Hollands Maandblad.

In het septembernummer van literair tijdschrift Hollands Maandblad, weldra te koop online en bij de betere boekhandel, staat een behoorlijk lang kort verhaal van mijn hand: Niet meer wat het was. Op de website van Hollands Maandblad kan u na enig doorklikken via de knop Inhoud, de eerste pagina uit dat verhaal lezen en daarbij zal het de aandachtige Ivo Victoria-volger opvallen dat ook dit verhaal, net als het feuilleton dat ik deze weken schrijf voor De Revisor, draait rond de genaamde Louis Stevens. Je zou haast gaan denken dat achter deze samenloop van omstandigheden Een Gewiekst Plan schuil gaat of een ongezonde obsessie met een fictief persoon maar nee het is gewoon toeval, een fenomeen waarin veel mensen moeite hebben te geloven, wellicht omdat het echt bestaat. Enjoy!

Louis Stevens is de man (3).

Nu online: de derde aflevering van het feuilleton dat ik in opdracht van De Revisor schrijf, en waarbij ik in tien kleine en grote gebeurtenissen het leven van de genaamde Louis Stevens in kaart probeer te brengen, van zijn geboorte tot zijn dood. Vandaag: de jeugdliefde. Lees het verhaal HIER.

Tijdperk.

Vanochtend zag ik me gedwongen voor het eerst in mijn leven een toilettas te kopen. Een van onze twee poezen – ik ga geen namen noemen, maar ik vermoed dat het diegene was die is vernoemd naar de laatste Belgische Tourwinnaar – had van de opportuniteit die zich voordeed toen ik mijn oude toilettas kortstondig op de badkamervloer had neergezet (om redenen die hier niet relevant zijn maar wel degelijk geldig waren) gebruik gemaakt om er zijn behoefte in te doen. Het gaat hier om de toilettas die ik bijna 25 jaar geleden kreeg van mijn moeder toen ik op kamers ging studeren in Leuven. Een van de saaiste periodes uit mijn leven, waarvan ik mij nauwelijks iets kan herinneren, maar dit terzijde.
Eerder dit jaar sneuvelde ook al het tosti-ijzer dat mijn moeder me bij diezelfde gelegenheid cadeau gaf. Ik weet niet of zich verder nog items in mijn bezit bevinden die ik tevens in die periode van haar kreeg. We zouden kunnen spreken van het einde van een tijdperk, wellicht.
Ik sprong op de fiets, het was een schitterende ochtend: de zon scheen, overijverige securitymannetjes hielden de buurvrouw tegen, en in de verte gloeide de Esmeralda van schaamte in water dat bloedrood kleurde. Aangekomen in de Etos, liet ik mij doorverwijzen naar de afdeling toilettassen door een behulpzame dame met een matrozenmuts op. Al snel werd me duidelijk dat er in de voorbije 24 jaar nauwelijks tot geen innovatie heeft plaats gevonden in de sector, dit in schril contrast tot de wereld der tosti-ijzers. Ik koos een eenvoudig, zwart exemplaar.

Amy.

Het was juni 2004, een feest van MTV ergens buiten Amsterdam, ik vermoed in de buurt van Haarlem, Spaarnwoude, zoiets, alleszins, een zwoele avond in een feeërieke omgeving met sfeervolle tentjes en bars in een tuin waar kronkelende wandelpaden onder treurwilgen doorliepen, en veel mooie mensen, een prima feest eigenlijk, in principe, ongewoon smaakvol voor een bedrijf waar in die tijd een recordaantal praatjesmakers werkten. 

In schril contrast met die tuin evenwel, dienden de gasten het feest te betreden via een grote aluhal waarin een gammele houten vloer lag. Er stond een bandje te spelen voor een man of 50, die elk zonder problemen pirouettes hadden kunnen draaien met de armen gespreid zonder iemand te raken – maar dat deden ze niet. Het geluid kletterde alle kanten op. Aan de andere kant van de hal stond een paar honderd man dicht op elkaar gedrukt gratis drank te hijsen bij de bar. Ik bleef even stil staan en keek naar het bandje, dat er intens ongelukkig uit zag.
‘Wie is dat bandje?’ vroeg ik aan iemand.
‘Dat is geen bandje,’ zei deze persoon. ‘Dat is een zangeres.’
‘O,’ zei ik. En ik wurmde me tot bij de bar, tikte twee biertjes naar binnen en liep de tuin in. 

Louis Stevens is de man (2).

