Overleg.

Liefje was in London dus een half uur nadat ik de meisjes naar bed had gebracht, stond Lou Victoria weer boven en ze zei: ‘Wij hebben nog niet overlegd.’
Dat was waar. Op de fiets had ze gevraagd of ze bij mij in bed mocht slapen. 
‘Dat is wel een beetje zielig voor Lola,’ had ik gezegd.
‘Maar dan heeft Lola haar kamer voor zich alleen en kan ze knuffels uit mijn bed pakken die ze leuk vindt,’ zei Lou. Fair point. Maar ik had geen zin in haar gedraai en gekeer. Dus ik had het gesprek met de eeuwige dooddoener beëindigd: we zullen straks overleggen. Er daarbij van uitgaande dat ‘straks’ zou opgevuld worden met avondeten, en een film, en een toetje, waarna alles zou zijn vergeten en Lou gewoon haar eigen bed in zou stappen zonder nog een moment aan het mijne te denken. En zo was het ook gegaan. Maar nu stond ze daar. Slim gewacht tot haar grote zus in slaap was gevallen, en ze keek me schuin aan, op haar bekende, onweerstaanbare manier waardoor van feitelijk overleg eigenlijk geen sprake was.
Ik sliep in blokjes van anderhalf tot twee uur. Lou draaide en keerde en telkens wanneer ik de ogen opende, lag ze in een andere houding. De mond half open, een lok haar over haar ogen, haar armen wijd. Of opgekruld tot een bolletje, of plat op haar buik. En iedere keer bestudeerde ik haar gedurende enkele seconden, in het zachte licht dat de wekkerradio over haar gezicht strooide. Hoe het kuiltje in haar wang verscheen wanneer ze glimlachte in haar dromen. Hoe haar wenkbrauwen bogen net zoals die van haar moeder dat doen. Ik wist dat deze gebroken nacht zou resulteren in een helse dag. De toon maakte zich klaar om van de gelegenheid te profiteren en mijn hoofd te fileren, zoals altijd wanneer ik slecht slaap. Maar deze keer kon het me niet zo veel schelen. Wat die toon nu eindelijk eens moet gaan leren, is dat dit mijn leven is, en niet het zijne, en dat er schoonheid bestaat waar hij simpelweg niet tegen opgewassen is.

Leven.

Deze week eet het gezin Victoria vegetarisch. Het idee ontstond omdat Lola Victoria geen vlees lust. Behalve als het gehakt in pasta bolognaise betreft, of mortadella tussen de boterham, of Knacki’s (alleen de echte Knacki’s die je enkel in Franse en Belgische supermarkten kan kopen) of kip (als het met friet is), of als het vlees op een pizza zit. In alle andere gevallen is het niet te eten, ook niet als het precies hetzelfde vlees is, en tevens is het in die gevallen zielig voor de dieren. Sowieso is Lola Victoria deze dagen erg begaan met leven.
‘Lola wil je even de tafel dekken?’
‘Nee ik ben druk.’
‘Waarmee dan?’
‘Met léven.’
Kortom. We begonnen met fondue. Vies. Daarna een tajine van kikkererwten en allerhande andere groenteheerlijkheden met falafelballetjes. Vies. De dag erna een zelf gemaakte vegetarische pizza – groot succes want: pizza. Gisteren pasta pesto met tofu en broccoli. Minus de pesto dan, want dat is vies en werd daarom door de kinderen vervangen door tomatensaus. Overall conclusie: desalnietemin vies. Nu moeten we een kat een kat noemen. Tofu is zonder twijfel bedacht door iemand met verdoofde smaakpapillen. Falafel is, nu ja, gewoon vies. Maar wellicht doen wij iets verkeerd. Wij zijn dan ook vegetarische beginners. Bovendien vegetarische beginners die zijn groot gebracht in landen waar eten geen manier is om jezelf noodzakelijke levenstoffen toe te dienen maar een manier van léven, om niet te zeggen het héle leven.

Dus daar zat ik, gisteravond, voor dat ranzige bordje pasta pesto en ik verlangde hevig naar een boeuf bourgignon die zes uur op het vuur had staan sudderen, of een mals stukje onglet met een fijn gesneden sjalotje en een goeie scheut rode wijn. Wij eten geen varkenvlees. Veel groenten. Elke dag fruit. Kilo’s tomaatjes en komkommers per week. Volgens mij waren wij oké bezig. Ik geloof helemaal niet in dé gezondst mogelijke manier van leven net zo min als ik geloof in dé allermilieuvriendelijkste manier van leven. De natuur trekt zich van ons niks aan, we zijn er bezorgd om omdat we bezorgd zijn om onszelf, en verslaafd aan het idee dat onze soort voor altijd moet blijven bestaan. Kan natuurlijk niet. Ons bestaan is toeval, het resultaat van ramp op ramp - en zo zal het ook tot haar einde komen.
Lola slaakte een diepe zucht.
‘Hoeveel happen moet ik nog?’
‘Eet nog vijf stukjes tofu,’ zei ik. ‘Proef je toch niks van. En dan beloof ik dat we morgen wat anders gaan doen.’
‘Wat dan?’
‘Léven.’

