De liefde.

Afgelopen weekend vierde ik tweemaal de liefde. De eerste keer in het decor van de slotscène uit een Amerikaanse romantische komedie, met een ceremonie op het gras, badend in het licht, hertjes huppelend in de achterliggende weilanden en een vrolijke hond, op zoek naar schapen. Een lange rij houten tafels op de binnenplaats van de boerderij, een varken aan het spit, gasten die op stonden en zingend zwaaiden met lichtblauwe servetten. Ja, ik heb gedanst.
De tweede keer op een balkon van een flatgebouw in de felle avondzon. We keken uit op wuivend groen, beneden dreef een vervallen boot op zand, een kat liep over een muurtje van stenen dat was gestapeld in de vorm van een omega, wat verderop liepen mensen in en uit barakken. De borstwering was hoog genoeg om niet bang te zijn, maar de neiging bleef. Een van de geliefden streelde mijn arm en ik zei haar dat hij er gelukkig uit zag.
Onderweg naar huis, op het pontje, keek ik uit over het water. In de verte gloeide de stad. Een meisje in een gele jas leunde over de reling, ze steunde op haar armen, tuurde naar beneden in het donkere water, waar het monster schuilt, slaakte korte gilletjes wanneer druppels haar gezicht raakten. Een keer kwamen allebei haar voeten – regenlaarsjes – los van de grond.

Rituelen.

Deze week lees ik Rituelen van Cees Nooteboom. Ik ben nu ongeveer op drie kwart van het boek. De hoofdpersoon bevindt zich in een flat met ene Philip Taads. Die flat is volledig wit, en kaal, en die Taads praktiseert een bepaald soort Zen of Tao en daar praten ze over. Het is niet echt een verhaal, of beter: het verhaal is een excuus om omstandig te filosoferen – tenminste, zo lees ík Rituelen – en daar is in principe uiteraard niets op tegen. Bij die scene in die flat moet ik denken aan het appartement van een schrijver waar ik eens belandde na een feest, rond een uur of vier in de ochtend. Dat appartement was allesbehalve leeg of wit maar wel was over alles wat er zich bevond nagedacht en ook de ontvangst in die vroege ochtend was haast formeel en leek te verlopen volgens bepaalde tja rituelen. Er zaten kunstige meisjes op de grond rare dingen te zeggen, en twee andere meisjes, met een meer sensuele uitstraling, lagen op de sofa alsof de schrijver hen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid had uitgekozen en aangeschaft en na lang wikken en wegen uiteindelijk had besloten hen op die bank te draperen. Het resultaat, toegegeven, mocht er zijn. Ik ging zitten in een uitzonderlijk comfortabele fauteuil en de vriend met wie ik was ging recht tegenover mij zitten. De rest van de gasten liepen langzaam op en neer en wees dingen aan. Er speelde klassieke muziek, een hoge, androgyne stem gleed door de ruimte. De gastheer vroeg aan iedereen, een per een, wat men wenste te drinken en keerde telkens terug naar de keuken om het drankje in kwestie te prepareren en vervolgens hoffelijk aan te bieden.
Mijn vriend en ik zeiden niets, we zaten simpelweg tegenover elkaar, keken elkaar recht in de ogen en ik kon zien dat we allebei helemaal niets van deze situatie begrepen. Ofwel waren wij in een kunstwerk beland, een perpetuum mobile, dat voor eeuwig en altijd zo zou blijven bestaan en waar wij in en uit konden lopen zonder enig verschil te maken. Ofwel wachtten alle anderen in deze flat tot wij zouden vertrekken waarna de boel onmiddellijk zou ontaarden in een vreeswekkende orgie. Na een uurtje, precies op het moment dat onze gastheer een zeldzame soort artisanale worst in fijne plakjes sneed, vertrokken we. Kortom. We zullen het nooit weten.

Zo ongeveer, maar niet helemaal, lees ik Rituelen.


De val.

Voor mij rijdt een man op een scootmobiel, zijn rechterhand in de rug van zijn vrouw op de fiets naast hem. Haar zijden, roze blouse bolt op in de wind, haar goudkleurige haren zijn hoog opgestoken. Op de achterkant van de scootmobiel zit een sticker waarop een muzieknoot staat afgebeeld. Zijn kruk steekt uit het bagagevak als een preistok.
Voor ons wordt het licht groen. Een fietser zet af, zwalkt even van links naar rechts. De scootmobielman toetert en geeft zijn vrouw een extra zetje zodat ze langs de fietser kan zweven, zonder een trap te geven, de scootmobiel erachteraan, zijn arm alweer uitgestrekt, zijn handpalm gespreid, een dikke gouden zegelring blinkend in de zon, en dan weer verder, samen.
Ik denk aan mijn eerste grote liefde, de Honda Camino die ik toen had, haar hand op mijn schouder, op weg naar huis van een feestje. De val, de schaafwonden over de volledige rechterzijde van mijn lichaam en hoe het hare onverklaarbaar volmaakt gaaf was gebleven. Daarna de borrel die haar vader mij gaf, om te bekomen, waarna hij weer naar bed ging en wij samen in de woonkamer achterbleven en in stilte uitkeken over het terras waarop we het weekend ervoor nog hadden gelegen, haar rug schurend over de ruwe stoeptegels, boven ons het raam van de ouderlijke slaapkamer dat zachtjes kreunde.

