Bal.

We waren in de speeltuin en ik stond bij de glijbaan te kijken hoe Lou Victoria zichzelf wilskrachtig omhoog werkte, trede per trede. Iets verderop waren wat jongens van een jaar of tien, elf, aan het voetballen. Het ging er fel aan toe en ook wanneer de bal buiten de lijnen belandde gingen ze door en vochten verbeten duels uit tussen de speeltuigen en kleinere kinderen.
Op een bepaald moment kwam de bal mijn kant uit rollen, met drie van die jongens erachteraan. Net voordat de bal mij bereikte wipte hij op, door een kei, waardoor hij precies de goeie hoogte bereikte om er met buitenkant rechts een fenomenale volley van te maken die hem hoog de lucht in zou sturen waarna hij onder de bewonderende blikken van de jongens pas helemaal aan de overzijde van het veldje weer neer zou komen en net niet hoog genoeg weer op zou springen om over het hek heen in het IJ te belanden.
In plaats daarvan, evenwel, schoot ik de bal keihard in het gezicht van de grootste jongen. Ik hield een hand omhoog en zei: ‘Sorry! Ik wou hem over je heen schieten!’ Daarna begon ik te lachen. De jongen had geen pijn maar keek me verbijsterd aan, en zijn verbijstering sloeg al snel om in een stille, verbeten woede. Het was niet eerlijk, hij stond als jongen tegenover een volwassen man, ik kon alles wat hij dacht zien, en ook kon ik zien hoe hij het allemaal inslikte terwijl hij mij bleef aankijken, en in al mijn volwassenheid dacht ik: dat is goed voor die jongen, dit zijn de momenten waarover je vijftien jaar later nog denkt: ik had dat of dat moeten zeggen.
Ook toen het spel al lang weer was hervat, bleef de jongen mij aankijken, iedere keer wanneer de bal even niet in zijn buurt was. Het was een magere jongen, iets te lang voor zijn leeftijd, en zijn gelaat vertoonde al de trekken van het soort man dat hij zou worden. Ook vanop een afstandje kon ik zijn gedachten lezen, alles stond geschreven in die woedende blik, die steeds woedender werd naarmate ik hem bleef bestuderen. En ik dacht: ja jongen, als je daar gaat staan wachten tot die bal weer mijn kant op komt rollen en ik, als zo’n typische vader die jong wil doen, hem knullig hoog begin te houden of iets te ingewikkelds probeer waardoor ik op mijn gezicht ga, ja, nou, dan kan je daar nog lang staan wachten.
 
Maar dat viel al bij al wel mee.

Zuid.

Vanmiddag was ik op Antwerpen Zuid. Ik fietste ernaartoe vanaf het centraal station, op zo’n velofiets. Enige tijd geleden heb ik een Velo-jaarkaart aangeschaft. Het zijn de kleine, krampachtige dingetjes die de would be heimweeman kenmerken, maar ze veranderen natuurlijk helemaal niets.
Onderweg naar het Zuid kwam ik Tom van Laere tegen, van Admiral Freebee. Hij zat op een terrasje, in de zon, enorm relaxed een koffietje te drinken. Ik stopte en we praatten. Het duurde niet lang voordat wij eensgezind tot de conclusie kwamen: wat we ook doen, verkeerd begrepen worden we toch wel. En ook hadden we het over Antwerpen Zuid en Tom bleef insisteren dat die buurt in het begin van de jaren negentig vergeven was van de hoerenkoten – iets wat ik mij volstrekt niet kan herinneren, wellicht omdat ik in het begin van de jaren negentig niet op Antwerpen Zuid kwam, maar toch bevreemdde het me.
Ik fietste verder, en uiteindelijk bereikte ik het Zuid. Bij het Museum, op dat armtierig kleine stukje grind dat nog over is, stonden twee mensen te petanquen. Ik wendde de blik af en bereikte tijdig de plek van afspraak, leverde er een bijdrage conform de afspraken, en twee uur later zat ik alweer op de fiets, op de weg terug naar het station. Ik trapte stevig door, en al snel lag het Zuid ver achter mij en was elke mogelijke herinnering uit mijn gedachten verdreven en in plaats daarvan dacht ik aan een vriend, een echte, en aan alles wat hij mij gisteravond door de telefoon had verteld en ik kan je verzekeren: dat was heel wat.


Een goeie vraag.

