltechnisch-kwalitatief oogpunt, en de Europa League is nóg erger omdat daar niets op het spel staat, niets van wezenlijk belang, het is zo’n competitie die niets anders oplevert dan blessures en een aangetast zelfvertrouwen, maar goed toch had ik gekeken en nu was ik moe en begon het te regenen en daar baalde ik van want als ik moe ben, ben ik in staat om te gaan huilen als het regent op een moment dat het droog zou blijven, vanwege de onrechtvaardigheid.
Kortom. Het was nog stil in de stad. Winkels gesloten, straten leeg. Bij het oversteken van de Leidsestraat zag ik een vrouw op de fiets, een blonde vrouw met een nietszeggend gezicht, ze deed me denken aan een medewerker van een populair televisieprogramma waar ik al een paar keer bijna te gast in was en die ik al talloze malen heb ontmoet maar die ik nooit herken en iedere keer wanneer ze me vrolijk begroet, vraag ik opnieuw, oprecht beleefd en nieuwsgierig: ‘En wie ben jij?'

Bitch.

Vanochtend merkte ik dat de vuilniszak in mijn kantoortje onderaan was stukgebeten. Muizen. Dat verklaart meteen waarom de broodkruimels en andere etensresten die ik tijdens het lunchen op het vast tapijt mors altijd zo mysterieus verdwijnen terwijl ik hier toch echt nog nooit gestofzuigd heb.
Ik klikte Word open. Een voor een verschenen ze, de documenten die ik nooit sluit en die mij elke ochtend verwijtend aankijken en zeggen: schrijven, bitch. Ruw materiaal, een half kort verhaal, een bio voor een uitstekende rockband die vandaag af moet, een document dat ‘Poging tot synopsis’ heet. Nu ben ik graag hun bitch, daar heb ik voor gekozen, hetgeen mij doet denken aan een bizarre droom, enigszins erotisch getint, die mij vannacht overviel en waarbij collega’s betrokken waren, hoewel ik daar niét voor had gekozen en er ook niemand in die droom een bitch was. Nee, iedereen was zelfverzekerd en alles wat gebeurde was schokkend doch vanzelfsprekend. Nu nog, terwijl ik hier zit, spelen de beelden door mijn hoofd en kan ik mezelf zien, loerend op tederheid als een op bloed beluste dolle hond.
Ik schrok wakker om drie uur ’s nachts, het zou me niks verbazen als dat precies het moment was waarop die muizen zich een weg door mijn vuilzak vraten.