Wennen.

Ik zat aan tafel met koffie en klikte de krant open. Op pagina 3 stond het bericht over Steven Sotloff. Ik wist het nog niet. Nochtans wel gewoon online geweest gisteren, en ook televisie gekeken. Kijk, dacht ik. Het begint al een beetje te wennen.
Twee kinderhanden trokken zich op aan de tafelrand en het bijpassende hoofdje kwam meegluren. Snel scrolde ik de foto buiten beeld.
‘Papa, ga jij ook naar dansles?’ vroeg Lou Victoria (bijna 3) die vanmiddag voor het eerst op dansles mag.
‘Nee toch,’ zei ik. ‘Ik ga toch niet naar de dansles van Lou?’
‘Neehee.’ Ze giechelde. ‘Papa gaat naar dansles voor de mensen, toch?’
‘Maar ik weet niet waar de dansles voor de mensen is’ zei ik.
‘Dan moet je dansles voor de mensen zoeken.’
En weg was ze. Ik las verder. De volgende wordt een Brit, stond er. Goed voor voorpagina’s in Groot-Brittanië. Hier? Pagina 4, of 5. Het valt niet uit te sluiten – want dit zal nog lang doorgaan, er zit nog een tiental Westerlingen vast – dat het op een bepaald moment berichten in de marge worden. Een moment waarop wij niet meer onder de indruk zijn. Daarna zal IS mogelijk iets nieuws verzinnen. Iets nog wreder. Daar zullen wij opnieuw aan wennen en zo verder tot we nooit meer onder de indruk zullen zijn van wat dan ook. We zullen blind zijn, dacht ik. Blind omdat we het ware gezicht van de mensen hebben gezien, en als we eenmaal blind zullen zijn, zal er geen verschil meer zijn tussen hen en wij, tussen niemand eigenlijk, elke tegenstelling die nu nog iets lijkt te betekenen zal haar relevantie hebben verloren en dáárna zullen wij, als alle aardse dingen, oplossen en verdwijnen in het grote zwarte niets. Kortom.
Lou Victoria tikte op mijn schouder. Ik keek op. Ze had een roze tutu aan, zette haar voetjes tegen elkaar en plaatste de vingertoppen van haar beide handjes boven haar hoofd tegen elkaar. Daarna draaide ze een rondje.

Reactie.

Gisteren zag ik op Twitter een bericht van iemand die zei: 'Lees veel defensieve reacties op Elly’s Choice. Dan zal het wel een succes worden.’ Dat bericht werd dan weer gefavorited door mensen betrokken bij Elly’s Choice.
Nu voelde ik me niet aangesproken want volgens mij had ik een best genuanceerd stukje geschreven maar dit gezegd zijnde is defensief reageren natuurlijk in het algemeen heel populair op sociale media. Er is maar één soort reactie populairder en dat is de bovenstaande variant die eigenlijk zegt: ‘Wat reageer je defensief, hier ga ik inhoudelijk niet op reageren.’
Kortom. De defensieve vicieuze cirkelreactie. Je ziet ze vaker. Eerst was de Ice Bucket Challenge tof, daarna was hij overdreven ego-gedoe, daarna kwamen de ‘zeur niet zo over dat ego-gedoe’-tweets, daarna de ‘zeur niet zo over dat zeuren over dat ego-gedoe’-berichten en nu moet ik me al sterk vergissen als we de laatste 48 uur niet alweer begonnen zijn aan de herwaardering van de Ice Bucket Challenge want moet je zien hoeveel geld hij heeft opgeleverd. In al dat gekakel las ik hooguit 1 of 2 relevante artikels die hun best deden om iets zinnig te zeggen over waar de Ice Bucket Challenge-hype uiteindelijk, zij het ongewild, wérkelijk over gaat namelijk: welke overwegingen zijn van belang wanneer je kiest welk goed doel je steunt en welk niet (want kiezen moeten we, helaas). Sociale (media) druk lijkt me het minst wenselijke argument, zowel waar het de Ice Bucket Challenge betreft, als waar het gaat om enthousiast doen over Elly’s Choice ‘omdat zij tenminste iéts ondernemen.’ Rustige rationele redeneringen daarentegen.
Ik ben altijd een groot fan van sociale media geweest en ik heb veel aan het fenomeen te danken. Maar steeds vaker bedenk ik dat het een goeie zaak zou zijn als wie zijn mening gehoord wil krijgen, daarvoor weer eens wat meer moeite zou moeten doen. Zoals vroeger. Krijg je die gedachte nu pas, Victoria? Ja. Eigenlijk wel. En ze is even simplistisch en naïef als de gemiddelde defensieve reactie, dat weet ik ook wel.