Het was een koude, zonnige ochtend, het soort ochtend dat je tranen in de ogen bezorgt, het soort ochtend waarvan je harder gaat trappen om je lijf zo snel mogelijk te verwarmen en ik draaide bij Café Tabac de brug op en daalde daarna meteen, hard, in één vloeiende beweging die steile brug weer af en sloeg tegelijk linksaf in de richting van de Noordermarkt waar het op maandag altijd markt is of is dat vaker, ik weet het niet, wanneer ik er nu over nadenk zou ik niet kunnen zeggen of het vandaag markt was, ik kan me geen kraam herinneren maar wel herinner ik me het gezicht van de jongen die vanuit de tegengestelde richting aan kwam fietsen, met een hand aan het stuur en de mobiele telefoon aan zijn oor en ook in zijn ogen stonden tranen en zijn gezicht was rood en verkrampt, hij hing diep gebogen over zijn stuur, en ook hij trapte hard, zijn blik strak voor zich uit op niets gericht, natte ogen dus, en tegelijk vurig en verbijsterd door wat het ook was dat hij door die telefoon te horen kreeg en net op het moment dat we elkaar kruisten en mijn gedachten dreigden af te dwalen naar wat er vandaag allemaal te gebeuren staat – en geloof me, dat zou zomaar eens niet min kunnen zijn – net op dat moment dus, haalde hij diep adem, hij zoog die ijzig koude ochtendlucht naar binnen, zo gulzig, zo wanhopig happend dat mijn eigen longen er pijn van deden en toen riep hij: ‘WHY ARE YOU DOING THIS!?’
Het was een goeie jongen. Dat kon je zien. En het was een goeie vraag, dat weet ik zeker, een vraag als een foto, zo’n foto die je later terug vindt in een kast, tussen postkaarten en geboortekaartjes en dat je dan denkt: waar en wanneer was dat ook alweer?


Een lezer.

Gisteren arriveerde ik een uur te vroeg in Utrecht voor mijn optreden op het City2Cities Festival. Het Paushuize was nog niet eens geopend voor het publiek. De jongedame bij de entree keek me ietwat ongemakkelijk lachend aan en zei dat ik ‘wel al welkom was, hoor’. Ik voelde me zoals ik mij liever niet voel: als iemand die te graag wil en daarop betrapt wordt.
Ik zei dat ik nog ‘even van de buurt ging genieten’ en liep terug naar waar ik vandaan kwam, langs een majestueus hoekgebouw uit het eind van de negentiende eeuw. Op een muur stond in grote letters: ‘Sic Semper’. Uiteindelijk kwam ik uit op het gezelligste kruispunt van Utrecht: op elke hoek een café, en iets verderop, nog net zichtbaar, het glinsterend groene grachtenwater. Ik ging op een terras zitten en twijfelde tussen een biertje en een witte wijn totdat ik de serveerster achter mij hoorde zeggen dat ze geen alcohol schonk vóór een uur. Kortom, alles zat mee, en ik bestelde een appelsapje. Daarna las ik gedurende een half uurtje in Revolutionary Road van Richard Yates. De zon was aangenaam, de mensen om mij heen zeiden af en toe wat tegen elkaar, op rustige toon, maar het merendeel van de tijd was het stil zoals het alleen in een stad stil kan zijn. Gerinkel van fietsbellen, de lach van een kind, een keuvelend groepje toeristen dat langs de gevels schuifelt. Ik las langzaam, regel per regel, probeerde elke zin op me in te laten werken, en bij momenten vond ik wat ik las zo goed dat ik me heel even een lezer waande.
Er is de voorbije maand van alles gebeurd, veelal goeie dingen, vooral veel dingen, en ik wil het zeker niet bagatelliseren, maar vannacht werd ik wakker rond een uur of één. Ik lag op mijn rug en staarde naar het plafond en al snel zag ik mezelf, op dat terras, lezend in de zon en ik bedacht dat dat half uur misschien wel het mooiste halfuurtje van die hele voorbije maand was geweest.

Trouw.

Vandaag staat een paginagrote recensie van Dieven van vuur in Trouw. 'Victoria schittert in soms prachtig soepele zinnen...een bij vlagen meeslepende bespiegeling over de verloren tijd.' (Er stonden ook nog wat kritische noten in de recensie maar die ben ik alweer vergeten.) Trouw geeft geen sterren, hetgeen hen siert.

Nieuwsblad, Knack, Lezen.tv, Bar Tabac, Telegraaf, De Standaard.

Dinsdag stond een recensie van Dieven van vuur in Het Nieuwsblad, goed voor vier sterren. 'Victoria bedacht een sterk verhaal en schrijft met vaardige pen. Een van de betere Vlaamse romans van het voorjaar.'

