WK-column De Standaard (5): geen reserves.

Zondagochtend. Ik sta in de keuken en ik snij appelsienen in vieren. Het zijn die tien, vijftien minuten wanneer de moeder en de kinderen nog slapen. Buiten het zomerse ochtendlicht, binnen de stilte; alleen het rinkelende gezang van glazen flessen die op de koelkast staan, dicht bij elkaar, alsof ze huilen, en het getik van mijn mes dat het hout raakt.
Ik denk aan de avond voordien, toen ik tussen tweehonderd Amsterdamse Belgen stond. Er was niets gegaan zoals gewoonlijk. Om te beginnen had Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond een professioneel scherm geïnstalleerd, in tegenstelling tot de vorige keer, toen er naar goed oud-Belgisch gebruik een vergeeld projectiedoek had gehangen en de beamer met behulp van een paar bierviltjes net niet waterpas stond. Wat was daar mis mee? En tijdens de wedstrijd liet het beeld op dat professionele scherm het ook nog eens afweten. Al in de eerste helft waren er digitale blokjes verschenen, die het spel van de Belgen exact weergaven zoals het was: haperend. Ach, hoe vaak heb ik al niet de genen in mijn lichaam vervloekt die ervoor zorgen dat ik in álles symboliek zie. Maar ik bleef hopen, net als u, tegen beter weten in, ik bleef hopen. Op de bank. Onze reserves. Op de geniale wissel die alles zou veranderen – en hij was gekomen, een uur of vijf te laat, en hij zal mij blijven achtervolgen voor de komende vier jaar.
Ik trek het vruchtvlees met mijn blote handen van de schillen en gooi het in de sapcentrifuge. Ik kijk naar de kwartjes appelsien die voor mij op de snijplank liggen en zie mezelf zitten in de kleedkamer tijdens de rust van mijn laatste voetbalwedstrijd voor het roemruchte KFC Michiel uit Emblem, vlak voor de verhuis naar Amsterdam. (Als speler had ik veel weg van Dries Mertens. Ik had weliswaar niet zijn snelheid, noch zijn dribbel of schot maar verder: twee druppels water.) Hoe de délégué van onze ploeg binnenkwam met een plateau van één of ander biermerk, vol met kwartjes appelsien. Wanneer je in die appelsienen beet, vermengde het zweet dat op je hals en borstkas stond zich met het sap dat uit je mond droop en je kaakspieren trokken strak van het zuur. En terwijl wij elk twee of drie kwartjes aten, opende onze kapitein de deur van de kleedkamer en stak een sigaret op. Het was een stille, bonkige kerel, het type Mascherano zeg maar, die op de meest onverwachte momenten in woede kon ontsteken – er huisde iets in zijn lijf dat ik nooit heb begrepen, maar het was er altijd, smeulend als een vuur.
Ik giet het sap in een beker. Drink. Zuur. En ik besef dat ik vannacht, bij thuiskomst, precies zo op ons balkon heb gestaan: rokend, smeulend, als die kapitein in de open deur van onze kleedkamer terwijl hij uitkeek over het veld dat leeg was. Of misschien liepen er een paar reservespelers zich op te warmen, dat kan. Spelers van de tegenstander; wij hadden geen reserves.


Tijdens het WK verscheen de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn vijfde en laatste bijdrage, van maandag 7 juli.

WK-column De Standaard (4): Alles bij het oude.