Elly.

Tot voor een paar jaar mengde ik mij veelvuldig in het debat omtrent de digitalisering van het boek, en ook mocht ik graag zelf een potje experimenteren. Daar ben ik mee gestopt. Ik dreigde die-schrijver-die-het-altijd-over-ebooks-heeft te worden. Had ik geen zin in.
Bovendien komt die iTunes/Spotify/Netflix voor boeken er heus wel, vroeg of laat, ook zonder debat, en vooral ook zonder dat Nederlandse en Vlaamse uitgevers er veel over te zeggen zullen hebben, daarvoor is hun rol op mondiaal vlak veel te klein en lokale initiatieven zoals nu Elly’s Choice zijn wat dat betreft slechts vederlichte intermezzo’s in afwachting van de definitieve stabilisering van de wereldmarkt, de spelers die er wel toe doen moeten nog even hun robbertje uitvechten, nog een paar jaar zeg maar, en dan weten we wie gewonnen heeft en de rest van de boekenwereld zal zich daarnaar moeten voegen zoals de rest van de entertainmentwereld zich naar het model zoals uitgerold door iTunes/Spotify/Netflix/Etc heeft moeten voegen. Wie kent er nog de namen van Nederlandse mp3-downloadshops? Ze hebben bestaan.
Wat Elly’s Choice betreft, ik zie wel wat de bedoeling is: wind uit de zeilen van het illegaal downloaden halen en ik denk dat het aanbod en het doelpubliek daarvoor goed zijn gekozen. Verder kan je altijd kritiek hebben op de concrete uitvoering, maar laat mij maar gewoon aannemen dat men daarover heeft nagedacht. Twee dingen evenwel, bevreemden mij. Ten eerste. Men maakt nog steeds de klassieke denkfout: men denkt de consument te kunnen opleggen wat hij moet lezen. Top down. Terwijl internet precies andersom werkt: de consument bepaalt, de consument kiest en het aanbod is eindeloos. De zogenaamde poortwachterfunctie, het uitlichten en aanraden van titels, werkt alleen in de context van een eindeloos aanbod. Niet als de selectie samenvalt met het aanbod. Dat is ongeloofwaardig en er valt niet tegenop te argumenteren. Dat is trouwens een tweede klassieke denkfout: denken dat de consument vatbaar is voor rationele redeneringen. Mizzi van der Pluijm betoogde enkele weken geleden vol vuur en vlam dat de boekenprijs echt niet omlaag kon gezien het vele werk dat het produceren van een boek kost. Rationeel gezien heeft zij ongetwijfeld gelijk. Maar de consument zal haar niet geloven, zeker niet nu haar uitgeverij deelneemt aan een initiatief dat boeken verkoopt aan 30 cent het stuk. IK weet wel dat het twee verschillende zaken zijn, IK snap dat allemaal wel, en elke boekenvakker snapt dat. Maar het gaat niet om ons. Het gaat überhaupt niet om wie gelijk heeft. Het gaat om hoe het op de consument overkomt. Dertig cent voor een boek is gevoelsmatig gratis. Dat het een boek is waarvoor de kosten al zijn gemaakt, dat het tijdelijke korting is, … al die nuanceringen zijn niet aan de consument besteed. Boeken zijn dus gratis. (En Elly’s Choice heeft een beperkt aanbod, en de Torrentboer heeft een onbeperkt aanbod. Wie gaat winnen denk je?) Dat is de boodschap. En dat moet je jezelf realiseren. En dat men zich dit nog steeds niet realiseert, dat is het tweede punt wat mij bevreemdt. Maar goed. Ik juich elk initiatief toe. Ik ken veel van de mensen die betrokken zijn bij Elly’s Choice. Dat zijn geen domme mensen. Dus alle succes gewenst aan Elly, en hopen maar dat ik mij vergis. Ik zal het volgaarne toegeven.
(Heb ik toch weer een mening over digitaal uitgeven gehad. Ga ik nooit meer doen. Ik ga schrijven. Beloofd.)

De Kempervennen.