Op zijn Belgisch.

Ik zou naar een walking dinner met de Koning en Koningin van België gaan in het Okura. In de eerste week van de Waumans & Victoria najaarstour had ik er nog over opgeschept tegen Gerbrand Bakker die dol is op koningshuizen en mij enkele dagen later onverhoeds een veeg uit de pan gaf omdat ik tijdens de voorstellingen sneakers draag onder mijn pak. Kortom, ik moest echte schoenen aan en ik besloot met de auto te gaan omdat het erg koud was, de koudste novemberdavond in jaren zo vertelde de roemruchte social media me. 
Long story short: ze waren er niet. Ik bleek uitgenodigd voor een netwerkdiner voor mensen die niet belangrijk genoeg waren, terwijl het koningspaar in de zaal ernaast dineerde. Geen probleem. Ik keek, zoals gewoonlijk op dit soort gelegenheden, mijn ogen uit. Het eerste half uur werd er enorm gezopen. Hele glazen wijn verdwenen in luttele seconden in de kelen van de aanwezige zakenlui. Ik kon niet anders dan in dit klimaat te gedijen.
Daarna sprak ik met de directrice van een Tilburgs ziekenhuis, een man die de import-export tussen België en Nederland bevordert en van Murakami en Coupland bleek te houden, en een jonge gast van een investeringsmaatschappij. Hij fronste de wenkbrauwen toen ik vertelde dat ik schrijver was. Ik zei: ‘Dus ik ben totaal irrelevant voor jou.’ En hij antwoordde: ‘Dat klopt.’

Daarna volgde een aantrekkelijke vertegenwoordigster van de Amerikaanse kamer van koophandel die ooit afstudeerde aan het Rietveld, en tot slot belandde ik met een ondernemende cellist en een Haagse reclameman in de skybar van het Okura waar wij onze glazen speciaalbier en uitstekende rode wijn mee naar toe hadden gesmokkeld. Het uitzicht was adembenemend, het gesprek verzandde, en niet veel later stond ik buiten alwaar de overweldigende veiligheidsmaatregelen waren opgelost in de vrieskou en met hen ook het koninklijk gezelschap dat mij die ochtend nog minutenlang had opgehouden bij hun aankomst in Amsterdam door de Piet Heintunnel, goddamnit, ik die nota bene op weg was naar een levensbelangrijke afspraak waar de editor-in-chief om volstrekt valide redenen uiteindelijk niet bij aanwezig kon zijn. Kortom. Er zat niks anders op dan een sigaret op te steken, naar de parkeergarage te wandelen en naar huis te rijden. Dat laatste op zijn Belgisch, zoals ze dan zeggen.

Bellen.

‘Ga je me nu elke dag bellen?’ zei de editor-in-chief toen ik hem gisteren voor het eerst deze week belde.
‘Ja,’ zei ik. We spraken over vlinders, uitnodigingen en een onbereikbare dame. Er staat vanalles in de steigers rondom Billie & Seb en er moet veel gebeuren en ik merk dat ik lichtjes opgewonden ben en geen detail wil laten schieten en dat is mooi want dat gevoel heb ik al een tijd niet meer gehad. 
Even later viel de eerste drukproef van Billie & Seb in de mailbox. De voorbije weken vertelde ik aan wat mensen dat het boek af was en dan vroegen ze: ‘Hoe dik is het?’ En dan zei ik: ‘Het is 85000 woorden dus ik denk zo ongeveer 320 pagina’s.’ Nu scrolde ik naar de laatste pagina van de drukproef en ja hoor: Billie & Seb is precies 320 pagina’s dik. Ik voelde me een vakman. Ik controleerde de bladspiegel, de openingsregels van elk hoofdstuk die in klein kapitaal staan, hoe de whatsapp-berichten waren gezet, en terwijl ik wat opmerkingen noteerde dacht ik het opnieuw: vakman. Dit is mijn werk. Ik doe dit niet meer voor het eerst, dit is nu deel van hoe mijn leven is geworden en ik weet waar ik het over heb. Hoe gek is dat?
En ik mailde de editor-in-chief met mijn feedback, en schreef: ‘Ziet er goed uit. Lijkt wel een echt boek.’ Dat moet ik toch dringend eens afleren. Het ís een echt boek. Hoeveel moet ik er in godsnaam nog schrijven voordat ik dat ga accepteren? 
Afijn, gisteravond had ik een vergadering over een evenement in juni. Dan is dat boek al zes maanden uit. Met wat pech is het nergens meer te vinden en heeft niemand het er meer over. Kortom, dit is een mooie tijd. Alles is hoop en belofte, elk detail is belangrijk. Dadelijk fiets ik naar het pontje, sta op het dek in de herfstzon, genietend van het kabbelende IJ, rij over slingerende paadjes door het Vliegenbos naar kantoor en ik verzeker je: tegen de tijd dat ik daar ben aangekomen heb ik minimaal drie dingen verzonnen waarover ik later vandaag eens even lekker met de editor-in-chief ga bellen.

