Raar.

Het aperitief was ingeschonken en er was op de gezondheid van de gastvrouw geklonken toen iedereen naar mij keek en iemand zei: ‘Amai. Jullie hebben het goe vlagge daar in Nederland hé, met die Zwarte Piet-discussie. Hohoho.’
‘Ja,’ pikte een tweede in. ‘Wadisdazeg? Gelukkig hebben wij daar hier geen last van.’
‘Ongelofelijk,’ volgde de derde. ‘Terwijl iedereen toch weet dat Zwarte Piets zwart ziet van het roet en…’
Ik hief mijn hand op, ik reageerde razend snel, op mijn erewoord. Ik wilde nog roepen: pas op, het is net als wanneer je je huis verkoopt; zodra je inhoudelijk ingaat op de argumenten van de bieder, kan de prijs nog maar een kant op: omlaag. Maar het was te laat.
Na twintig minuten viel er een stilte en ik zei: ‘Jullie hebben nu een Zwarte Piet discussie.’
De stilte werd dieper, stiller – als dat kon. Er viel werkelijk niets te horen, alleen maar het geluid van hout op hout, de blokjes waarmee Lola en Lou speelden aan mijn voeten, op de parketvloer, die blonk.
Op de terugweg naar huis wees ik naar weilanden aan onze rechterzijde en de lucht die er boven hing als een zwevende plas rode verf waarin iemand druppels wit had laten vallen.
 ‘Wow,’ zei Lola. ‘België is een raar land.’

Brug.

Bovenop de Magere Brug hield ik halt. Ik fiets er elke ochtend overheen, op weg naar werk, meestal nietsontziend maar er zijn van die dagen. De sluizen ter hoogte van Carré lagen er onbewogen bij, in sluiers van mist, waardoor ze niet langer meer een vakantiefoto waren van een Japanse toerist maar een oud en breekbaar schilderij, seconden voor het definitief verkruimelt.
Ik leunde met beide armen op het stuur, in gedachten verzonken, maar zonder dat er een werkelijke, concrete gedachte vorm kreeg. Er cirkelden een paar boten over het water, tenminste, vage silhouetten die mogelijk wezen op iets wat echt bestond – boten? – maar mogelijk, of net zo goed, niet. Zij wachtten tot de sluizen open zouden gaan en zo raakten ze me aan, als geruchten of het schijnsel van de sterren maar ik, ik wachtte op het schijnsel van de zon en wanneer die verdwenen mocht zijn en de bol om redenen die ons nog lang zouden bezig houden niet langer meer zichtbaar bleek, dan wachtte ik wel op de felle leegte in de hemel.

Vet.

’s Ochtends loopt Lola door de woonkamer, over en weer, staat stil voor de televisie, zwaait naar haar eigen beeltenis in het donkere scherm.
Ik zeg: ‘Wat doe je?’
Lola zegt: ‘Ik speelde dat ik dacht dat ik een inbreker zag en toen belde ik de politie en de politie zei: nee hoor, dat is alleen maar je spiegelbeeld.’
En ze loopt naar me toe, leunt tegen me aan, duwt met haar hoofd tegen mijn schouder als een poes, neemt het boek dat ik aan het lezen ben, slaat het open op een willekeurige pagina en begint luidop voor te lezen. Een scène waarin een kat wordt gewurgd en opgehangen.
De avond valt, de kinderen kijken Paw Patrol.
‘Wow papa, dit is een heftige film,’ zegt Lola.
‘Gewoon heftig?’ vraag ik. ‘Of mega super vet heftig?’
‘Dat vet heb je van mij,’ zegt Lola.

Pastiche.