Iets voorbij Eindhoven verliet ik de autostrade en vervolgde mijn route over een regionale weg. In principe reis ik liever met de trein, maar op zijn tijd kan ik de hypnose van een lange autorit waarderen. Ik speelde een cd van Bright Eyes. ‘…everything seemed different and completely new to me. The sky, the trees, houses, buildings, even my own body.’ Keihard. En zo gleed ik over de Limburgse wegen terwijl ik allerlei zaken overdacht zonder een beslissing te nemen, vage plannen voor de toekomst die overgingen in herinneringen aan gebeurtenissen die ik liever was vergeten, en hoe ik alles anders ging doen, ja alles anders doen, dat is momenteel het overheersende thema – als u in het recente verleden met mij te maken heeft gehad, nou, zet je dan maar schrap – en ondertussen lintbebouwing, velden, rotondes en een file in Valkenswaard (arbeiders met bier in hun handen op het terras van een café) en dan opnieuw lange rechte stukken met hoge fiere bomen aan weerszijden en de horizon verstopt achter de ruggen van vrachtwagens en een bordje langs de kant van de weg: De Kempervennen. Als bronstige puber bracht ik menige herfstvakantie door in Center Parcs, ik mocht altijd mee met een goede vriend en zijn ouders en hun vrienden en het was in De Kempervennen dat ik voor het eerst een meisje zoende, een Engelse die Sarah heette en naar wie ik nog brieven heb geschreven waarvan de kladversies ergens boven in de kast moeten liggen en hoe de moeder van mijn vriend me daarop aansprak, een lieve vrouw die enige tijd geleden volkomen onverwacht overleed, tenminste toch voor mij, ik vond de overlijdensbrief pas dagen na de begrafenis bij terugkomst van vakantie, alleszins ze zei dat ik misschien wat meer aandacht aan mijn vriend moest besteden en ze had natuurlijk gelijk, mijn hele leven lang zou ze gelijk hebben als het op mijn vrienden aankwam en ik herinner me dat we na afloop van die week gingen eten bij een Chinees restaurant in Eindhoven, de Blauwe Lotus, die zit daar volgens mij nog steeds, en dat ik het visitekaartje van dat restaurant nog jarenlang heb bewaard.
Ondertussen kwam ik in Sint-Truiden aan. Ik parkeerde de auto en liep naar het hotel. De toegangsdeur was gesloten en met mijn hoofd nog vol muziek en beelden en spijt, belde ik aan. De intercom lichtte op. Een vervormde, gebroken stem riep ‘Hallo!’. Daarna volgde een eindeloze, harde, koude pieptoon.

Loodgieter.

Om half drie ’s nachts werd het gehele gezin Victoria wakker omdat Lou moest plassen. Dus moest Lola ook plassen. En ik ook. Nadat iedereen geplast had, kropen we weer in bed en Lola riep: ‘Papa, het regent in mijn kamer!’
Dat bleek te kloppen. Dikke druppels aan het plafond. Huize Victoria worstelt al een jaar of twee met een hardnekkig lekkend balkon. Tien weken geleden spendeerden we een paar duizend euro spaargeld om dat euvel ‘voor eens en voor altijd’ te verhelpen. Al die tijd werkten we met een loodgieter over wie ik bijzonder tevreden was omdat hij altijd op tijd kwam, in staat bleek vlot via email te communiceren en wanneer verbale communicatie noodzakelijk bleek, uitstekend articuleerde wanneer hij zijn zorgvuldig opgebouwde volzinnen debiteerde. Kortom, een man die de indruk wekte bekwaam én omzichtig te zijn, een man met een plan die niet alleen het probleem wilde verhelpen maar ook oog had voor de esthetische kant van de zaak – want ik ben dol op ons kleine fijne balkonnetje met houten vlonder, bankje en bloemetjes – iemand van ‘mijn soort’ die niet over één nacht ijs ging. Maar twee jaar is lang.
Terwijl de kinderen bij liefje in bed kropen en ik emmer en dweil onder de druppels positioneerde, begon ik hevig te verlangen naar een klassieker type loodgieter. Eentje die te laat zou opdagen, afwezig mijn hand zou schudden – ‘Theo.’ – mijn exposé over de mogelijke oorzaken van de lekkage totaal zou negeren terwijl hij naar boven stampte onderwijl onverstaanbare, korte, brute zinnetjes mompelend. Waarna hij mijn andere loodgieter zou bellen om te overleggen en terwijl die feilloos articulerend zijn betoog hield, naar mij zou kijken, de telefoon van zijn oor weg zou houden en hevig rollend met de ogen diep zou zuchten waarna hij twee blikken op ons balkon zou werpen gevolgd door drie welgemikte dotten kit op een plek die wij al die tijd over het hoofd hadden gezien.
Vandaag kwam die loodgieter. Bij het afscheid drukte hij mij een zelf gemaakt, gelamineerd visitekaartje in de hand. ‘En nou niet meer naar die rare bellen, oké?'
Ik boog schuldbewust het hoofd. En nu wacht ik vol verlangen op de regen.