Brief aan de ruimte.

Lou Victoria (5) had een brief naar de ruimte geschreven. We mochten niet weten wat erin stond. Ze stak de brief in een grote blauwe envelop waarop witte sterren stonden afgedrukt, schreef het adres erop in ruimteschrift en kleefde er een stukje schuimrubber op – een ruimtezegel. 
Vorige week haalde ik haar op van school en de juf vroeg: ‘Wat hoor ik nu? Zijn jullie verhuisd?’ Ook toen was het beeld vanzelfsprekend geweest, en vol geloofwaardige details, ik ging het bijna zelf geloven. We woonden nu buiten de stad, in een groot huis met een tuin. Lou had haar eigen kamer en buiten liepen er schaapjes. 
‘Maar zou je dan je vriendjes en vriendinnetjes niet missen?’ vroeg ik bij het avondmaal.
‘Wie dan?’ zei Lou. 
‘Nou,’ zei ik. En ik noemde enkele namen. 
‘Nee hoor,’ zei Lou.
‘Maar H. dan?’ vroeg ik. ‘Zou je H. niet missen? Daar was je toch verliefd op?’
‘Wat?’ zei Lola. ‘Is Lou een lesbi?’
Daar moest Lou dan weer wel om lachen. Gek woord, lesbi.
Het was nog donker toen we de brief vanochtend op de bus deden. We waren niet helemaal zeker in welke gleuf hij moest, vanwege het postcodegebied, maar goed, dat regelen ze bij de post wel. Ik keek even omhoog, het duister in. De laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat de sterren zich van ons afkeren, alsof ze teleurgesteld in ons zijn. Maar nog voor ik weg kon dromen over het onverbiddelijke toeval dat ons bestaan is, en de mogelijkheid van een andere dimensie dan tijd of ruimte, stond Lou Victoria alweer bij de auto, opende het portier en zei: ‘Hey, papa! Kom je nog, we moeten naar die babyschool, met je babyauto, ik heb niet alle tijd, baby.’

Spoor.

De hele week ging ik voor half elf naar bed en na een nacht of drie begon ik me beter te voelen maar de weerzin verdween niet. Ik heb enorm veel lol deze dagen maar ik kan nog steeds niet accepteren dat ik die lol niet meer aan kan, in fysieke zin. De toon drukte op mijn gemoed en sneed mijn hoofd in tweeën, dan ben je al dat plezier snel vergeten. 
Op woensdag was het stil. Ik haalde de persklaarversie van Billie & Seb op. Dat is de laatste versie van het manuscript voordat het boek wordt gezet. Aangekomen op kantoor bladerde ik er wat doorheen en ik zag meteen dat er goed werk geleverd was. Heel veel kleine dingen – woorden verplaatsen, zinnen schrappen, spaties invoegen, spaties verwijderen – en heel veel opmerkingen die in potlood en in een uitzonderlijk net handschrift in de kantlijn geschreven stonden. Bij een goeie persklaarmaker weet je na twee van die opmerkingen dat hij/zij het manuscript net zo goed kent als jij, of beter. Daar werd ik blij van. Voor een leek lijkt het misschien alsof je simpelweg een verbeterd dictee terug krijgt maar ik heb ondertussen tot mijn schade en schande geleerd dat een persklaarmaker de tekst, en dus ook het verhaal, wezenlijk beter kan maken – en ook slechter. Kortom. Kijk uit met persklaarmakers.
Donderdags schreef ik mijn column voor Spijkers met Koppen en ik merkte dat ik stilaan los kwam van de verplichting grappig te moeten zijn, een verplichting die ik mezelf had opgelegd toen ik die klus aannam. Benieuwd hoe dat zaterdag uitpakt op de radio. ’s Avonds trok ik naar de boekpresentatie van De Ruiter van Jan van Mersbergen. Ik kocht het boek en liet het signeren door Jan, dat doe ik altijd bij collega’s, niet voor mij, maar in de hoop dat al die boeken later in de kasten van mijn dochters zullen belanden en zo samen een spoor zullen vormen dat langs alle schrijvers leidt die hun vader heeft gekend in de tijd dat hij er zelf een was, lang geleden, want dat soort zaken weet ik zelf niet over mijn eigen vader, in mijn herinnering had hij geen vrienden, helemaal niemand, en boeken las hij ook al niet. 