Om mij heen de rekken en blikken en flessen en de mensen en het licht, dat op mij drukt en de woorden die de mensen spreken, de verdichting van klanken, steeds meer klanken die mij verdrukken en waar ik mijn weg doorheen baan met dat karretje, onzeker metaal op dunne wankele wielen, de lege boodschappentas aan het haakje, bungelend, opgehangen als een dode kat en bij de kassa staat een vrouw met een mandje, een oranje mandje dat aan haar arm bungelt, ophangen, let op, hier ontstaat iets, een verbinding van enige soort en haar dochter staat naast haar, bleek, jong, verwijderd van haar moeder, ze staan vlak naast elkaar maar toch is er afstand, zie ik de afstand, de frisse jonge vrouw, de moeder met een gezicht, zo zwaar opgemaakt dat het aan haar schedel lijkt te zijn opgehangen, ze staat naast me maar niet in de rij en ze maakt een beweging naar voren, het is een manoeuvre, een bewegen naar de kassa toe waarboven pancartes hangen met reclame aan touwtjes, opgehangen, opgehangen, hier begint zich iets te formeren, er ontstaat een verbinding, de tas aan mijn karretje, het mandje aan haar arm, het gezicht aan haar schedel, de pancartes aan de touwtjes en de vrouw die me aankijkt en zegt: ‘Ik probeer niet voor te dringen hoor!’
En ik zeg: ‘Hoezo? Hoezo probeert u niet voor te dringen?’
Ze kijkt me aan, verbijsterd. Om ons heen komt alles tot stilstand. De mensen, het licht, de rekken, de blikken, de flessen, de klanken, de lippen. Niets kan de stilte overstemmen.

Vijand.

‘Zo, dus we hebben een nieuwe vijand?’ vroeg Liefje bij het ontbijt. Ik las de krant. Ik lees altijd de krant bij het ontbijt, al mijn hele leven, maar pas sinds ik het op een iPad doe krijg ik er af en toe een opmerking over. Nochtans is de krant lezen bij het ontbijt een grondrecht van de Westerse man, zoals iedereen weet. (En als de vrouwen het willen, kunnen ze het ook krijgen. Zo moeilijk ben ik in die dingen niet.) Dus ik zei: ‘Zo, ben je daar nu al achter?’
‘Nee hoor,’ zei Liefje. ‘Ik wist het al.’
Ik las verder in de krant.
‘Goed hé,’ zei Liefje.
Ik keek op.
‘Een vijand hebben. Goed toch? Daar worden de mensen gelukkiger van.’
‘Ga je nu bij het ontbijt zitten filosoferen?’ vroeg ik.
‘Nee hoor,’ zei Liefje.

Waterig.

Ik stond bij de kassa van de bio supermarkt, en ik begon uit te laden. Achter mij stonden twee mannen van een jaar of vijftig in nette overhemden die op de een of andere manier toch een slordige indruk maakten, en eentje vroeg aan de jongen achter de kassa: ‘Verkopen jullie ook sigaretten?’
De jongen schudde het hoofd en scande mijn boodschappen terwijl de twee mannen overlegden.
‘Misschien in die kroeg? Misschien verkopen ze daar sigaretten?’
Ik laadde in, rekende af en liep met mijn karretje naar buiten. Het had de hele middag geregend maar nu brak de zon door en ik dacht aan de woonboten die aan de overkant van de straat, verborgen achter de hoge berm, bij de sluis in het IJ lagen en hoe fijn het zou zijn daar nu op het dek een kopje koffie te drinken. In de auto naast de mijne zat een gezette, bleke, zwetende, ongeschoren man die mij met zijn waterige oogjes door het open raampje gade sloeg alsof hij iets van plan was. Tegen de tijd dat ik de boodschappen in de koffer had geladen, kwamen de twee mannen aanlopen, ze stapten in bij de zwetende man, en de ene zei: ‘Geen sigaretten. Misschien bij die kroeg. Is je shag al op?’ En de ander droeg het plastic tasje waarin de boodschappen zaten die ze na mij op de lopende band hadden gelegd: drie zakken chips, een literfles Coca-Cola Zero en een flink uit de kluiten gewassen stronk broccoli. De zwetende man bewoog niet. Hij keek nog steeds uit het raam, naar mij, en dat bleef hij doen, tot lang nadat ik was weg gereden en de zon alweer verdwenen was, en de regen hard op het dakraam van onze slaapkamer sloeg, veel harder dan nodig was om mij wakker te houden.

Zomers.