Bij het begin van dit WK waren de gevels in onze straat leeg en zonder hoop. Nu kijk ik uit het raam tegen een oranje zee van slingers en vlaggen aan. Zelf bezit ik een klein formaat Belgische vlag, bestemd voor ons grachtenbootje, maar dat mag ik van mijn Franse, voetbal hatende, vrouw niet gebruiken. Zij ruikt namelijk haar kans. Ooit, tijdens het EK 2004, toen we in een appartementje in Amsterdam-Noord woonden met als onderburen een variant op de Familie Flodder, had zij op een dronken nacht de schaar bovengehaald om de oranje vlaggetjes die vanaf de lantaarnpaal aan de rand van de weg naar de regenpijp liepen, door te knippen. De volgende ochtend keek ik uit het raam en zag vader Flodder op een trapladdertje staan om de eindjes van zijn oranje droom weer aan elkaar te knopen terwijl zijn zoon, een ettertje met overgewicht in een Ajax-trainingspak, met tranen in de ogen toekeek. ‘Het is ook ónze regenpijp,’ had mijn vrouw ijskoud gezegd, zoals alleen Franse vrouwen dat kunnen.
Wonderlijk hoe de realiteit de wereld uit haar spiegelbeeldstand heeft gehaald. Een maand geleden waren mijn Nederlandse vrienden bang en berustend terwijl de Belgische gek en overmoedig wat lollig deden over Ron Vlaar of Daley Blind. Daarna kantelde dat beeld, wedstrijd voor wedstrijd. Afgelopen zondag, na de wonderbaarlijke ontsnapping van Oranje tegen Mexico, feliciteerde ik per sms een Nederlandse vriend en sprak mijn hoop uit op een halve finale der Lage Landen. Hij sms’te terug: ‘Zitten de Belgen er nog in dan?’. Kortom. Alles is weer bij het oude: de Nederlanders zijn zo goed als wereldkampioen en wij Belgen, na drie kleurloze overwinningen op nietszeggende tegenstanders, leken klaar om uitgeschakeld te worden door een land waar voetbal een leuke hobby is voor wie niet uitblinkt in American football, honkbal of atletiek.
In de uren voor de wedstrijd tweetten Nederlanders mij gretig artikelen over België van Amerikaanse satirische websites door. Een ‘vriend’ veranderde zijn avatar in een Amerikaanse vlag. Een ander hoopte op Argentinië in de halve finale. ‘Bergkamp!’ antwoordde de volgende. Ik had nood aan rust. Optimale concentratie. Wie weet hoe vaak ik al door denkkracht het verschil heb gemaakt voor de Belgen? Wilmots heeft de mond vol over de bank maar dit is een WK: iederéén staat reserve.
Toen Lukaku scoorde, werd ik gek, zoals u. Daarna heel bang. Na het eindsignaal haalde ik, fysiek en mentaal uitgeput, mijn Belgisch vlaggetje uit de berging en drapeerde hem liefdevol over de schouders. Ik maakte een selfie-met-vlag en wilde de foto naar mijn vriend sms’en toen ik merkte dat er een vreemde, oranje gloed over het beeld hing; licht dat vanop straat via het raam in de kamer viel. Behoorlijk irritant, ik kon niet anders dan het toegeven.
Ik nam een schaar uit de keukenla en liep ermee naar onze slaapkamer, zette de deur op een kier, liet de messen glanzen in de schemering terwijl ik net te luid ‘Lukaku’ fluisterde. En stelde tot mijn tevredenheid vast dat mijn vrouw klaarwakker was.

Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn vierde bijdrage, van woensdag 2 juli.

WK-column De Standaard (3): niks op het spel.