Jij ziet er niet te best uit.

Vanochtend begaf de stuurbekrachtiging van de auto het. De wagen gilde van de pijn. Toen ik hem terug de carport in reed, bleef er een rood spoor achter op de stoep. Bloed, veronderstel ik. Dat zag er niet te best uit. Door de ijzige regen fietste ik de meisje naar school. We waren te laat. Daar heb ik een bloedhekel aan. Er komen meer kinderen te laat, eigenlijk altijd dezelfde kinderen en dat zijn niet mijn kinderen. Dat is mijn moeder die spreekt. ‘Misschien vinden ze dat bij andere gezinnen normaal maar wij doen de dingen op onze manier.’
Bij thuiskomst checkte ik de prijzen van nieuwe wagens op internet. Wij rijden een vijftien jaar oude Saab. Ik ben dol op die auto terwijl ik helemaal niks om auto’s geef. Dat moet maar eens stoppen. Ik ken ondertussen elke geluid die een defecte Saab kan maken: wwwwoef wwwwoef wwwwoef als de distributieriem het begeeft. Tekkekkekkekkek! Da’s een vastloper. Het ANWB-mannetje kwam, het ANWB-mannetje ging, een sleepmannetje kwam, de wagen werd getakeld en ik nam de tram.
Ik voelde me goed en fris toen ik aankwam op de uitgeverij maar de editor-in-chief zei: ‘Zo, jij ziet er niet te best uit.’ En hij was niet de eerste. Ik ben weliswaar geen 25 meer maar zo heb ik me de afgelopen week wel gedragen, on tour met Waumans & Victoria’s Groot Internationaal Literair Variété Spektakel. Drie heerlijke avonden in goed gevulde zalen, met mooie gesprekken en performances zowel op het podium als in het tourbusje, avonden die je gulzig maken naar meer van dat soort momenten, en bier. 
Nu is het tijd om weer aan Billie & Seb te denken, in afwachting van de eindredactie die ik later deze week moet verwerken. Ik ben dat hele boek al bijna weer vergeten dus het zal me benieuwen. Er worden plannen gemaakt voor de lancering, iedereen die ik spreek is enthousiast, en dat is fijn, maar ik betrap mezelf erop dat ik vooral probeer om er niet te veel van te verwachten. Veel dingen mislukken omdat we ze te graag willen. Deze week spelen we gelukkig maar één show met het Spektakel, aanstaande zaterdag in de Verkadefabriek in Den Bosch. Geen idee hoe de naborrel daar zal uitpakken maar de show staat als een huis. Er zijn nog kaarten, dus kom kijken als je kan. Sterker nog: ik weet niet of het mag, maar ik geef er gewoon een paar weg. Doe een comment hieronder en ik mail je want geloof me: het ziet er heel erg best uit.

Stil.

Van zodra ik in bed ging liggen, en mijn ogen sloot, wist ik wat voor nacht het ging worden en inderdaad, al snel werd ik meegesleurd door de maalstroom van gedachten waardoor ook mijn geliefde personage Louis Stevens wordt gekweld in het verhaal dat ik schreef voor de A.F.Th. van der Heijden-special van De Revisor die vrijdag wordt gepresenteerd op het verjaardagsfeest van de beste man. Dat verhaal heet De gekiste kat, en het is geïnspireerd door de openingsscène uit Advocaat van de hanen. Allemaal leuk en aardig maar daarmee heb ik geen seconde méér geslapen.
Rond een uur of drie ging ik op de rand van het bed zitten, uitgeput. Ik dronk wat water en nam me voor om bij de eerstvolgende gelegenheid weer eens drugs te kopen, en whisky.
‘Wat is er?’ vroeg Liefje slaperig.
‘Mijn hoofd staan aan,’ zei ik.
Daarna ging ik weer liggen en concentreerde me op mijn ademhaling. Ik dacht aan een dierbare vriendin en vroeg me af of ook zij wakker was. Wellicht wel. Dat leidde weer tot een hele reeks nieuwe, oncontroleerbare gedachten die telkens op hetzelfde, hunkerende punt bleven hangen en ik slaagde er maar niet in om de zaak af te ronden.
Toen ik opstond was het vreemd genoeg leeg en stil in mijn hoofd. Dat is hoe ik tegenwoordig de dag begin: ik kijk in de spiegel en luister naar mijn hoofd. Het voordeel van die verdoemde toon is dat ik nu weet wat echte stilte is. En ik bedacht dat de toon misschien verdwenen was omdat de gedachten hem verjaagd hadden en ik vroeg me af waar ik dan het meest blij om moest zijn: de onrust of de stilte.