Woensdag stond een interview over Dieven van vuur in het weekblad Knack waarbij ik krampachtig poog om het beeld dat sommigen mensen van die roman hebben, enigszins bij te sturen, getuige de kop. 'Victoria weet als geen ander de anarchistische sfeer te vatten die Antwerpen Zuid twintig jaar geleden zo uniek maakte.' Olé.

Ook sinds woensdag staat een uitgebreid video interview online bij het sympathieke Lezen.tv. Je kan het HIER bekijken.

Ondertussen doet ook de actualiteit haar best om in te haken op Dieven van vuur, getuige dit artikel in Het Laatste Nieuws.

In de Nederlandse krant De Telegraaf staat vandaag een middelmatige recensie: 'De dilemma’s en de weemoed van zijn protagonist maakt hij invoelbaar, de sfeer van de jaren tachtig in Antwerpen geeft hij puntgaaf weer. Toch mist er iets. Misschien is dat richting.' Terwijl NRC al helemaal niet mals is: 'Dieven van vuur schiet alle kanten op en bevat kern noch idee.' Kortom, de eerste kutrecensie voor Dieven van vuur is een feit. Ik ga dit incasseren als een man (en het op een enorm zuipen zetten).

Tot slot, om het af te maken, vandaag in de Standaard der Letteren: mijn beroepsgeheim, of wat daarvoor moet doorgaan. (Eigenlijk komt het neer op: dóórtikken, bitch! Want zo noem ik mijzelf wel eens.)

Een lastige bocht.

Vanochtend arriveerde ik voor het eerst sinds lang weer eens tijdig op mijn statige schrijfkantoor én met het vooruitzicht om er het grootste deel van de dag ook werkend door te brengen. Het voelde alsof ik terug was van vakantie terwijl ik in werkelijkheid non-stop onderweg was geweest naar interviews en optredens allerhande. Werk. Het leukste werk ter wereld, maar werk.
Aan de muur hingen enkele blanco A4'tjes, die ik er na het voltooien van Dieven van vuur vol goede moed had opgehangen, vast van plan om zo snel mogelijk weer aan het schrijven te slaan. Bovenaan elk A4'tje staat een woord of zin. Onderstreept, alsof die A4'tjes lijstjes zouden moeten worden. ‘Witchcraft’ staat er op eentje. Of: ‘Het huis met het geld in de muren’. ‘Louis Stevens’. ‘Waarom wij alles willen verbeteren’.
Ik denk dat het erom ging dat er iéts aan die muur moest hangen. Dieven van vuur bestond uit zowat 80 fichekaarten die in vier rijen onder elkaar op diezelfde plek hingen. Ik kon ijsberen door de kamer, of door het raam naar de gracht kijken en dan mezelf omdraaien en naar die muur wandelen, om naar die steekkaarten te turen. Vooral op de momenten van twijfel was dat lekker. Ik twijfelde dan wel, maar daar aan de muur hing het onomstotelijke bewijs dat er een boek was, dat er iéts was, iets waarover was nagedacht, en het kon weliswaar ook weer van die muur áf – maar dat was zoveel gedoe.
Nu hangen er vijf lege A4'tjes. Ik keek er een tijdje naar en probeerde mij te herinneren waarom ik die zinnen daar had neergeschreven. Langzaam kwam het een en ander terug. Ik ging voor het raam staan en tuurde naar buiten. Een rondvaartboot draaide rond zijn as, met zware ronkende motor, en schoof onder een brug door. De boten moeten hier een lastige bocht maken maar allemaal volbrengen ze het manoeuvre schijnbaar zonder moeite. Deze ook weer.
Vijf A4'tjes, dacht ik. Die kunnen er nog makkelijk af.

Nieuwe Feiten, Metro België, Haarlems Dagblad.

Vandaag in de Metro België: vier sterren voor Dieven van vuur. 'Een rijke roman, zowel wat verhaallijn als vertelstijl betreft.'

Tevens is de eerste Nederlandse recensie gearriveerd. Het Haarlems Dagblad geeft vier sterren en zegt: 'Zinnen die je stuk voor stuk zou willen onthouden.'

Deze week verzorg ik elke dag het Middagjournaal bij Nieuwe Feiten op de Vlaamse Radio 1. Enjoy.

Ook op diezelfde Radio 1 brengt de Bende van Einstein dinsdag naar aanleiding van Dieven van vuur een reportage over vrije radio in Vlaanderen. Met als gast Serge Haderman die ik ook in de research-fase van de roman heb geïnterviewd. Je kan het HIER terugluisteren.