Wat te doen wanneer er niets op het spel staat? Die vraag flitste door mijn hoofd toen ik een uur voor de wedstrijd in het oosten van Nederland uit de auto stapte en naar het festivalterrein liep waar ik dit weekend voor vertier mag zorgen. De organisatie sms’te dat er – check! – een televisietoestel in mijn bungalow stond. Wat moest ik ermee? De achtste finale was al lang een feit.
Het festival heet Down The Rabbit Hole. De bungalow kijkt uit op een fabelachtig mooi meer. Men beweert dat er een gezonken bos op de bodem ligt. Ik dacht aan de Zuid-Koreanen die als Alice in Wonderland over dit WK draven: nét te ijverig en een tikje naïef.
De afgelopen dagen had ik het speelschema bestudeerd. Als groepswinnaar en met de VS als tegenstander in de achtste finale, was er slechts één knalprestatie nodig om de laatste vier te halen: de kwartfinale tegen Argentinië. En zo’n wedstrijd, zo’n verbijsterende buitenaardse trip waarbij spelers uit zichzelf treden en supporters versmelten met de waanzinnige rollercoaster der gebeurtenissen als tuimelen zij altegader door een eindeloos diepe konijnentunnel, zo’n wedstrijd zit er altijd bij. Daarna de halve finale tegen een haalbare tegenstander: bij voorkeur Nederland – want die hebben hún Wonderland-wedstrijd al gehad – en anders Griekenland, Mexico of Costa Rica. Kortom. Alleen nog even Zuid-Korea en we zaten in de finale! Ik besefte plots: op dit WK is niets wat het lijkt. Er stond wel degelijk iets op het spel tegen die Koreanen. Wisten de spelers dat wel? Konden zij gefocust blijven, als in de eerste wedstrijden? Maar, dacht ik dáár meteen achteraan: die eerste wedstrijden waren slecht, op de winst na. Wat als ze juist nú, tegen Zuid-Korea, een volstrekt overbodige knalprestatie leverden? Dan konden wij die finale op onze buik schrijven. Kortom. Deze wedstrijd diende zich aan als een mindfuck van de bitterste soort.
Precies om middernacht stond ik opnieuw aan de oever van dat meer. De maan speelde in het donkere water. Aan de overkant werden de lichtinstallaties van het festival getest – een feeëriek stukje technologie, midden in verstilde natuur. Vooraf had het een schier onmogelijke opdracht geleken: groepswinnaar worden zonder het spelniveau van de eerste wedstrijden nodeloos te overstijgen. Maar onze jongens hadden zichzelf overtroffen, om maar eens een eufemisme te gebruiken. Wereldkampioen. Het was alleen nog een kwestie van uitvoering. Maar saai! En irritant! En net op dat moment begon het water in het midden van het meer te bruisen. Ik zag takken en bladeren verschijnen. Daarna hele stammen en struikgewas die door het oppervlak braken totdat daar zomaar een compleet bos dreef waaruit een wit konijn sprong dat met snelle slagen naar de oever zwom, even flink het water van zijn vacht en oren schudde, mij aankeek en vroeg: ‘Wat is de belangrijkste les die dit WK u tot nog toe heeft geleerd?’
Ik zei: ‘Het stelt niks voor als er niks op het spel staat.’
‘Goed geantwoord’ zei het konijn. ‘U gaat door naar de volgende ronde!’

Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn derde bijdrage, van vrijdag 27 juni.

De ring van Alex Turner / Knut Hamsun / Hard Gras 96.

Vandaag verschijnt de speciale festivalbijlage van De Standaard. Daarin staat een vrij lang kort verhaal van mijn hand, getiteld De ring van Alex Turner. Ongeacht of u dat verhaal nu mooi of niet mooi vindt: applaus voor De Standaard om op deze wijze ruimte te (durven) geven aan fictie, dat mag ook wel eens gezegd. U kan het verhaal HIER lezen (betalende link).

Ook vandaag, in weekblad Knack, een groot verhaal van Marnix Verplancke over één van mijn favoriete schrijvers, de Noor Knut Hamsun. Ik mocht enige quotes leveren voor dit prima artikel. Op 6 juli aanstaande neem ik het op voor Knut Hamsun op het Schwobfest in Haarlem, naar aanleiding van de heruitgave van zijn roman Zwervers door uitgeverij De Geus, die overigens eerder al mooie heruitgaves van de romans Pan, Victoria en Mysteriën uitbracht.

Tot slot: er ligt een nieuw nummer van literair voetbaltijdschrift Hard Gras in de winkel. Ik schreef een verhaal waarin ik de generatie van Spanje '82 vergelijk met die van Brazilië '14, inclusief een persoonlijk gesprek dat ik in 1982 voerde met bondscoach Guy Thys. Het verhaal is getiteld Misschien wel wereldkampioen, vrij naar Will Tura. Koop dat blad.

WK-column De Standaard (2): eindelijk samen zijn.