Het tankstation is al enige tijd een Carrefour express en naast het gebouw is een kleine speeltuin waar Lou en ik naartoe lopen terwijl de anderen boodschappen doen. Ik heb nooit eerder het wandelpad opgemerkt dat vanaf dat speeltuintje vertrekt en naar ik vermoed uitkomt in de achterliggende woonwijk. Vroeger liep dat pad door de enorme tuin ernaast die ik rechtop staand op de ladder van de glijbaan kan zien – het is de tuin van mijn jeugd. Ik sleet er zomers die zo lang waren dat sommige ervan nog steeds voort duren.
In die jaren stond het grote gietijzeren hek aan de achterzijde altijd open, en ook het hek aan de voorzijde, in de woonwijk, was nooit op slot. De wijkbewoners hadden officieel het recht om dwars door de tuin te wandelen of te fietsen en zo de route van de woonwijk naar de drukke weg af te snijden en er waren best wat mensen die van dat recht gebruik maakten, soms zag je al fietsend over het gras het gezin eten op het terras en dan zwaaiden ze. (Er is een naam voor dat soort weggetjes maar ik kan er niet op komen.)
Ik kijk vanaf de glijbaan over de heg. Ik kan het huis zien liggen. Het grasveld waarop wij voetbal speelden. Ik herinner mij de vader die een penalty van me stopte – hij overleed kort voor de mijne. Achter het grasveld ligt de moestuin waar hij fruit en groente teelde en waar wij vuur stookten in een grote put, en daarnaast de kippenhokken, en daar schuin tegenover de oude duiventil; ons eerste repetitiekot. Dat kot staat er nog steeds, tot mijn verrassing. De boom waar wij een hut in hadden gebouwd leunt half over de heg die aan het speeltuintje grenst, alsof hij moe is. We maakten pijlen van populierentakken en slepen daar scherpe punten aan en daarna belegerden we die boomhut met pijl en boog. Ik weet nog dat ik op een van de broers schoot en dat de pijl vlak naast zijn hoofd insloeg en trillend in de stam bleef steken – het laatste wat ik van die jongen heb gehoord is dat hij nu in Amerika woont en werkt en het is maar de vraag of dat ook het geval was geweest als ik die dag nog beter had gemikt. Lou glijdt naar beneden. De boodschappen zijn gedaan. Ik rij de auto achteruit de parkeerplaats af. In de spiegel zie ik het grote gietijzeren hek. Dicht.

De ochtenden.

Dit is hoe de ochtenden verlopen. Ik sta op om kwart voor zeven en neem een douche. Ik zet koffie en lees de krant. Rond twintig na zeven zit iedereen aan tafel en eet. Soms wordt er gezongen. Buiten is het alweer donker maar binnen is het licht en alles verloopt rimpelloos en ontspannen. Ik smeer de boterhammen. Er wordt gespeeld, pyama’s landen op de bank, boven hoor ik het snorren van een tandenborstel of het blazen van de haardroger.
Dan, rond acht uur, sommeer ik iedereen naar beneden. Dat bevel is het startschot waarop alle deelnemers zo traag mogelijk uit de startblokken kruipen, in een onverbiddelijke slow motion.
Liefje zegt wel eens, ’s nachts, wanneer we naast elkaar in bed liggen en naar het plafond staren, ze zegt wel eens dat ik ’s ochtends misschien iets rustiger zou kunnen zijn en niet iedereen zo moet opjagen. Maar met mij is niets aan de hand. Ik jaag niets of niemand op. Ik beweeg constant en evenwichtig op hetzelfde tempo, relaxed, volkomen ontspannen. Het is die even plotse als eindeloze slow motion om mij heen die maakt dat ik er gehaast uit zie. Maar ik ben niet gehaast, ik wil op tijd komen uiteraard, zoals iedereen, ik ken de minuten en de mogelijkheden en beperkingen die ze in zich dragen, ik monitor de vorderingen, ik waak voor de valkuilen, maar ik ben niet gehaast, niet gestresseerd, ik jaag niemand op. Ik schreeuw niet. Het zijn de ánderen die steeds trager en stiller worden, die sluipen en zich verbergen of roerloos houden, als nachtdieren, totdat ze, wanneer het onherroepelijke uur slaat, totaal onzichtbaar zijn geworden en ik alleen achterblijf en dan lijkt het mogelijk alsof ik schreeuw.