Nu online: de tweede aflevering van het feuilleton dat ik in opdracht van De Revisor schrijf, en waarbij ik in tien kleine en grote gebeurtenissen het leven van de genaamde Louis Stevens in kaart probeer te brengen, van zijn geboorte tot zijn dood. Vandaag: de vis. Lees het verhaal HIER.

Wat ik wilde zeggen.

Net na de uitzending voelde ik me nog prima. Felle hallogeen lampen verlichtten het binnenplein van de burcht, daarbuiten was alles in duisternis verpakt. De crew begon op te breken. Enkele verdwaalde toeristen betraden de set en keken verwonderd om zich heen. Ik liep naar de productiewagen, wilde me onmiddellijk laten afschminken maar de presentator was me voor, wederom. Met bedachtzame bewegingen haalde de make-up dame zijn fond de teint weg. In Het stenen bruidsbed, dat ik deze vakantie las, beschrijft Harry Mulisch de huid van iemands gelaat als ‘vochtig zand dat acteurs ten slotte overhouden van schmink en andermans emoties.’
Het was nog steeds warm. Muggen hadden de vliegende mieren afgelost. Ik stak een sigaret op. De producer gaf me een biertje en vroeg: ‘Heb je kunnen zeggen wat je wilde zeggen?’ In de dagen erna schrok ik drie, vier keer per nacht wakker van de gedachte aan wat ik had willen zeggen. Het gezicht van de presentator zweefde boven ons bed, groot en emotieloos.

Mooi.

Maar er zijn ook mooie momenten. Ik kom thuis van kantoor, Liefje is weg, en het huis is rustig en leeg. Ik zet de balkondeuren open, neem een biertje, zet de oven aan en trek een pizza uit de diepvries. Dit is goed, denk ik. Half zeven, ik ben op mijn dooie gemak naar huis gefietst, ik kan doen wat ik wil, niemand vraagt mij wat, dit is de natuurlijke, organische manier om de werkdag verteren, DIT is normaal: gewoon, de tijd nemen om je gedachten tot rust te laten komen terwijl niemand je iets vraagt. Weet je wat? Ik draai een jointje. Hopla. Een klein ieniemini jointje, een stickie, niks bijzonders, gewoon net genoeg voor een kleine vervaging van de werkelijkheid, even de boel out of focus bekijken, niet te veel, zeker niet te veel, straks immers nog een belangwekkende meeting met Rob Waumans, dus slechts een heel klein beetje, met misschien nog een (1) biertje erbij, maar dat zal het dan ook zijn, niet meer dan een hoekje eraf, ten slotte is het mijn volste recht en kan ik nu zijn wie ik kan en wil zijn, hier, in deze rust terwijl NIEMAND mij iets vraagt, kortom: ik kan dit gewoon doen.
Een kwartier later zit ik knetterstoned op de bank. Daarna eet ik een pizza en fiets naar mijn afspraak met Rob Waumans, die vlekkeloos verloopt. Mooie momenten, ik zei het al.

Alles doen.

Over het scherm buitelen de meisjes die wij in Frankrijk hebben achtergelaten. Ze zijn zo vrolijk dat ze nauwelijks in staat zijn een verstaanbaar woord uit te spreken. Liefje en ik kijken elkaar aan. We zouden alles gaan doen. Maar we dwalen al dagen door het huis en zijn nog niet eens uit eten geweest.
Ontbijt. Stilte. Een croissant op een wit bord op een houten tafel. Espresso. Ik sta op en zet de stereo aan. Living in a Magazine, Zoot Woman. Overal lege ruimtes om ons heen waarin gebruiksvoorwerpen staan, zielloos en achtergelaten. Nergens rommel. Mijn droombeeld, nergens rommel, overal vrije leefruimte. Lekker uitslapen en laat naar kantoor. Het is zeven na acht en ik staar al minutenlang voor me uit.
De meisjes lachen en springen. Ze hebben de krulspelden van oma in hun haar, ze gieren het uit, slapen meer, eten beter, ik weet het niet zeker maar op de salontafel, links onder in beeld, meen ik een zilveren schaal te zien staan, gevuld met geluk.
De voorbije maanden schrik ik ’s nachts geregeld wakker door beelden in mijn hoofd van de meest vreselijke gebeurtenissen waarbij mijn vrouw of mijn kinderen overlijden of zwaar gewond raken. Meestal crasht of valt er iemand, of komt onherroepelijk ergens in vast te zitten, iets wat hen vervolgens vermorzelt. Meestal door mijn schuld. De beelden lijken geen dromen te zijn maar gedachten.