Ik verhuisde naar Nederland vlak voor aanvang van het WK 2002 in Japan en Zuid-Korea. De gehele eerste ronde van dat wereldkampioenschap bracht ik alleen, blowend op de zitbank van mijn vriendin door, met wie ik een kamer van dertig vierkante meter deelde. Om de hoek was een coffeeshop die Rusland heette en daar ging ik in een poging om gunstige voortekenen af te dwingen, hash kopen voorafgaand aan de beslissende wedstrijd, tégen Rusland. Toen Marc Wilmots de verlossende 3-1 scoorde, was ik zo stoned dat ik niet meer kon juichen.
Nu fietste ik naar Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond in een zwart t-shirt waarop een afschrikwekkende beeltenis prijkte van een rode Satan die met de ene hand het standbeeld van Christus De Verlosser greep terwijl hij met de andere zijn drietand in een brandende wereldbol prikte. Het voelde niet goed. Een beetje geforceerd. Eerder deze week had ik in NRC Handelsblad de Rode Duivels-gekte vergeleken met het gedrag van Asperger patiënten. Mét excuus aan alle Asperger patiënten ter wereld maar mijn punt was dat het mij voorkwam dat wij Belgen gedrag imiteerden – de oud-Hollandsche WK-beleving met name – ten einde te kunnen functioneren in een situatie die ons bevreemdde, namelijk: wij hadden een goeie voetbalploeg.
Op het plein voor de Brakke Grond ging ik naadloos op in het duivelse feestgedruis. Ik kende niemand. In de rust haalde ik twee pintjes en gaf er één aan mijn buurman met wie ik af en toe wenkbrauwen fronsend oogcontact had. Er ontstond een spontaan gesprek, ook al zo’n discipline waar wij Belgen niet bovenmatig in excelleren, en we hadden het erover dat wij nooit in de Brakke Grond kwamen. Alleen als het moest, zeg maar. En nu moest het.
Fransen, Engelsen, Oostenrijkers: allemaal vormen ze een levendige, hechte community in Amsterdam. Ik ken hier geen énkele Belg. Wij gaan op in de stad en het land, zeggen binnen de kortste keren dingen als ‘te gek’ en – in dit geval – ‘kutwedstrijd’. En nu stonden we samen op een plein te doen alsof we zwart-geel-rode Hollanders waren.
Het spel werd er niet beter op. Hier en daar gingen mensen weg. Mijn buurman haalde geen pintje voor mij. Wij waren misschien een soort van Asperger patiënten, maar we waren er niet heel erg goed in. Tot Origi scoorde. Het plein ontplofte. Ik sprong als een gek op en neer en bleef minutenlang ‘Ja! Ja! Ja!’ schreeuwen. Mijn buurman hield zijn vlakke hand omhoog en ik knalde de mijne er tegen aan. En het gekke was: het voelde echt. Al die Amsterdamse Belgen waren bang geweest. Iemand had ons in een situatie geplaatst waar wij totaal niet op rekenden. En nu, eindelijk en wellicht juist daarom, kon het: samen zijn.
Drie pinten later fietste ik naar huis langs statige grachtenpanden en groen water waarover smaakvolle houten sloepen gleden. Intuïtief draaide ik een smal steegje in en stond voor coffeeshop Rusland. Ik stapte af, ging naar binnen en kocht twee gram Afghaan van een goed jaar. Volstrekt overbodig: ik was al high.

WK-column De Standaard (1): Het is een begin.

Een uur voor aanvang haalde ik Lola (6) op van de naschoolse opvang. We fietsten langs een pleintje waar jongens van Marokkaanse komaf stonden te voetballen.
‘Wat doen die jongens eigenlijk in Nederland?’ vroeg Lola.
Tijd voor een educatief verantwoord betoog over de zegenen van de multiculturele samenleving maar ik hield het op: ‘Die jongens zijn Nederlandser dan jij.’
Lola begon te huilen: ‘IK BE-HEN NEDERLANDS!’
Even later werd er afgetrapt. Ik had besloten om de wedstrijd in de warmte en veiligheid van het eigen huis te kijken, tussen mensen die van me hielden en mij zouden steunen – geïntimideerd als ik was door de Nederlandse zege van vrijdag, die ik staande in een kolkende Amsterdamse kroeg ternauwernood had overleefd.
Maar nu moest ik vaststellen dat mijn lieftallige Franse vrouw in de keuken stond te koken, mijn oudste Belgische-Franse dochter in een hoek zat te mokken, én dat iemand op de crèche de vingernageltjes van de jongste oranje had gelakt.
‘Algerije, dat was toch ooit van jullie?’ wierp ik nog op, hopend op empathie, maar ik kon hóren hoe mijn geliefde haar schouders op haalde. Mijn vrouw háát voetbal met een fanatisme waar de gemiddelde Syriëstrijder van kan leren. Ik besefte: ik was alleen. En alleen keek ik toe. Hoe de simpelste breedtepass mis ging. Hoe de meest onnozele ballen van Duivelse voeten sprongen. Algerije scoorde. Ik riep: ‘Waarom hebben jullie Algerije niet gewoon gehouden!?’
Maar mijn vrouw was ondertussen buiten. De kinderen speelden op straat, ik rook vaag de barbecue van de buren, ik had honger, ik verlangde naar een lekker onbezorgd knapperig worstje, of naar iemand die zou zeggen dat het maar een spelletje was. Er was niemand. Ik dacht aan vrienden met wie ik in vroegere tijden had gejuicht (Vandenbergh! Demol! Wilmots!) en gehuild (Platt). Wat was er gebeurd? Hoe was ik hier verzeild geraakt, bij die voetbalhatende vrouw, en die landverrader van een oudste dochter, en die andere kleine bandiet die nu vast trots met haar oranje vingertjes een mierenfamilie aan het verpletteren was?
En net wanneer alles verloren leek, kegelde Mertens ons snoeihard naar de drie punten. Diep in mij bevrijdde zich een kreet, een oeverloos lange, oorverdovende schreeuw die door de openstaande balkondeuren de helblauwe lucht opzocht en weg vloog, over al die oranje vlaggen en straten heen, over het IJ en de grachten, dwars door het geronk van de Amsterdamse ring en de droevige drone van vrachtschepen, tot ver in de polders. Vogels schrokken op, katten doken weg. En toen alles weer snijdend, dodelijk stil was geworden, vond ik mezelf terug op mijn knieën voor het scherm met mijn vuisten gebald in de lucht, en ik voelde de ogen van een geschrokken vrouw en twee kleine meisjes enigszins buiten adem op mij gericht en de oudste van die twee zei: ‘Papa, wie zijn de rode?’
‘Dat,’ zei ik. ‘Dat zijn nu eens de Belgen.’
‘Dan ben ik voor de Belgische,’ zei Lola.
‘Logisch,’ zei ik. ‘Je bent ook Belgisch.’
‘Ja,’ zei Lola. ‘Omdat Nederland niet speelt vandaag.’
Het is een begin.


Tijdens het WK verschijnt de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels, een column van mijn hand op de sportpagina's van De Standaard. Dit was mijn eerste bijdrage, van woensdag 18 juni.

De Groene Amsterdammer.

In onze serie nagekomen recensies van Dieven van vuur, deze week: het Nederlandse weekblad De Groene Amsterdammer. Recensent Kees 't Hart schrijft: 'Deze bloedwarme roman is bij vlagen verrukkelijk sentimenteel en staat vol met café-romantiek en jonge-mannen-verlangens. Maar wat is daar precies tegen als je beschikt over zo'n dringende, dwingende en dromerige pen als die van Victoria?'

Pomtidom, zeggen wij dan in schrijverslingo.

UPDATE: een leesbare versie van de volledige recensie staat inmiddells HIER.

WK-gekte.

De afgelopen dagen werd ik als specialist terzake reeds geconsulteerd door Hautekiet op de Vlaamse Radio 1 en Een Vandaag op de Nederlandse Radio 1 aangaande het wereldkampioenschap voetbal. Ondertussen hangen de eerste oranje vlaggetjes dan toch bij ons in de straat en hoor ik hier en daar een Nederlander dromen van de tweede ronde, dus dat komt goed. 

De komende weken zal ik de dag na elke wedstrijd van de Rode Duivels een column publiceren in de Vlaamse krant De Standaard waarin ik verslag zal doen van mijn persoonlijke WK-beleving in Nederland. Ik word dus betaald om het WK te volgen - a dream come true - en dit zolang de Belgen in het toernooi blijven. Kortom. Ik verheug me er enorm op die zeven columns te schrijven.

Ah, die laatste dagen zonder WK voetbal, dat zijn de ergste.